Burgerlijk procesrecht

Ten uitvoerlegging arbitraal vonnis

Rechtbank Den Haag, 19 maart 2026

Zaakgegevens

Op 19 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
19 maart 2026
Datum publicatie
23 juni 2026
Zaaknummer
C/09/701490 / KG RK 26-472
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:17012
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ten uitvoerlegging arbitraal vonnis

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team Handel - Voorzieningenrechter

zaaknummer / rekestnummer: C/09/701490 / KG RK 26-472

Beslissing van 19 maart 2026

op het verzoek van

BLASKET RENEWABLE INVESTMENTS LLC, te Wilmington, Verenigde Staten van Amerika,

verzoekster,

advocaten mrs. D. Knottenbelt en mr. R.R. Verkerk, te Rotterdam.

1 Het verzoek

1.1.

Op 12 maart 2026 is het verzoekschrift tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis met zes producties bij de griffie van de voorzieningenrechter ingekomen. Het verzoek ziet op de tenuitvoerlegging van het arbitrale tussenvonnis van 17 maart 2021, het arbitrale eindvonnis van 14 november 2022, het rectificatievonnis van 15 mei 2023 en het vernietigingsvonnis van 31 juli 2025 gewezen door een scheidsgerecht van het International Centre for Settlement of Investment Disputes (ICSID) in de zaak tussen:

EURUS ENERGY HOLDINGS CORPORATION, te Tokyo, Japan,

verzoekster,

en

KINGDOM OF SPAIN, te Spanje,

verweerster.

1.2.

Daarnaast wordt verzocht om veroordeling van het Koninkrijk Spanje in de kosten van het geding.

2 De beslissing

De voorzieningenrechter

2.1.

erkent en verleent verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitrale tussenvonnis van 17 maart 2021, het arbitrale eindvonnis van 14 november 2022, het rectificatievonnis van 15 mei 2023 en het vernietigingsvonnis van 31 juli 2025 (ICSID Case No. ARB/16/4);

2.2.

veroordeelt het Koninkrijk Spanje in de kosten, begroot op € 165,00 aan griffierecht.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.