Civiel recht overig

Kort geding. Is er sprake van een recht van overpad? Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij…

Rechtbank Den Haag, 9 juni 2026

Zaakgegevens

Op 9 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
9 juni 2026
Datum publicatie
6 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/703356 / KG ZA 26-388
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. T.H Kuiper, mr. J.B. Roelofs
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21981
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Is er sprake van een recht van overpad? Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft om gebruik te maken van het volledige pad van gedaagden. Afwijzing vordering.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/703356/ KG ZA 26-388

Vonnis in kort geding van 9 juni 2026

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat: mr. T.H. Kuiper,

tegen:

1 [gedaagde 1] te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2] te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.B. Roelofs.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagden] c.s.’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 mei 2026, met producties 1 tot en met 28;

- de door [gedaagden] c.s. overgelegde conclusie van antwoord, met één productie;

- de op 26 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [eiser] pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de zitting besproken is, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] woont met zijn echtgenote aan de [adres 1] (voorheen Wateringen) en [gedaagden] c.s. aan de [adres 2] .

2.2.

[eiser] is eigenaar van het perceel kadastraal bekend als [perceel 1] (hierna: perceel [perceel 1] ). Perceel [perceel 1] is bij notariële akte van 30 augustus 1978 aan [eiser] geleverd. De notariële akte van levering (hierna: de leveringsakte) vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Ten deze wordt voor erfdienstbaarheden speciaal verwezen naar een akte van transport, op vijftien juni negentienhonderd negen en veertig (…) waarin onder meer woordelijk voorkomt:

“Ten deze wordt speciaal verwezen naar gemelde titel van aankomst, waarin het ten deze verkochte wordt aangeduid als “koop I” en waarin onder meer het volgende voorkomt:

““Ten deze wordt nog verwezen naar:

Eene acte van transport twee en twintig April negentienhonderd twee voor mij, notaris, verleden, bij afschrift overgeschreven ten hypotheekkantore te ’s-Gravenhage, vijf en twintig April daarna in deel 1122 nummer 4, waarbij is bepaald:

dat het tegenwoordige kadastrale perceel gemeente Wateringen, [perceel 2] , eigendom van den Heer (…) [naam] , is belast met eene erfdienstbaarheid van weg van en naar den openbaren weg over de brug, liggende over de Wateringsche vaart, zulks ten behoeve van koop I en dat de kadastrale percelen gemeente Wateringen [perceel 3] en [perceel 2] eigendom van voornoemden Heer [naam] , recht van vrije in- door- en uitvaart hebben in de sloot aan de Oostzijde van koop I gelegen, terwijl koop I gelijke erfdienstbaarheid van in- door- en uitvaart heeft door de sloot aan de Oostzijde van gemeld nummer [perceel 2] gelegen.””

2.3.

[gedaagden] c.s. hebben sinds 2022 in eigendom het perceel kadastraal bekend als [perceel 4] (hierna: perceel [perceel 4] ). Ook hebben zij in eigendom het aan hun perceel aangrenzende perceel, kadastraal bekend als [perceel 5] (hierna: perceel [perceel 5] ).

2.4.

Perceel [perceel 4] grenst aan de noordoostelijke zijde aan de openbare weg aan het Oosteinde. Op het terrein van [gedaagden] c.s. (de percelen [perceel 5] en [perceel 4] ) bevindt zich een pad vanaf het Oosteinde in zuidelijke richting naar het perceel kadastraal bekend [perceel 6] dat ten noordwesten van perceel [perceel 1] gelegen is (hierna: het pad). Een hek dat door [gedaagden] c.s. met een slot is afgesloten staat op (de grens tussen perceel [perceel 6] respectievelijk [perceel 1] en) perceel [perceel 5] . Dit afgesloten hek belemmert de vrije doorgang van perceel [perceel 1] (via perceel [perceel 6] ) naar perceel [perceel 5] en perceel [perceel 4] .

Afbeelding verwijderd vanwege privacyredenen

2.5.

Bij e-mailbericht van 17 augustus 2022 heeft de Dienst voor het kadaster en de openbare registers (hierna: het Kadaster) aan [eiser] het volgende medegedeeld:

“(…) Bij akte deel 1122 nr. 4 is o.a. gevestigd een erfdienstbaarheid ten behoeve van het oude perceel Wateringen [perceel 7] en maakt thans o.a. deel uit van de percelen Den Haag [perceel 6] , [perceel 1] , [perceel 8] en [perceel 9] .”

2.6.

Bij brief van 5 september 2022 heeft (de toenmalige gemachtigde van) [eiser] [gedaagden] c.s. aangeschreven en zich op het standpunt gesteld dat [eiser] een recht van overpad heeft op basis van een ten laste van het perceel van [gedaagden] c.s. gevestigde erfdienstbaarheid. [gedaagden] c.s. zijn daarbij verzocht om ongehinderde doorgang te geven over hun terrein zodat [eiser] vanaf zijn perceel het Oosteinde kan bereiken. [gedaagden] c.s. hebben hier geen gevolg aan gegeven.

2.7.

In 2024 heeft het Kadaster in opdracht van [eiser] een onderzoek naar erfdienstbaarheden verricht met betrekking tot perceel [perceel 5] (hierna: erfdienstbaarhedenonderzoek perceel [perceel 5] ). In de resultaten van dat onderzoek van 7 augustus 2024 is onder meer het volgende vermeld:[afbeelding niet beschikbaar]

[afbeelding niet beschikbaar]

2.8.

Op 5 november 2024 heeft de (toenmalige) advocaat van [eiser] [gedaagden] c.s. een brief gestuurd en daarbij gewezen op de resultaten van het onderzoek van het Kadaster. [gedaagden] c.s. zijn opnieuw verzocht om – kort gezegd – de doorgang over hun terrein naar het Oosteinde niet (langer) te belemmeren.

2.9.

Bij e-mailbericht van 3 december 2024 heeft de advocaat van [gedaagden] c.s. als volgt gereageerd:

“Uw brief heb ik overgelegd aan cliënten. Uit deze nieuwe stukken blijkt inderdaad dat er een recht van erfdienstbaarheid is. Ik heb cliënten hierover geïnformeerd.”

2.10.

Bij brief van 30 januari 2025 heeft de advocaat van [gedaagden] c.s. aan de (toenmalige) advocaat van [eiser] nog het volgende geschreven:

“Zoals u kunt zien ontsluit perceel ( [perceel 5] ) niet meer op de Oosteinde en daarmee is de erfdienstbaarheid – voor zover die er zou zijn – een wassen neus. Naar alle waarschijnlijkheid was de erfdienstbaarheid in een ver grijs verleden bedoeld als enige ontsluiting voor de percelen [perceel 1] , [perceel 8] en [perceel 9] om te komen van - en naar de openbare weg Oosteinde te Wateringen. Het is mijns inziens een slecht gedocumenteerde erfdienstbaarheid die nog dateert uit de tijd dat Wateringsche vaart er liep.

In de huidige situatie is deze ontsluiting niet meer nodig omdat de Laan van Scheltema aan de zuidzijde ontsluit aan de Boksbergenlaan. Uw cliënten kunnen dus via de Boksbergenlaan bij de achterzijde van hun woning komen. Bovendien hebben uw cliënten aan de voorzijde (oostzijde) van hun woning ook een ontsluiting naar de openbare weg toe. Wederom via de Boksbergenlaan. (…) Het perceel van uw cliënten is gewoon goed bereikbaar. Cliënten zien dus niet in welk belang uw cliënten hebben om toegang te krijgen tot perceel [perceel 5] .”

2.11.

In de periode daarna hebben de (voormalige) advocaten van partijen over en weer gecorrespondeerd. Dat heeft niet tot een minnelijke oplossing tussen partijen geleid.

2.12.

In maart 2026 heeft het Kadaster in opdracht van [eiser] onderzoek gedaan naar erfdienstbaarheden met betrekking tot perceel [perceel 4] (hierna: erfdienstbaarhedenonderzoek perceel [perceel 4] ). In de resultaten van dat onderzoek van 11 maart 2026 staat, voor zover hier van belang, het volgende:

[afbeelding niet beschikbaar]

Afbeelding verwijderd vanwege privacyredenen

2.13.

Nadien heeft de advocaat van [eiser] aan het Kadaster het volgende gemaild:

“Namens de heer [eiser] , eigenaar van het perceel [perceel 1] , verzoek ik u om een nadere toelichting op het uitgevoerde erfdienstbaarhedenonderzoek.

Cliënt heeft uit een eerder onderzoek afgeleid dat ten behoeve van zijn perceel een recht van erfdienstbaarheid bestaat op het naastgelegen perceel [perceel 5] . Het doel van het aanvullende onderzoek is om vast te stellen of dit recht van overpad zich uitstrekt tot aan de openbare weg, te weten Het Oosteinde.

Voorts blijkt dat het perceel [perceel 10] is overgegaan in het huidige perceel [perceel 11] . Om die reden verzoeken wij u specifiek te bevestigen of op perceel [perceel 11] een recht van overpad rust ten behoeve van perceel [perceel 1] .”

2.14.

Op 17 maart 2026 is daar als volgt op gereageerd:

“Ten eerste merk ik op dat [perceel 11] geen huidig perceel meer is. Samen met [perceel 12] en een klein gedeelte van [perceel 13] is dit opgegaan in huidig perceel [perceel 4] . En in plaats van [perceel 10] doelt u waarschijnlijk op [perceel 14] , dat onderdeel is geworden van perceel [perceel 11] (en thans dus [perceel 4] ). Van belang is mogelijk ook dat de percelen [perceel 5] en [perceel 4] momenteel in één hand zijn, echter is dat pas het geval sinds juni 2022 (als gevolg van de levering in de akte die in beide getuigschriften bovenaan is vermeld).

In het getuigschrift van perceel [perceel 5] zijn twee erfdienstbaarheden opgegeven, beide met betrekking tot een recht van voetpad/overpad naar het Oosteinde. Ongeacht wat partijen hebben beoogd, kan worden vastgesteld dat de gerechtigde tot alles dat onder huidig perceel [perceel 4] valt, hierin niet optreedt, dan wel medewerking verleent. Beide akten keren dan ook niet terug in het getuigschrift van perceel [perceel 4] .

In het getuigschrift van perceel [perceel 4] ziet akte 15589/11 toe op een openbare weg ten westen van o.a. [perceel 6] en [perceel 1] . Akte 15283/48 heeft geen relatie met perceel [perceel 6] / [perceel 1] . Akte 14754/17 betreft een vervallenverklaring van 4138/90. Dan resteren er nog twee akten uit het tijdperk van de handgeschreven akten, waarbij 1122/4 kan worden gezien als een aanvulling op akte 976/21. Hierbij verwijs ik naar de constatering m.b.t. de heersende erven, zoals deze in het getuigschrift is opgenomen. Huidig perceel [perceel 1] komt voor een groot deel voort uit Wateringen [perceel 7] (naderhand [perceel 15] ).”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – verkort en zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [gedaagden] c.s. te bevelen om [eiser] en de zijnen met onmiddellijke ingang onbelemmerde uitoefening te verschaffen van het recht van overpad, inhoudende het te voet of met een rijwiel aan de hand over het perceel van [gedaagden] c.s. komen en gaan van en naar de openbare weg aan het Oosteinde;

  2. [gedaagden] c.s. te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500 per dagdeel dat zij niet aan het onder A genoemde bevel voldoen, met een maximum van € 50.000; en

  3. [gedaagden] c.s. te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De percelen van [gedaagden] c.s. zijn belast met een erfdienstbaarheid in de vorm van een recht van overpad. Dat recht van overpad houdt in dat [eiser] over de percelen van [gedaagden] c.s. mag gaan om bij de openbare weg aan het Oosteinde te komen (en terug). [eiser] maakt al sinds 1978 gebruik van dit recht, maar hij heeft sinds 2022 geen onbelemmerde toegang meer tot het perceel van [gedaagden] c.s., omdat er een hek staat met daarop een slot waarvan hij de sleutel niet heeft. Daarmee wordt een inbreuk gemaakt op het recht van overpad van [eiser] . [eiser] heeft er belang bij dat hij zo snel mogelijk weer en zonder belemmeringen gebruik kan maken van dit recht.

3.3.

[gedaagden] c.s. voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Aan de vordering van [eiser] ligt ten grondslag dat [gedaagden] c.s. een inbreuk maken op een aan hem toekomend recht van overpad. Anders dan [gedaagden] c.s. menen, levert een inbreuk op het gestelde recht van overpad naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor [eiser] reeds een voldoende spoedeisend belang op om te kunnen worden ontvangen in zijn vordering. Het lange tijdsverloop van het geschil voorafgaand aan dit kort geding maakt dit niet anders.

4.2.

In deze zaak gaat het kort gezegd om de vraag of [gedaagden] c.s. zijn gehouden om [eiser] in staat te stellen om over hun percelen [perceel 5] en [perceel 4] naar de openbare weg aan het Oosteinde te gaan en omgekeerd. Daarvoor moet worden beoordeeld of in dit kort geding aannemelijk is dat sprake is van een recht van overpad dat daartoe verplicht zoals [eiser] stelt.

4.3.

Het pad waar het in deze zaak om draait, loopt – bekeken vanaf het perceel van [eiser] – eerst voor een klein deel over perceel [perceel 5] , gaat vervolgens verder op perceel [perceel 4] (zie 2.12) om ten slotte op de openbare weg op het Oosteinde te ontsluiten. [gedaagden] c.s. zijn eigenaar van zowel perceel [perceel 5] als perceel [perceel 4] . [eiser] stelt zich op het standpunt dat uit de in zijn opdracht uitgevoerde erfdienstbaarhedenonderzoeken blijkt dat op beide percelen van [gedaagden] c.s. een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd, wat erop neerkomt dat hij van het gehele pad gebruik mag maken om van/naar de openbare weg aan het Oosteinde te komen/gaan. [gedaagden] c.s. betwisten dat. Volgens [gedaagden] c.s. valt de gestelde erfdienstbaarheid niet zonder meer af te leiden uit de erfdienstbaarhedenonderzoeken, onder meer omdat hun percelen in de afgelopen eeuw zijn gesplitst, samengevoegd en opnieuw zijn genummerd en daarbij in het verleden verschillende erfdienstbaarheden zijn gevestigd en opgeheven zodat vooralsnog onduidelijk is wat de huidige situatie is. De zaak is dan ook te complex en ongeschikt voor behandeling in kort geding, aldus [gedaagden] c.s.

4.4.

Ten aanzien van perceel [perceel 5] wordt als volgt overwogen. In het erfdienstbaarhedenonderzoek perceel [perceel 5] staat dat een van de historische akten vermeldt: ‘Bij deze wordt ten behoeve en ten laste van de bij deze akte overgedragen perceelsgedeelten over en weer als erfdienstbaarheid gevestigd het recht van voetpad waaronder begrepen het recht om met een rijwiel of bromfiets (mits met afgezette motor), aan de hand of met een kinderwagen te gaan van en naar de openbare weg, het Oosteinde te Wateringen.’. Ook staat in datzelfde bericht dat de verkochte delen (waarover in het citaat wordt gesproken) later zijn overgegaan in onder meer perceel [perceel 5] (van [gedaagden] c.s.) en perceel [perceel 1] , van [eiser] . Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is op basis hiervan voldoende aannemelijk dat op perceel [perceel 5] een erfdienstbaarheid rust in de vorm van een recht van overpad ten behoeve van perceel [perceel 1] .

4.5.

Ten aanzien van perceel [perceel 4] komt de voorzieningenrechter tot een ander oordeel. Uit het erfdienstbaarhedenonderzoek perceel [perceel 4] kan worden afgeleid dat dat perceel is ontstaan uit een samenvoeging van verschillende percelen en dat op die percelen sinds 1900 door de jaren heen diverse erfdienstbaarheden zijn gevestigd die deels zijn vervallen dan wel opgeheven. De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in zijn stelling dat uit het erfdienstbaarhedenonderzoek perceel [perceel 4] evident volgt dat sprake is van een erfdienstbaarheid van weg over het pad. [eiser] beroept zich op de volgende passage in de resultaten van het erfdienstbaarhedenonderzoek perceel [perceel 4] : ‘(…) Het thans verkocht wordende onbebouwde deel van no. [perceel 7] wordt bij deze belast met de erfdienstbaarheid van weg in noordwestelijken richting naar den openbare weg en terug ten nutte van het overige deel van Sectie [perceel 7] en de no's [perceel 16] , [perceel 17] en [perceel 18] .’. Volgens [eiser] volgt uit de toelichting die het Kadaster heeft gegeven dat het bij voornoemde akte verkochte deel van perceel [perceel 7] later volledig is opgegaan in perceel [perceel 4] (zie 2.12) en dat zijn perceel [perceel 1] (grotendeels) voortkomt uit het hiervoor als overige deel van 1102 aangeduide deel. De passage waar [eiser] zich op beroept is afkomstig uit een akte van 25 april 1902 in deel 1122 nummer 4 (hierna: de akte uit 1902), maar deze passage komt echter niet in zijn eigen notariële akte van levering voor.

4.6.

In de leveringsakte – waarbij perceel [perceel 1] aan [eiser] is geleverd) – wordt voor erfdienstbaarheden onder andere de akte uit 1902 aangehaald, maar daarin is een geheel andere tekst geciteerd dan de passage uit het erfdienstbaarhedenonderzoek perceel [perceel 4] waar [eiser] zijn stellingen op baseert. De tekst in de akte van [eiser] luidt: “(…) dat het tegenwoordige kadastrale perceel gemeente Wateringen, sectie [perceel 2] , eigendom van den Heer (…) [naam] , is belast met eene erfdienstbaarheid van weg van en naar den openbaren weg over de brug, liggende over de Wateringsche vaart, zulks ten behoeve van koop I en dat de kadastrale percelen gemeente Wateringen sectie [perceel 3] en [perceel 2] eigendom van voornoemden Heer [naam] , recht van vrije in- door- en uitvaart hebben in de sloot aan de Oostzijde van koop I gelegen, terwijl koop I gelijke erfdienstbaarheid van in- door- en uitvaart heeft door de sloot aan de Oostzijde van gemeld nummer [perceel 2] gelegen”. Hier wordt gesproken van een ten behoeve van koop I op perceel [perceel 2] (dat volgens [eiser] het hiervoor genoemde verkochte deel van perceel [perceel 7] betreft) rustende erfdienstbaarheid van weg van en naar de openbare weg over een brug die destijds lag over de Wateringsche vaart. De feitelijke situatie is nu anders; er is geen vaart of brug meer.

4.7.

[eiser] heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat de in de leveringsakte opgenomen tekst van de erfdienstbaarheid uit 1902 anders luidt dan de passage die het Kadaster heeft geciteerd in het erfdienstbaarhedenonderzoek perceel [perceel 4] dan wel hoe de tekst uit de akte uit 1902 zich verhoudt tot de erfdienstbaarheid vermeld in de leveringsakte. Er bestaan dan ook te veel discrepanties die vragen oproepen en welke vragen niet zijn weggenomen in deze procedure. De kortgedingprocedure leent zich bovendien niet voor een nader onderzoek. Bij deze stand van zaken is in dit kort geding onvoldoende aannemelijk geworden dat ook op perceel [perceel 4] een erfdienstbaarheid rust in de vorm van een recht van overpad ten behoeve van perceel [perceel 1] .

4.8.

Voor zover [eiser] stelt dat [gedaagden] c.s. hebben erkend dat sprake is van een erfdienstbaarheid, gaat de voorzieningenrechter hieraan voorbij. Weliswaar vermeldt de advocaat van [gedaagden] c.s. in een e-mailbericht van december 2024 dat uit de nieuwe stukken zou blijken dat er een recht van erfdienstbaarheid is, maar die stukken hebben enkel betrekking op (het onderzoek naar) perceel [perceel 5] en niet op perceel [perceel 4] . Ook los daarvan kan voornoemde mededeling niet zonder meer worden opgevat als een ondubbelzinnige erkenning van [gedaagden] c.s. van een recht van overpad van [eiser] met betrekking tot hun terrein.

4.9.

Het voorgaande betekent dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft om gebruik te maken van het volledige pad. Nu het pad overloopt in perceel [perceel 4] en niet kan worden gezegd dat het recht van overpad zich ook uitstrekt tot dat perceel, kan de vordering van [eiser] niet worden toegewezen. De vordering van [eiser] strekt er immers toe dat hij te voet of met een rijwiel aan de hand over het perceel van [gedaagden] c.s. van en naar de openbare weg aan het Oosteinde mag komen en gaan en dat is feitelijk niet mogelijk zonder over perceel [perceel 4] te gaan. [eiser] heeft ook geen zelfstandig belang bij gebruikmaking van de erfdienstbaarheid op uitsluitend perceel [perceel 5] . De gehele vordering van [eiser] wordt dan ook afgewezen.

4.10.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 341,00

- salaris advocaat € 1.177,00

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

Totaal € 1.707,00

4.11.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; en

5.4.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op

9 juni 2026.

yd