Civiel recht overig

Kort geding. Provisionele vordering. Toewijzing van het gevorderde verbod om een hond te vervreemden tot aan…

Rechtbank Den Haag, 8 juli 2026

Zaakgegevens

Op 8 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
8 juli 2026
Datum publicatie
17 juli 2026
Zaaknummer
C?09?706866 / KG ZA 26-230
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:19778
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Provisionele vordering. Toewijzing van het gevorderde verbod om een hond te vervreemden tot aan de uitspraak in de kortgedingprocedure.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/706866 / KG ZA 26-630

Vonnis in kort geding naar aanleiding van de vordering op de voet van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van 8 juli 2026

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J. Biemond te Den Haag,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID/DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT DEN HAAG) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. T.J. Crom te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Door middel van een dagvaarding van 16 juni 2026 heeft [eiser] een kortgedingprocedure aanhangig gemaakt, waarin hij vordert de Staat te verbieden om de hond [naam] (hierna ‘ [naam] ’) te herplaatsen/vervreemden tot de inhoudelijke strafzaak tegen [eiser] .

1.2.

Op 19 juni 2026 heeft mr. Biemond een vordering ingediend op de voet van artikel 223 Rv, hierna ‘de provisionele vordering’. Deze provisionele vordering strekt ertoe te bepalen dat de Staat [naam] tot de datum van het vonnis in het kort geding niet mag vervreemden.

1.3.

De advocaat van de Staat heeft bij brief van 19 juni 2026 op de provisionele vordering gereageerd en geconcludeerd tot afwijzing daarvan.

1.4.

Bij brief van 3 juli 2026 is namens de voorzieningenrechter aan de advocaten van partijen meegedeeld dat de provisionele vordering tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding zal worden besproken.

1.5.

De mondelinge behandeling van het kort geding is gehouden op 7 juli 2026. Tijdens de mondelinge behandeling is de datum voor het wijzen van het vonnis in het kort geding bepaald op 16 juli 2026.

2 De beoordeling van de provisionele vordering

2.1.

Beoordeeld moet worden of er aanleiding bestaat om – voor de duur van de kortgedingprocedure – een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat het de Staat wordt verboden om [naam] te vervreemden. De voorzieningenrechter oordeelt dat dat zo is. Dit oordeel wordt als volgt gemotiveerd.

2.2.

Op basis van de processtukken en het verhandelde ter zitting concludeert de voorzieningenrechter dat de kans reëel is dat zij tot het oordeel zal komen dat de officier van justitie onder de gestelde omstandigheden niet in redelijkheid het besluit heeft kunnen nemen om [naam] te vervreemden. De voorzieningenrechter wijst daartoe onder meer op de omstandigheid dat [naam] niet een hond met gedragsproblemen is, maar een hond met gezondheidsproblemen, waarmee [eiser] nog minder dan een week voor de inbeslagname naar de dierenarts is geweest en waarvan drie maanden na de inbeslagname de definitieve diagnose nog niet is gesteld. Gelet op deze reële kans zal de voorzieningenrechter de provisionele vordering van [eiser] toewijzen en de Staat verbieden om [naam] in de periode tot aan de datum van het vonnis, 16 juli 2026, te vervreemden. Ten overvloede merkt zij op dat dit de beoordeling van de provisionele vordering betreft en nog geen oordeel is over de in dit kort geding ingestelde vordering, waarover nog geen besluit is genomen.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1.

verbiedt de Staat om de hond [naam] in de periode tot aan het vonnis in het kort geding op 16 juli 2026 te vervreemden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

mvt