Burgerlijk procesrecht
Voorlopig getuigenverhoor, toegewezen.
Rechtbank Den Haag, 13 maart 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:9355 · Rechtbank Den Haag · 13 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/burgerlijk-procesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-9355
Zaakgegevens
Op 13 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 maart 2026
- Datum publicatie
- 17 april 2026
- Zaaknummer
- C/09/694672 / HA RK 25-675
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. C Turkeli, mr. F.W. Vergonet
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9355
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopig getuigenverhoor, toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/694672 / HA RK 25-675
Beschikking van 13 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker] H.O.D.N. [handelsnaam 1], te [woonplaats] ,
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. C. Turkeli,
tegen
[verweerder] H.O.D.N. [handelsnaam 2], te [woonplaats] ,
verweerder,
hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat: mr. F.W. Vergonet.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van de kantonrechter van 13 oktober 2025 waarbij de zaak is verwezen naar Team Handel, verbeterd op 11 november 2025, en de daarin vermelde processtukken (het verzoekschrift en het verweerschrift).
Op 19 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling van deze zaak plaatsgevonden.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2 De feiten
[verzoeker] en [verweerder] zijn beiden zelfstandig ondernemers en verrichten onder andere werkzaamheden voor de aanleg van glasvezelkabels.
Op 26 februari 2025 waren [verzoeker] , [verweerder] , de broer van [verweerder] en enkele anderen gezamenlijk bezig met de aanleg van glasvezelkabels in Delft. Tijdens deze werkzaamheden is [verzoeker] gewond geraakt aan zijn voet.
3 Het verzoek en het verweer
[verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om een getuigenverhoor te bevelen en heeft daar het volgende ten grondslag aan gelegd. [verzoeker] heeft tijdens de werkzaamheden letsel opgelopen aan zijn voet en is daardoor arbeidsongeschikt geraakt. Omdat de lezingen over wat er is gebeurd uiteenlopen erkent de verzekeraar van [verweerder] geen aansprakelijkheid. Daarom is [verzoeker] voornemens om een bodemzaak tegen [verweerder] aan te spannen. Voorafgaand aan de bodemprocedure wil [verzoeker] dat er getuigen worden gehoord om de toedracht van het ongeval duidelijk te krijgen. Als getuigen heeft hij opgegeven: hemzelf, [verweerder] , de broer van [verweerder] en [naam] .
[verweerder] verzet zich alleen ten aanzien van [naam] tegen toewijzing van het verzoek. Volgens [verweerder] heeft [verzoeker] geen belang hij het horen van [naam] , omdat [naam] niet uit eigen waarneming kan verklaren over het ontstaan van het letsel van [verzoeker] .
4 De beoordeling
Het beoordelingskader voor een voorlopig getuigenverhoor
Op grond van artikel 196 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan de rechter voordat een zaak aanhangig is op verzoek van een belanghebbende een voorlopige bewijsverrichting bevelen. Een voorlopig getuigenverhoor zoals [verzoeker] dat verzoekt is zo’n bewijsverrichting. De rechter wijst een dergelijk verzoek in beginsel toe, tenzij:
-
de verlangde informatie onvoldoende bepaald is;
-
er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
-
het verzoek in strijd is met de goede procesorde;
-
er sprake is van misbruik van bevoegdheid;
-
r andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
Het verzoek wordt toegewezen
De rechtbank wijst het verzoek van [verzoeker] toe omdat het voldoet aan de wettelijke vereisten en omdat het verweer van [verweerder] tegen het horen van [naam] niet slaagt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] namelijk voldoende duidelijk gemaakt welk belang hij heeft bij het horen van [naam] en wat [naam] zou kunnen verklaren over hetgeen [verweerder] tegen hem zou hebben gezegd over het ongeval. Tegen het horen van de overige getuigen heeft [verweerder] zich niet verzet.
Praktische gang van zaken van het getuigenverhoor
Aan partijen zal worden verzocht hun verhinderdata over de komende vier maanden toe te zenden aan de rechtbank. Aan de hand van deze verhinderdata zal de rechtbank een datum bepalen voor het verhoor en een rechter-commissaris aanzoeken die het verhoor zal leiden. [verweerder] ’s wens om een getuige te horen in contra-enquête is voor de toewijzing van dit verzoek niet relevant. Wanneer de datum voor het voorlopig getuigenverhoor bekend is staat het hem vrij de rechter-commissaris te verzoeken zijn getuige op dezelfde dag te horen. De beslissing daarover is aan de rechter-commissaris.
Op grond van artikel 198 lid 2 Rv zal de rechtbank de dag bepalen waarop [verzoeker] uiterlijk een afschrift van deze beschikking per aangetekende brief of exploot aan [verweerder] moet doen toekomen.
5. De beslissing
De rechtbank
beveelt een voorlopig getuigenverhoor en bepaalt dat het verhoor zal plaatsvinden in het Paleis van Justitie te Den Haag aan de Prins Clauslaan 60 op een nader te bepalen datum en tijdstip ten overstaan van een nader te bepalen rechter als rechter-commissaris;
bepaalt dat [verzoeker] uiterlijk twee weken na heden een afschrift van deze beschikking bij aangetekende brief of bij exploot aan [verweerder] moet doen toekomen;
bepaalt dat partijen binnen twee weken na heden hun verhinderdata over de komende vier maanden dienen op te geven aan de rechtbank.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.
2184