Civiel recht overig
Kort geding. De Staat hoeft de tenuitvoerlegging van het resterende deel van de gevangenisstraf van eiser…
Rechtbank Den Haag, 23 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:29196 · Rechtbank Den Haag · 23 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-29196
Zaakgegevens
Op 23 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Datum publicatie
- 2 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/711304 / KG ZA 26-919
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.M.H. van Beek, mr. T.J. Crom
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:29196
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. De Staat hoeft de tenuitvoerlegging van het resterende deel van de gevangenisstraf van eiser niet op te schorte totdat in een bodemprocedure is beslist over de vraag of de executiebevoegdheid van de Staat is verjaard. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die bevoegdheid is verjaard. Een beroep op het vertrouwensbeginsel gaat niet op.
Uitspraak
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/711304 / KG ZA 26-919
Vonnis in kort geding van 23 september 2026
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats],
eiser, hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M.M.H. van Beek,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (de minister van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,
gedaagde, hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. T.J. Crom.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 31 augustus 2026, met producties 1 tot en met 5;
- de door de advocaat van de Staat overgelegde pleitnotities.
Op 9 september 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
2 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Bij vonnis van [datum 1] 1998 is [eiser] door de arrondissementsrechtbank te Groningen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk (hierna ‘de gevangenisstraf’), vanwege onder meer wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal in vereniging. Tegen het vonnis is geen hoger beroep ingesteld, zodat de veroordeling van [eiser] op [datum 2] 1998 onherroepelijk is geworden.
Op 16 januari 1999 is aan [eiser] een strafonderbreking verleend, waarna [eiser] is ontvlucht en zich heeft onttrokken aan de (verdere) tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf.
Bij brief van 9 juli 2009 heeft de officier van justitie (samengevat) aan de toenmalige advocaat van [eiser] meegedeeld dat een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen toen [eiser] in januari 1999 niet is teruggekeerd na zijn strafonderbreking en dat de termijn voor de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf eindigt ’18 jaren na 27 december 1999’.
In februari 2025 is [eiser] in Griekenland aangehouden en vervolgens door de Griekse autoriteiten overgeleverd aan Nederland. Met ingang van 27 februari 2025 is [eiser] gedetineerd en sinds 29 april 2025 verblijft hij in de penitentiaire inrichting [plaats].
Op 14 augustus 2025 is de detentie van [eiser] geschorst in verband met een door [eiser] ingediend gratieverzoek. De minister van Justitie en Veiligheid heeft het gratieverzoek van [eiser] op 31 maart 2026 afgewezen.
De advocaat van [eiser] heeft in een brief van 11 juni 2026 aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJI) verzocht om de tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf te beëindigen, omdat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging volgens [eiser] vanwege verjaring is vervallen.
3 Het geschil
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – (I) de Staat te gebieden om de tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf met onmiddellijke ingang op te schorten en opgeschort te houden totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de vraag of de executiebevoegdheid van de Staat is verjaard en (II) de Staat te verbieden om gedurende die periode executiemaatregelen te treffen strekkende tot de (voorlopige) tenuitvoerlegging van die gevangenisstraf, daaronder begrepen zijn aanhouding en detentie, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten.
Daartoe stelt [eiser] – samengevat – het volgende. Het recht van de Staat om de gevangenisstraf verder ten uitvoer te leggen is verjaard. Hoewel uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat wetswijzigingen met betrekking tot de vervolgingsverjaringstermijn onmiddellijke werking hebben en dat er geen goede grond is om anders te oordelen met betrekking tot de executieverjaringstermijn, stelt [eiser] zich op het standpunt dat dit uitgangspunt in zijn situatie niet onverkort geldt. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 22 juni 2000 (hierna ‘het arrest van het EHRM’). Volgens [eiser] heeft het EHRM in dat arrest alleen onmiddellijke werking aanvaard van gewijzigde regels met betrekking tot de vervolgingsverjaring en is daarbij niet overwogen dat dat oordeel ook geldt voor wijzigingen van de executieverjaringstermijn. Dit betekent dat onmiddellijke werking voor wat betreft de executieverjaringstermijn niet zonder meer kan worden aangenomen. In de situatie van [eiser] komt daar nog bij dat de officier van justitie op 9 juli 2009 aan de toenmalige advocaat van [eiser] heeft meegedeeld dat de executieverjaringstermijn op 27 december 2017 zou eindigen en op die mededeling heeft [eiser] gerechtvaardigd mogen vertrouwen. De Staat mag de gevangenisstraf daarom niet tenuitvoerleggen voordat in een bodemprocedure een oordeel is gegeven over de executiebevoegdheid van de Staat.
De conclusie van de Staat strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer van de Staat zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
Tussen partijen is in geschil of de Staat de tenuitvoerlegging van het resterende deel van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf moet opschorten totdat in een bodemprocedure is beslist over de vraag of de executiebevoegdheid van de Staat is verjaard. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Dit oordeel wordt als volgt gemotiveerd.
Gelet op het bepaalde in artikel 70 lid 1 aanhef en onder 4, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (oud), in samenhang met artikel 76 lid 2 Sr (oud) bedroeg de executieverjaringstermijn ten tijde van de veroordeling van [eiser] twintig jaar. Dit betekent dat het recht tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in beginsel in juli 2018 zou zijn verjaard. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen op het moment waarop [eiser] na de aan hem verleende strafonderbreking in januari 1999 niet is teruggekeerd naar de penitentiaire inrichting. Volgens [eiser] is de bevoegdheid tot verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf ook verjaard wanneer dat standpunt van de Staat wordt gevolgd.
Vast staat dat de regeling met betrekking tot de vervolgingsverjaring in 2012 is gewijzigd, als gevolg waarvan het recht tot strafvordering niet meer verjaart voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld, zoals de misdrijven waarvoor [eiser] is veroordeeld. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat een wetswijziging met betrekking tot de vervolgingsverjaring, bij gebreke van een bijzondere overgangsregeling, direct van toepassing is, tenzij die verjaring voor de inwerkingtreding van de wetswijziging al was voltooid. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat er geen goede grond bestaat om anders te oordelen ten aanzien van de executieverjaring, zodat een langere executieverjaringstermijn ook van toepassing is op veroordelingen die voor de wetswijziging onherroepelijk zijn geworden.
[eiser] heeft zich beroepen op het arrest van het EHRM. Daarin heeft het EHRM geoordeeld dat de onmiddellijke toepassing van een wettelijke verlenging van een nog lopende verjaringstermijn verenigbaar is met het in artikel 7 lid 1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens (EVRM) geregelde uitgangspunt dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Volgens [eiser] blijkt uit de bewoordingen van dit arrest echter dat het EHRM met zijn oordeel alleen het oog heeft gehad op de vervolgingsverjaringstermijn en heeft het EHRM niet expliciet een oordeel gegeven met betrekking tot verjaring van de bevoegdheid om een onherroepelijke veroordeling ten uitvoer te leggen. Dit betekent, zo stelt [eiser], dat nog niet duidelijk is dat een lopende executieverjaringstermijn mag worden verlengd, dat hem de gelegenheid moet worden geboden om hierover een oordeel te vragen in een bodemprocedure en dat de verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf moet worden geschorst, zolang de bodemrechter nog niet onherroepelijk heeft beslist.
De Staat heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht aangevoerd dat [eiser] het openstaande deel van de aan hem opgelegde gevangenisstraf nog moet uitzitten. De regeling met betrekking tot executieverjaring is in 2012 gewijzigd. Op dat moment was de verjaring van de bevoegdheid om de gevangenisstraf van [eiser] ten uitvoer te leggen nog niet voltooid, zodat de nieuwe regeling, inhoudende dat de executiebevoegdheid niet meer verjaart, volgens het in de vaste rechtspraak van de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt direct op de situatie van [eiser] van toepassing is geworden. De Staat heeft daarbij onbetwist uiteengezet dat de executieplicht van de Staat, die inhoudt dat een onherroepelijke veroordeling zo spoedig mogelijk ten uitvoer moeten worden gelegd, volgens vaste rechtspraak alleen vervalt als de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging is verjaard of als sprake is van een positief gratiebesluit. Het door [eiser] ingediende gratieverzoek is afgewezen en op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad moet ervan worden uit gegaan dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf niet is verjaard (zie hiervoor in rechtsoverweging 4.3). Bij die stand van zaken is van een uitzondering op de executieplicht van de Staat geen sprake. Dat in het arrest van het EHRM niet uitdrukkelijk is ingegaan op de verjaring van de executiebevoegdheid (die in die zaak niet aan de orde was) betekent, anders dan [eiser] kennelijk meent, niet dat daarmee de conclusie gerechtvaardigd is dat artikel 7 EVRM zich verzet tegen een verlenging van de executieverjaringstermijn. Het staat [eiser] uiteraard vrij om zijn standpunt in een bodemprocedure te laten toetsen, maar zijn wens om dat te doen rechtvaardigt in ieder geval niet dat een uitzondering wordt gemaakt op de executieplicht van de Staat.
Dat er, anders dan bij een verlenging van de vervolgingsverjaringstermijn, bij een verlenging van de executieverjaringstermijn geen rechterlijke toetsing meer plaatsvindt, zoals [eiser] heeft betoogd, maakt het voorgaande niet anders. Vast staat dat de verdenking, de bewijsvoering en de op te leggen straf met betrekking tot [eiser] in de strafvervolgingsfase door de strafrechter zijn beoordeeld, waarop door de strafrechter een gevangenisstraf aan [eiser] is opgelegd. Die straf is inmiddels onherroepelijk en moet ten uitvoer worden gelegd. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt waarom zijn straf nogmaals ter beoordeling aan de strafrechter zou moeten worden voorgelegd. Daar komt nog bij, zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, dat de door [eiser] gewenste herbeoordeling in het kader van de beoordeling van het gratieverzoek van [eiser] feitelijk al heeft plaatsgevonden, omdat de strafrechter een advies heeft uitgebracht, zij het dat dat advies voor [eiser] negatief is uitgepakt.
[eiser] heeft nog een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, omdat hem bij brief van 9 juli 2009 door de officier van justitie is meegedeeld dat de executieverjaringstermijn op 27 december 2017 zou eindigen. Dit beroep slaagt niet. Vast staat dat de officier van justitie de mededeling waarop [eiser] zich beroept heeft gedaan ruim voordat de wetswijziging in 2012 in werking is getreden. Alleen al daarom heeft [eiser] aan die mededeling niet het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat de voor hem geldende executieverjaring op de door de officier van justitie genoemde datum zou zijn voltooid.
Het voorgaande betekent dat er geen aanleiding bestaat om de verdere tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf op te schorten en dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
735,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177,00 |
|
|
- nakosten |
€ 189,00 |
(plus de in de beslissing vermelde verhoging) |
|
|
Totaal |
€ |
2.101,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de zijde van de Staat zijn begroot op € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
mvt