Civiel recht overig
Rijkswet op het Nederlanderschap. In Koninklijk Besluit is het Nederlanderschap onthouden aan minderjarige…
Rechtbank Den Haag, 6 maart 2014
ECLI:NL:RBDHA:2014:2826 · Rechtbank Den Haag · 6 maart 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2014-2826
Zaakgegevens
Op 6 maart 2014 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 6 maart 2014
- Datum publicatie
- 6 maart 2014
- Zaaknummer
- C-09-441362 - HA RK 13-207
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2014:2826
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Rijkswet op het Nederlanderschap. In Koninklijk Besluit is het Nederlanderschap onthouden aan minderjarige kinderen. Beroep op artikel 5 EVN en op de artikelen 8 en 14 EVRM slaagt niet.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]beschikking
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/441362 / HA RK 13-207
Beschikking van 6 maart 2014
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
advocaat mr. N. van Bremen te Rotterdam,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN
(Ministerie van Veiligheid en Justitie,
Immigratie- en Naturalisatiedienst),
zetelende te Den Haag,
belanghebbende,
verder te noemen ‘de IND’
vertegenwoordigd door mr. C.M. Meijer.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het op 19 april 2013 ingekomen verzoekschrift,
-
de brieven van mr. Van Bremen van 10 en 25 september 2013,
-
de brieven van de IND van 4 juli 2013 en 26 november 2013,
-
de brief van de officier van justitie van 9 december 2013.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 januari 2014. Verzoeker is verschenen, vergezeld van zijn ouders en van mr. Van Bremen. Namens de IND is
mr. Meijer verschenen. De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven geen prijs te stellen op een mondelinge behandeling van de zaak ter zitting.
2 Het verzoek
Verzoeker verzoekt de rechtbank vast te stellen dat hij sinds 1 september 1997 de Nederlandse nationaliteit bezit. Hij voert daartoe aan dat aan zijn vader bij Koninklijk Besluit van 1 september 1997 het Nederlanderschap is verleend. Bij dat besluit is bepaald dat het Nederlanderschap is onthouden aan de minderjarige kinderen aan wie geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen en Aruba is toegestaan. Aangezien verzoeker op 1 september 1997 in Kaapverdië verbleef is aan hem het Nederlanderschap onthouden. Verzoeker stelt dat deze onthouding van het
Nederlanderschap in strijd is met artikel 5 van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (verder te noemen ‘EVN’) en dat er sprake is van schending van de artikelen 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder te noemen ‘EVRM’).
3 Het standpunt van de IND en van de officier van justitie
De IND is van mening dat verzoeker niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en dat het verzoek moet worden afgewezen. Primair stelt de IND dat het EVN voor Nederland op 1 juli 2001 in werking is getreden en daarom niet van toepassing is op de naturalisatie van de vader van verzoeker in 1997. Subsidiair stelt de IND zich op het standpunt dat de omstandigheid dat minderjarige kinderen niet per definitie delen in de naturalisatie van hun ouder(s), niet in strijd is met het beginsel van non-discriminatie van onderdanen, zoals bedoeld in artikel 5 EVN. Voorts kan noch aan artikel 8 EVRM, noch aan enige andere bepaling van het EVRM het recht worden ontleend op de verkrijging van een bepaalde nationaliteit.
De officier van justitie heeft schriftelijk bericht zich aan te sluiten bij het advies van de IND.
4 De beoordeling
Verzoeker is op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] (Kaapverdië) geboren als zoon van [A] en [B]. Bij Koninklijk Besluit van 1 september 1997 is aan de vader van verzoeker de Nederlandse nationaliteit verleend met de bepaling dat het Nederlanderschap is onthouden aan de minderjarige kinderen aan wie geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen en Aruba, is toegestaan. Aangezien verzoeker op 1 september 1997 in Kaapverdië verbleef en aan hem op dat moment geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland of de Nederlandse Antillen was toegestaan, deelde hij niet mee in de door zijn vader verkregen Nederlandse nationaliteit.
Verzoeker doet een beroep op artikel 5 EVN. Ten tijde van de naturalisatie van de vader van verzoeker op 1 september 1997 was het EVN echter nog niet in werking getreden. Het EVN is gesloten te Straatsburg op 7 november 1997 en voor Nederland pas in werking getreden op 1 juli 2001. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de in het Koninklijk Besluit van 1 september 1997 opgenomen clausule met betrekking tot het onthouden van de Nederlandse nationaliteit aan minderjarige kinderen niet in strijd is met het beginsel van non-discriminatie van onderdanen. Voor medenaturalisatie van kinderen bevat het EVN een aparte bepaling in artikel 6 lid 4 aanhef en onder c. Dat artikel bepaalt dat elke Staat die partij is, in zijn nationale wetgeving de verkrijging van zijn nationaliteit vergemakkelijkt voor kinderen waarvan een van de ouders zijn nationaliteit verkrijgt of heeft verkregen. Artikel 11 van de Rijkswet op het Nederlanderschap voldoet aan die bepaling van het EVN.
Voorts faalt het beroep van verzoeker op de artikelen 8 en 14 EVRM. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 mei 2012 (LJN:BV9435), dat aan geen enkele bepaling van het EVRM een recht op een bepaalde nationaliteit kan worden ontleend. Het beroep van verzoeker op het EVRM kan er derhalve niet toe leiden dat vastgesteld kan worden dat verzoeker, ondanks voormelde clausule in het Koninklijk Besluit van 1 september 1997, toch in het bezit zou zijn gekomen van de Nederlandse nationaliteit.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker dient te worden afgewezen.
5 De beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.P. van Ham, mr. N.B. Verkleij en mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2014.