Civiel recht overig
Kort geding. Mondelinge uitspraak op grond van 30p Rv. Vordering tot onmiddellijke invrijheidsstelling…
Rechtbank Den Haag, 4 april 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:3299 · Rechtbank Den Haag · 4 april 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbdha-2022-3299
Zaakgegevens
Op 4 april 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 4 april 2022
- Datum publicatie
- 11 april 2022
- Zaaknummer
- C-09-626396-KG ZA 22-237
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2022:3299
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. Mondelinge uitspraak op grond van 30p Rv. Vordering tot onmiddellijke invrijheidsstelling afgewezen. Er is geen wettelijke grondslag voor verrekening van de teveel in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd met de in een andere strafzaak opgelegde vrijheidsstraf.
Uitspraak
Rechtbank den haag
Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/626396 / KG ZA 22/237
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 4 april 2022
in de zaak van
[eiser] te [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. J. Ruijs te Amsterdam,
tegen:
de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. T.J. Crom te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.
Aanwezig is mr. H.J. Vetter, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. H.A. van Dijk-Verheij, griffier.
Tevens zijn aanwezig eiser, vergezeld van mr. Ruijs, en mr. Crom.
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.
1 De gronden van de beslissing
De rechtbank Limburg heeft eiser bij vonnis van 20 september 2019 voor twee feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Eiser heeft in deze strafzaak 3 dagen in verzekering en 14 dagen in bewaring doorgebracht, waarna zijn voorlopige hechtenis is geschorst onder voorwaarden. Omdat eiser de schorsingsvoorwaarden niet heeft nageleefd, is hij opnieuw in hechtenis genomen, ditmaal voor de duur van 46 dagen. Bij arrest van 31 maart 2021 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch eiser vrijgesproken voor een feit en hem voor het andere feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen. Eiser zit momenteel in detentie als gevolg van een gevangenisstraf die aan hem is opgelegd in een andere strafzaak.
Eiser vordert in deze procedure dat hij onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld omdat de tijd van 46 dagen die hij te lang in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering moet worden gebracht op de straf die hij nu nog moet ondergaan. De Staat voert verweer tegen het gevorderde.
Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Eiser heeft op basis van rechterlijke oordelen enige tijd in voorlopige hechtenis gezeten. Het hof heeft een aanzienlijk lagere straf aan eiser opgelegd dan de rechtbank, waarna de tijd die eiser in vervangende hechtenis heeft doorgebracht in mindering is gebracht op de opgelegde vrijheidsstraf, zoals bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. In dit geval is na die verrekening een “overschot” overgebleven, maar de Staat heeft de plicht om beslissingen van de strafrechter ten uitvoer te leggen. De Staat heeft niet de bevoegdheid om het overschot eigenhandig te verrekenen met een in een andere zaak opgelegde vrijheidsstraf – zoals eiser vordert – en ook de civiele rechter heeft die bevoegdheid niet. Die bevoegdheid is exclusief voorbehouden aan de strafrechter en bestaat bovendien slechts als er een wettelijke grondslag is om tot verrekening over te gaan. Een dergelijke wettelijke grondslag is er in deze zaak niet en het beroep van eiser op de redelijkheid en billijkheid kan hem binnen het strafrechtsysteem niet baten. Eiser heeft nog verwezen naar toekomstige wetgeving, maar dat is geen geldend recht en er bestaat geen aanleiding daarop vooruit te lopen.
2 De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het gevorderde af;
veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.692,--, waarvan € 1016,-- aan salaris advocaat en € 676,-- aan griffierecht;
verklaart dit deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
mr. H.A. van Dijk-Verheij mr. H.J. Vetter