Civiel recht overig

Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Civiel recht overig

Rechtbank Den Haag, 16 september 2026

Zaakgegevens

Op 16 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
16 september 2026
Datum publicatie
7 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/656220, C/09/662230, C/09/678535
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Advocaat
mr. A.A.M. Zeeman, mr. M. Bouman, mr. J.J. van de Velde, mr. J.J. van de Velde, mr. M. Bouman, mr. M. Bouman, mr. J.J. van de Velde
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:29515
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

volgt

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaaknummers: C/09/656220 / HA ZA 23-986

C/09/662230 / HA ZA 24-215

C/09/678535 / HA ZA 25-66

Vonnis van 16 september 2026

in de zaak met zaaknummer C/09/656220 / HA ZA 23-986 van

1. de rechtspersoon naar buitenlands recht ZURICH INSURANCE PUBLIC LIMITED COMPANY te Den Haag,
2. BAM INFRA B.V. te Gouda,

eiseressen,

advocaat: mr. A.A.M. Zeeman,

tegen

1 INTRO UITZENDBUREAU B.V. te Den Haag,

advocaat: mr. M. Bouman,

2
2. [partij D] B.V. te [plaats] ,

advocaat: mr. J.J. van de Velde,

gedaagden,

en in de vrijwaringszaak met zaaknummer C/09/662230 / HA ZA 24-215 van

[partij D] B.V. te [plaats] ,

eiseres in vrijwaring,

advocaat: mr. J.J. van de Velde,

tegen

INTRO UITZENDBUREAU B.V. te Den Haag,

gedaagde in vrijwaring,

advocaat: mr. M. Bouman,

en in de vrijwaringszaak met zaaknummer C/09/678535/ HA ZA 25-66 van

INTRO UITZENDBUREAU B.V. te Den Haag,

eiseres in vrijwaring,

advocaat: mr. M. Bouman,

tegen

[partij D] B.V. te [plaats] ,

gedaagde in vrijwaring,

advocaat: mr. J.J. van de Velde.

Partijen worden hierna aangeduid als Zurich, BAM (en gezamenlijk: BAM c.s.), Intro en [partij D] .

1 De zaken in het kort

1.1.

BAM heeft in augustus 2020 voor HTM onderhoudswerkzaamheden verricht aan (of rondom) het tramspoor op het verkeersknooppunt ‘Harpsingel’ te Rijkswijk. In het kader van deze werkzaamheden heeft BAM [partij D] en Intro ingeschakeld. Op 24 augustus 2020 vond er tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden een voorval plaats, waarbij een tram van HTM ontspoorde. BAM c.s. heeft de hierdoor ontstane schade aan HTM vergoed. In deze procedure vordert BAM c.s. dat voor recht wordt verklaard dat Intro en [partij D] (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van het voorval en hen te veroordelen tot betaling van die schade. Intro en [partij D] hebben elkaar in vrijwaring opgeroepen. Zij vorderen over en weer dat de ander wordt veroordeeld tot betaling van hetgeen waartoe ieder van hen zelf in de hoofdzaak eventueel jegens BAM c.s. wordt veroordeeld.

2 De procedure

In alle drie de zaken

2.1.

Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit:

- het (tussen)vonnis van 18 juni 2025 en de daarin genoemde stukken.

2.2.

Op 25 juni 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. Naast vertegenwoordigers van partijen en hun advocaten was (op verzoek van de rechtbank) van elke partij de betreffende medewerker aanwezig die op de dag van het voorval ter plaatse feitelijke werkzaamheden verrichtte. Dit betroffen dhr. [naam 1] (BAM, via een videoverbinding), dhr. [naam 2] (Intro) en dhr. [naam 3] ( [partij D] ). De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken.

2.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

3 De feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaken

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.


Inleiding

3.1.

BAM is een onderneming die zich onder meer richt op het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden, hoofdzakelijk in de aanbestedingssector met betrekking tot infrastructuur. BAM is verzekerd bij Zurich.

3.2.

[partij D] is een onderneming die zich onder meer bezig houdt met het uitvoeren van grondverzet en het slopen van bouwwerken.

3.3.

Intro is een uitzendbureau dat zich focust op de sectoren verkeer, infra en horeca.

3.4.

BAM heeft in augustus 2020 voor HTM onderhoudswerkzaamheden aan de beton- en asfaltverharding op en rondom het (dubbelbaans) tramspoor op het verkeersknooppunt ‘Harpsingel’ te Rijkswijk verricht. Ten behoeve van deze werkzaamheden heeft [partij D] aan BAM een kraanmachinist (dhr. [naam 3] ) en een mobiele graafmachine ter beschikking gesteld. Daarnaast heeft BAM van Intro twee veiligheidspersonen (de heren [naam 2] en [naam 4] ) ingeleend.

De werkzaamheden

3.5.

De werkzaamheden bestonden onder meer uit het opbreken en het afvoeren van de bestaande beton- en asfaltverharding onder en rondom het spoor. Het asfalt werd losgebroken en afgevoerd in een nabij het werk geplaatste container. Daartoe werden de brokstukken grotendeels met de hand in de grote graafbak van de graafmachine gegooid, die dan op of vlak naast het spoor was geplaatst. Als de graafbak vol was, werd deze weer aangekoppeld aan de graafmachine (die vanwege ruimtegebrek tussendoor verderop werd geplaatst), waarna met de graafmachine naar de container werd gereden. Dit werk werd gedaan door [naam 3] , die in die periode vrijwel uitsluitend aan BAM beschikbaar werd gesteld voor verschillende werken, al dan niet samen met [naam 1] . [naam 1] voerde daarnaast ook eigen werkzaamheden uit, waaronder het dichtsmeren van enkele putten die zich in het werk bevonden.

3.6.

De veiligheidspersonen van Intro hadden als taak ervoor te zorgen dat trams de plek waar de werkzaamheden plaatsvonden (het “werkvak”) veilig konden passeren. Als er een tram aankwam, informeerde de veiligheidspersoon de andere werknemers hierover door middel van een fluitsignaal, zodat zij het werkvak konden vrijmaken. Vervolgens controleerde de veiligheidspersoon of het spoor vrij was, voordat hij door middel van een (ander) fluitsignaal aan de trammachinist aangaf dat de tram kon passeren.

3.7.

Voorafgaand aan de start van de werkzaamheden heeft de hoofduitvoerder van BAM aan de werknemers ter plaatse enige instructies gegeven. [naam 1] fungeerde als meewerkend voorman.

Het ongeval en de schade

3.8.

Op 24 augustus 2020 deed zich tijdens de werkzaamheden een ongeval voor. Nadat een tram was genaderd en één van de veiligheidspersonen van Intro ( [naam 2] ) het spoor vrij heeft gegeven, is de tram tegen (de oren van) de graafbak van de graafmachine gebotst die nabij het spoor stond. Als gevolg hiervan ontspoorde de tram en liep deze schade op.

3.9.

Achmea Expertise heeft in opdracht van HTM onderzoek gedaan naar de schade aan de tram en een expertiserapport opgesteld. Op verzoek van BAM heeft ook Sedgwick een expertiserapport opgesteld. De reparatiekosten zijn vastgesteld op € 149.015,-. De onderzoekskosten van Sedgwick bedroegen € 2.841,40 exclusief btw.

3.10.

Zurich heeft de reparatiekosten (vermeerderd met € 500,- behandelingskosten) aan HTM vergoed. Zurich is krachtens subrogatie gerechtigd de schade te verhalen op de aansprakelijke partij.

3.11.

BAM heeft zowel Intro als [partij D] aansprakelijk gesteld voor de schade. Beiden hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen.

De relatie tussen partijen

3.12.

Op 16 april 2020 is er tussen BAM Infra Verkeerstechniek B.V. en Intro een “Raamovereenkomst van Onderaanneming” (hierna: de raamovereenkomst) gesloten. In de overeenkomst staat onder meer, van zover van belang:

“ARTIKEL 6 UITVOERING VAN DE OPDRACHT

(…)

6.2

Ten aanzien van de te verrichten werkzaamheden staat Opdrachtnemer ervoor in dat de inleenkracht: a. op vakkundige en zorgzame wijze omgaat met de door Opdrachtgever ter beschikking te stellen gereedschappen, materialen en materieel.

(…)

ARTIKEL 10 KWALITEIT

(…)

10.2

Opdrachtnemer staat er voor in dat de aan hem verleende opdracht met de grootst mogelijke zorgvuldigheid door de inleenkracht wordt behandeld en uitgevoerd. (…)

ARTIKEL 11 VEILIGHEID, GEZONDHEID EN MILIEU

(…)

11.3

Opdrachtnemer staat er voor in dat de inleenkracht met het oog op de ten behoeve van Opdrachtgever te verrichten werkzaamheden beschikt over de juiste vak- en veiligheidskennis, tenzij Partijen zulks uitdrukkelijk anders schriftelijk zijn overeengekomen.”

3.13.

In artikel 2.3 van de raamovereenkomst zijn de “Algemene Inkoopvoorwaarden Koninklijke BAM Groep N.V., versie 01 september 2019” (hierna: de algemene inkoopvoorwaarden) van toepassing verklaard op de rechtsverhouding tussen partijen. Hierin staat onder meer, voor zover van belang:

“Artikel 13. Aansprakelijkheid en vrijwaring

1. De Opdrachtnemer is aansprakelijk voor alle schade die Opdrachtgever lijdt als gevolg van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming door de Opdrachtnemer van zijn verplichtingen op grond van de overeenkomst en voor schade door de Opdrachtnemer veroorzaakt aan eigendommen van de Opdrachtgever, behoudens tegenbewijs door de Opdrachtnemer.

(…)

3. De Opdrachtnemer vrijwaart de Opdrachtgever voor:

a) vorderingen van derden tot vergoeding van schade geleden in verband met een tekortkoming van de Opdrachtnemer in de nakoming van zijn verplichtingen op grond van de Overeenkomst of een onrechtmatige daad van de Opdrachtnemer; (…)

d) schade veroorzaakt door de Opdrachtnemer aan eigendommen van derden.”

3.14.

Tussen BAM en [partij D] is geen schriftelijke overeenkomst opgesteld ten aanzien van de werkzaamheden van [partij D] .

Vrijwaringen

3.15.

Bij vonnis in incident van deze rechtbank van 31 januari 2024 is het [partij D] toegestaan om Intro in vrijwaring te dagvaarden.

3.16.

Bij vonnis in incident van 4 december 2024 van deze rechtbank is het Intro toegestaan om [partij D] in vrijwaring te dagvaarden.

4 Het geschil

In de hoofdzaak

4.1.

BAM c.s. vordert – samengevat – bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat Intro en [partij D] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het schadevoorval op 24 augustus 2020;

II. te verklaren voor recht dat Intro en [partij D] in de onderlinge verhouding met Bam c.s. gehouden is/zijn om BAM c.s. te vrijwaren voor de claim van HTM inzake het schadevoorval op 24 augustus 2020;

III. Intro en [partij D] hoofdelijk althans afzonderlijk te veroordelen om aan BAM c.s. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 151.199,40, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 2 november 2022 tot aan de dag van volledige betaling;

IV. Intro en [partij D] hoofdelijk althans afzonderlijk te veroordelen om aan BAM c.s. te betalen € 2.291,- aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;

V. Intro en [partij D] hoofdelijk althans afzonderlijk te veroordelen in de kosten van deze procedure inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze proceskosten met ingang van de eerste dag na het verstrijken van een termijn van twee weken na dit vonnis.

4.2.

Intro concludeert tot afwijzing van de vorderingen van BAM c.s., met veroordeling van BAM c.s. in de kosten van deze procedure, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

4.3.

[partij D] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van BAM c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen jegens [partij D] , dan wel tot matiging van de vorderingen jegens [partij D] , met veroordeling van BAM c.s. in de kosten van het geding.

In de vrijwaringszaak met zaaknummer C/09/662230 / HA ZA 24-215

4.4.

[partij D] vordert dat – indien in de hoofdzaak wordt geoordeeld dat op haar enige aansprakelijkheid en vergoedingsplicht rust – de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis voor recht verklaart dat Intro [partij D] moet vrijwaren voor de vorderingen die BAM c.s. tegen [partij D] heeft ingesteld en Intro veroordeelt om aan [partij D] alles te vergoeden waartoe zij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van Intro in de proceskosten in de hoofdzaak, het vrijwaringsincident en de kosten van de vrijwaringsprocedure.

4.5.

Intro voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [partij D] , met veroordeling van [partij D] in de proceskosten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

In de vrijwaringszaak met zaaknummer C/09/678535/ HA ZA 25-66

4.6.

Intro vordert dat – indien in de hoofdzaak wordt geoordeeld dat op haar enige aansprakelijkheid en vergoedingsplicht rust jegens BAM c.s. – de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis voor recht verklaart dat [partij D] Intro moet vrijwaren en schadeloos stellen voor de vorderingen die Bam c.s. in de hoofdzaak tegen Intro heeft ingesteld en [partij D] te veroordeelt om aan Intro alles te vergoeden waartoe zij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van [partij D] in de kosten van het geding, het vrijwaringsincident en de kosten van de vrijwaringsprocedure.

4.7.

[partij D] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van Intro, met veroordeling van Intro in de proceskosten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

In alle drie de zaken

4.8.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling in de hoofdzaak en de vrijwaringszaken

Inleiding

5.1.

De vraag die in deze procedure centraal staat is – kort gezegd – wie aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het ontsporen van de tram op 24 augustus 2020. Aan de hand van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandelingen naar voren is gekomen, stelt de rechtbank vast dat het ontstaan van het ongeval is te wijten aan een inschattingsfout van [naam 2] en dat Intro (naast BAM) aansprakelijk is voor de hierdoor ontstane schade van HTM. Verder oordeelt de rechtbank dat (de werknemer van) [partij D] geen verwijt kan worden gemaakt van het schadevoorval. [partij D] is daarom niet aansprakelijk. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

5.2.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam 2] verklaard dat het uitsluitend zijn verantwoordelijkheid was om te waarborgen dat het tramspoor ter hoogte van het werkvak vrij was, voordat hij door middel van een fluitsignaal aan de trammachinist aangaf dat de tram kon passeren. De beslissing om het spoor vrij te geven nam [naam 2] zelfstandig. Hij hoefde hiervoor geen toestemming van de andere aanwezigen (van BAM/ [partij D] ). Ook heeft [naam 2] verklaard dat hij bij het nemen van de beslissing om de tram te laten doorrijden niet is afgegaan op signalen of aanwijzingen van [naam 1] en/of [naam 3] , maar puur op zijn eigen waarneming, juist omdat het zijn taak en verantwoordelijkheid was om over de veiligheid te waken.

5.3.

Door BAM c.s. en Intro is aangevoerd dat [partij D] de graafbak, waar de tram tegenaan is gereden, niet mocht plaatsen binnen de zone waarin de tram zich bij het passeren zou kunnen bevinden (de ‘profielvrije ruimte’). Ter zitting hebben [naam 2] , [naam 3] en [naam 1] echter alle drie verklaard dat de (losgekoppelde) graafbak tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden overal mocht staan en dat hierover geen afspraken waren gemaakt. Het was de verantwoordelijkheid van [naam 2] om – voordat hij het spoor vrij gaf – te controleren en ervoor te zorgen dat de graafbak (zo nodig) werd verplaatst en dusdanig gepositioneerd was dat de tram veilig kon passeren.

5.4.

[naam 2] heeft nog verklaard dat er voorafgaand aan het ongeval eerst een andere tram is gepasseerd en dat hij – voordat hij deze tram liet doorrijden – het werkvak is langsgelopen om te controleren of het spoor vrij was. Bij de tweede (direct daarop volgende) tram heeft hij dit niet opnieuw gedaan. Volgens hem was dit niet nodig, nu de eerste tram reeds veilig was gepasseerd. [naam 3] en [naam 1] hebben een andere lezing: volgens hen passeerde er maar één tram (die ontspoorde) en gaf [naam 2] het spoor zo snel na aankomst van de tram vrij dat zij geen tijd hadden om hun spullen te verplaatsen en nauwelijks tijd hadden zelf een veilige plek te zoeken.

5.5.

De rechtbank overweegt dat in het midden kan blijven of één of twee trams passeerden. Duidelijk is dat het de verantwoordelijkheid was van [naam 2] om ervoor te zorgen dat het spoor vrij was en dat was het niet op het moment dat de tram ontspoorde. Ook als een eerste tram veilig zou zijn gepasseerd had [naam 2] moeten waarborgen dat het baanvak ook voor de tweede tram veilig was. Dat heeft [naam 2] niet gedaan.

5.6.

De rechtbank zal hierna – in het licht van het voorgaande – de afzonderlijke vorderingen beoordelen.

De vorderingen van BAM c.s. op Intro (hoofdzaak)

5.7.

BAM c.s. stelt dat Intro (mede) aansprakelijk is voor de door HTM geleden schade. Zij vordert (onder meer) dat Intro wordt veroordeeld om aan BAM c.s. het volledige door BAM c.s. aan HTM betaalde schadebedrag te voldoen, vermeerderd met de schadevaststellingskosten. Gezamenlijk komt dit neer op een bedrag van € 151.199,40. BAM c.s. heeft primair aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat Intro is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen die voortvloeien uit de tussen partijen geldende raamovereenkomst. Subsidiair heeft BAM c.s. de aansprakelijkheid van Intro gebaseerd op artikel 6:170 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Contractuele relatie BAM - HTM

5.8.

BAM stelt dat zij de onderhoudswerkzaamheden aan het spoor verrichtte op grond van een met HTM gesloten overeenkomst en dat zij contractueel aansprakelijk is voor de door het voorval geleden schade van HTM. Intro betwist dat er sprake is van een contractuele relatie tussen BAM en HTM. Zij heeft deze betwisting echter onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat het onaannemelijk is dat BAM grootschalige werkzaamheden aan het spoor van HTM verrichtte zonder dat hieraan een overeenkomst ten grondslag lag. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat er sprake was van een contractuele relatie tussen BAM en HTM en dat BAM op grond hiervan aansprakelijk is voor de door HTM geleden schade.

Contractuele relatie BAM-Intro

5.9.

BAM c.s. beroept zich mede op de bepalingen uit de raamovereenkomst (zie hiervoor onder 3.12). Intro betwist dat deze overeenkomst van toepassing is. Zij wijst erop dat de raamovereenkomst is gesloten door BAM Infra Verkeerstechniek B.V. en niet door BAM. Weliswaar is de raamovereenkomst mede gesloten ten aanzien van een aantal gelieerde vennootschappen van BAM Infra Verkeerstechniek B.V., maar daar valt BAM niet onder, aldus Intro.

5.10.

De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij. Ter zitting is door de heer Godschalk (bedrijfsleider bij Intro) verklaard dat hij ervan uitging dat de voorwaarden uit de raamovereenkomst van toepassing waren op de rechtsverhouding tussen BAM en Intro. Ook van de zijde van BAM is verklaard dat zij ervan uitging dat de voorwaarden uit de raamovereenkomst van toepassing zouden zijn. Het stond BAM en Intro vrij de voorwaarden uit de raamovereenkomst in hun overeenkomst te incorporeren, ongeacht of dit bij het aangaan van de raamovereenkomst door de partijen bij die overeenkomst was beoogd. Nu de wil van BAM en Intro erop gericht was de raamovereenkomst van toepassing te laten zijn op hun onderlinge rechtsverhouding, was er sprake van een gemeenschappelijke partijbedoeling. Dit brengt met zich dat BAM zich jegens Intro kan beroepen op bepalingen uit die raamovereenkomst.

Wanprestatie

5.11.

Primair stelt BAM c.s. zich op het standpunt dat de door [naam 2] gemaakte inschattingsfout (het ten onrechte vrijgeven van het tramspoor), met zich brengt dat Intro toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen op grond van de (raam)overeenkomst. BAM c.s. verwijst in dit verband naar de artikelen 6.2 onder a, 10.2 en 11.3 van de overeenkomst (zie hiervoor onder 3.12 ). Intro betwist gemotiveerd dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van de raamovereenkomst.

5.12.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de raamovereenkomst. Onvoldoende gesteld dan wel gebleken is dat Intro personeel heeft geleverd dat niet over de juiste vak- en veiligheidskennis beschikte. Het feit dat een inleenkracht een inschattingsfout maakt, brengt niet direct met zich dat er geen gekwalificeerd personeel ter beschikking is gesteld. Intro is dan ook niet tekortgeschoten in de nakoming van artikel 11.3 van de overeenkomst. Evenmin is Intro tekortgeschoten in de nakoming van artikel 10.2 van de overeenkomst. Volgens BAM c.s. moet dit artikel zo worden uitgelegd dat het door de inleenkracht “met de grootst mogelijke zorgvuldigheid” uitoefenen van de opdracht, betekent dat de werkzaamheden foutloos worden verricht. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat een werknemer bij de uitvoering van werkzaamheden fouten kan maken en schade kan veroorzaken. Dat Intro zich contractueel jegens BAM zou hebben verbonden om een werknemer ter beschikking te stellen die geen fouten maakt (en dus geen schade zou kunnen toebrengen) bij de uitvoering van zijn werkzaamheden is dan ook geen redelijke uitleg van dit artikel. Voor zover BAM c.s. zich op het standpunt stelt dat Intro is tekortgeschoten in de nakoming van artikel 6.2 onder a van de overeenkomst gaat de rechtbank hieraan voorbij, nu deze stelling niet nader is onderbouwd. Er is immers geen sprake geweest van het onzorgvuldig omgaan met door BAM ter beschikking gestelde gereedschappen, materialen en materieel.

Aansprakelijk op grond van artikel 6:170 BW?

5.13.

Subsidiair stelt BAM c.s. zich op het standpunt dat Intro aansprakelijk is voor de door HTM geleden schade op grond van artikel 6:170 BW. Ingevolge dit artikel is voor schade toegebracht door een fout van een ondergeschikte, degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn taak vervult aansprakelijk indien de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en degene in wiens dienst hij stond uit hoofde van hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen. Intro erkent dat haar veiligheidsmedewerker een fout heeft gemaakt in de uitvoering van zijn werkzaamheden en dat zij op grond van voornoemd artikel (mede) aansprakelijk is voor de hierdoor ontstane schade. In zoverre zijn partijen het dus met elkaar eens. Wat partijen verdeeld houdt is (het antwoord op) de vraag hoe de schade van HTM tussen hen moet worden verdeeld.

5.14.

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de criteria van artikel 6:170 lid 1 BW, zodat Intro op grond van dit artikel aansprakelijk is voor de door HTM geleden schade. Intro als formeel werkgever, BAM als inlener. Nu BAM c.s. en Intro jegens HTM gehouden zijn tot vergoeding van dezelfde schade, zijn zij hoofdelijk verbonden (artikel 6:102 lid 1 BW). Voor de bepaling van hetgeen zij krachtens artikel 6:10 BW in hun onderlinge verhouding jegens elkaar moeten bijdragen, wordt de schade over hen verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 6:101 BW, tenzij uit wet of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit. Dit komt erop neer dat de verdeling plaatsvindt in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen.

5.15.

BAM c.s. stelt zich op het standpunt dat de schade van HTM geheel voor rekening dient te komen van Intro. Volgens BAM c.s. is het verwijt dat Intro kan worden gemaakt met betrekking tot het schadeveroorzakend handelen van [naam 2] beduidend groter dan het verwijt dat BAM in dit verband gemaakt kan worden. BAM c.s. voert hiertoe aan dat Intro degene was die instructies en aanwijzingen gaf aan de veiligheidspersonen met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden rondom het tramspoor. De voorman van BAM had ter plaatse weliswaar een coördinerende rol, maar hij bemoeide zich niet met de inhoud van de werkzaamheden van het personeel van Intro. Ook bij de startbespreking voorgaand aan de eerste werkdag zijn er door de uitvoerder van BAM geen specifieke werkinstructies aan de veiligheidspersonen gegeven. Hij heeft enkel de locatie aangewezen waar de werkzaamheden moesten worden uitgevoerd.

5.16.

Intro meent dat de schade volledig gedragen moet worden door BAM. Volgens Intro heeft zij enkel twee gekwalificeerde veiligheidspersonen aan BAM ter beschikking gesteld. Intro betwist dat zij haar werknemers instructies gaf over de uit te voeren werkzaamheden. De leiding en coördinatie ter plaatse lagen bij BAM. De namens BAM aanwezige voorman hield toezicht op de werkzaamheden en de in acht te nemen veiligheidsmaatregelen. Het was dus bij uitstek BAM die ervoor kon zorgen dat de werkzaamheden op een correcte en veilige wijze werden verricht. Intro was niet op de werklocatie aanwezig en heeft op geen enkele wijze invloed kunnen uitoefenen op de werkomstandigheden. Zij heeft dan ook geen mogelijkheid gehad om [naam 2] te behoeden voor het maken van de inschattingsfout die leidde tot het ontsporen van de tram.

5.17.

De rechtbank komt bij een afweging van de aan ieder van partijen toe te rekenen omstandigheden die tot de schade hebben bijgedragen, tot het oordeel dat in hun onderlinge verhouding het grootste deel van de schade voor rekening dient te komen van Intro. De rechtbank overweegt hiertoe dat BAM personeel inleende van Intro juist vanwege de kennis en kunde die Intro in huis heeft op het gebied van veiligheid. Intro leverde voor specifieke veiligheidswerkzaamheden gekwalificeerde veiligheidswerknemers aan BAM, die hun werkzaamheden vervolgens zelfstandig uitoefenden. [naam 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling weliswaar verklaard dat de hoofduitvoerder van BAM voorafgaand aan de werkzaamheden op de eerste dag (algemene) instructies heeft gegeven over veiligheid, de locatie van het werkvak en de verschillende taken van de werknemers, maar niet gebleken is dat er specifieke instructies zijn gegeven aan de veiligheidspersonen met betrekking tot de uitoefening van hun werkzaamheden. Ook gedurende het uitvoeren van de werkzaamheden werden de veiligheidspersonen niet nader door (de voorman van) BAM geïnstrueerd (zie hiervoor onder 5.2).

5.18.

Voorgaande neemt niet weg dat BAM de hoofduitvoerder was en dat het haar keuze was om personeel van Intro in te lenen voor de uitvoering van feitelijke werkzaamheden. Bovendien had (de voorman van) BAM ter plaatse een coördinerende rol, terwijl Intro geen invloed had op de werkomstandigheden op locatie. Dit brengt met zich dat BAM c.s. (ook) een deel van de schade moet dragen.

5.19.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat in hun onderlinge verhouding BAM voor 1/3 deel en Intro voor 2/3 deel draagplichtig is voor de schade die HTM ten gevolge van het op 24 augustus 2020 plaatsgevonden ongeval heeft geleden. Nu BAM c.s. reeds alle schade aan HTM heeft vergoed kan zij op grond van artikel 6:10 BW regres nemen op Intro voor 2/3 deel van het door haar betaalde schadebedrag.

5.20.

Voor zover BAM c.s. – onder verwijzing naar artikel 13 lid 3 sub a van de algemene inkoopvoorwaarden – stelt dat Intro de volledige schade dient te vergoeden omdat er sprake is van een onrechtmatige daad, gaat de rechtbank hieraan voorbij. De rechtbank overweegt hiertoe dat het aangehaalde artikel ziet op de situatie waarin Intro als contractspartij een onrechtmatige daad begaat. Daarvan is in dit geval geen sprake, nu het gaat om een onrechtmatige daad van de ondergeschikte van Intro waarvoor Intro op grond van artikel 6:170 BW (risico)aansprakelijk is.

Buitengerechtelijke incassokosten

5.21.

BAM c.s. vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De rechtbank oordeelt dat BAM c.s. – in het licht van de gemotiveerde betwisting van Intro – onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht die op grond van artikel 6:96 BW voor vergoeding in aanmerking komen. De vordering zal daarom worden afgewezen.

Conclusie

5.22.

De rechtbank is van oordeel dat Intro mede aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het schadevoorval op 24 augustus 2020 en dat zij gehouden is BAM c.s. te vrijwaren ter zake twee derde van de door BAM c.s. aan HTM vergoede schade. Partijen zijn het erover eens dat de schade (inclusief schadevaststellingskosten) € 151.199,40 bedraagt. De rechtbank zal Intro veroordelen tot betaling aan BAM c.s. van (2/3 x € 151.199,40 =) € 100.799,60. Tegen de gevorderde wettelijke rente en de door BAM c.s. daarbij gehanteerde ingangsdatum van 2 november 2022 is geen (gemotiveerd) verweer gevoerd, zodat deze schadepost eveneens toewijsbaar is. Nu de rechtbank Intro veroordeelt tot betaling van (haar aandeel in) de schade bestaat bij de gevraagde verklaringen voor recht geen belang.

De vorderingen van BAM op [partij D] (hoofdzaak)

5.23.

BAM c.s. stelt dat [partij D] ook aansprakelijk is voor de door HTM geleden schade. BAM c.s. heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [partij D] niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen (artikel 7:401 BW). Daarnaast heeft BAM c.s. de aansprakelijkheid van [partij D] gebaseerd op artikel 6:170 BW.

5.24.

Ter onderbouwing voert BAM c.s. aan dat de werknemer van [partij D] de graafbak op een onveilige plek heeft neergezet, als gevolg waarvan de tram tegen de bak is aangereden en ontspoord. Als goed opdrachtnemer diende [partij D] ervoor te zorgen dat – in ieder geval op het moment dat de tram er aan kwam – de graafbak op een dusdanige afstand van het spoor stond dat de tram veilig kon passeren. Dit heeft [partij D] niet gedaan. Door de bak te dicht op het spoor te zetten heeft de werknemer van [partij D] bovendien een toerekenbare onrechtmatige daad jegens HTM gepleegd, zodat [partij D] (eveneens) op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor de hieruit voortvloeiende schade.

5.25.

[partij D] betwist dat haar een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot het ontsporen van de tram. Volgens [partij D] mocht de graafbak tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden overal staan, dus ook op of nabij het spoor. In zoverre kan [partij D] niets worden verweten. Op het moment dat de veiligheidspersoon aangaf dat er een tram aankwam, moest de bak op een veilige afstand van het spoor worden gezet. In dit geval had de werknemer van [partij D] echter geen tijd om de bak te verplaatsen, omdat de veiligheidspersoon van Intro het spoor vrijgaf zonder eerst met de overige werknemers te communiceren. Het ontsporen van de tram is volgens [partij D] dan ook (enkel) te wijten aan de fout van de veiligheidspersoon van Intro. Dit brengt met zich dat [partij D] niet aansprakelijk is voor de hieruit voortvloeiende schade en dat de vorderingen jegens haar moeten worden afgewezen.

5.26.

De rechtbank overweegt dat tijdens de mondelinge behandelingen is gebleken dat partijen het er (alsnog) over eens zijn dat de graafbak tijdens de uitvoering van de werkzaamheden overal mocht staan en dat hierover geen nadere afspraken waren gemaakt. Pas op het moment dat de veiligheidspersoon aangaf dat er een tram naderde, moest de graafbak op een zodanige afstand van het spoor worden geplaatst dat de tram veilig kon passeren. Eveneens is gebleken dat het de verantwoordelijkheid was van de veiligheidsmedewerkers om – voordat het spoor werd vrijgegeven – ervoor te zorgen dat het spoor daadwerkelijk vrij was. Het was dus ook hun verantwoordelijkheid om te controleren en zo nodig ervoor te zorgen dat de graafbak dusdanig gepositioneerd was dat de tram veilig kon langsrijden. Voorgaande brengt met zich dat onvoldoende is onderbouwd waarom [partij D] een verwijt zou kunnen worden gemaakt met betrekking tot het ontsporen van de tram en dat zij niet aansprakelijk is voor de hieruit voortvloeiende schade. De vorderingen van BAM c.s. jegens [partij D] zullen daarom worden afgewezen.

Proceskosten in de hoofdzaak

5.27.

Intro is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van BAM c.s. betalen. De proceskosten van BAM c.s. worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

132,42

- griffierecht

€

5.737,00

- salaris advocaat

€

5.127,50

(2,5 punten × € 2.051,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

11.185,92

5.28.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.29.

De vorderingen van BAM c.s. jegens [partij D] worden afgewezen. Nu BAM c.s. in het ongelijk is gesteld moet zij de proceskosten (inclusief nakosten) van [partij D] betalen. De proceskosten van [partij D] worden begroot op:

- griffierecht

€

5.737,00

- salaris advocaat

€

5.127,50

(2,5 punten × € 2.051,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

11.053,50

De vorderingen van [partij D] op Intro (vrijwaringszaak C/09/662230)

5.30.

Nu de vorderingen in de hoofdzaak jegens [partij D] worden afgewezen, heeft [partij D] geen belang bij toewijzing van haar vrijwaringsvorderingen jegens Intro. Dit brengt met zich dat de vorderingen worden afgewezen.

5.31.

[partij D] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Intro worden begroot op:

- salaris advocaat

€

2.051,00

(1 punt × € 2.051,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.240,00

De vorderingen van Intro op [partij D] (vrijwaringszaak C/09/678535)

5.32.

Intro vordert dat [partij D] wordt veroordeeld om Intro te vrijwaren voor haar veroordelingen in de hoofdzaak. Zij voert hiertoe aan dat – hoewel de veiligheidspersoon van Intro een inschattingsfout heeft gemaakt – het ontsporen van de tram met name is te wijten aan het handelen van de medewerker van [partij D] . Deze heeft volgens Intro gevaarzettend gehandeld door de graafbak te dicht op het spoor te plaatsen, met als gevolg dat de tram hier tegenaan is gebotst.

5.33.

De rechtbank overweegt dat in de hoofdzaak is geoordeeld dat [partij D] niets valt te verwijten met betrekking tot het ontsporen van de tram en dat zij niet aansprakelijk is voor de door HTM geleden schade. Intro heeft geen andere gronden aangevoerd op grond waarvan [partij D] gehouden is om Intro te vrijwaren voor hetgeen waartoe zij in de hoofdzaak is veroordeeld. De vorderingen van Intro jegens [partij D] worden afgewezen.

5.34.

Intro is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij D] worden begroot op:

- salaris advocaat

€

2.051,00

(1 punt × € 2.051,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.240,00

6 De beslissing

De rechtbank

In de hoofdzaak met zaaknummer C/09/656220 / HA ZA 23-986

Ten aanzien van Intro:

6.1.

veroordeelt Intro tot betaling aan BAM c.s. van € 100.799,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 november 2022 tot aan de dag van volledige betaling;

6.2.

veroordeelt Intro de proceskosten van BAM c.s. van € 11.185,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Intro niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

6.3.

veroordeelt Intro tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

Ten aanzien van [partij D]

6.5.

wijst het gevorderde af;

6.6.

veroordeelt BAM c.s. in de proceskosten van [partij D] van € 11.053,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als BAM c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

In de vrijwaringszaak met zaaknummer C/09/662230 / HA ZA 24-215

6.7.

wijst het gevorderde af;

6.8.

veroordeelt [partij D] in de proceskosten van Intro van € 2.240,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij D] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

In de vrijwaringszaak met zaaknummer C/09/678535/ HA ZA 25-66

6.9.

wijst het gevorderde af;

6.10.

veroordeelt Intro in de proceskosten [partij D] van € 2.240,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Intro niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

In de hoofdzaak en de vrijwaringszaken

6.11.

verklaart dit vonnis onder 6.1, 6.2, 6.3, 6.6, 6.8 en 6.10 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.

3474

HR18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:957. Vgl. onder meer HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1345.