Civiel recht overig
Kort geding. De gevorderde verwijdering van de RG-status wordt afgewezen De selectiefunctionaris heeft met…
Rechtbank Den Haag, 12 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:29199 · Rechtbank Den Haag · 12 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbdha-2026-29199
Zaakgegevens
Op 12 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Datum publicatie
- 2 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/708169 / KG ZA 26-741
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:29199
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. De gevorderde verwijdering van de RG-status wordt afgewezen De selectiefunctionaris heeft met betrekking tot eiser in redelijkheid kunnen besluiten tot handhaving van de status van RG vanwege (vermoedens van) voortgezet crimineel handelen vanuit detentie. Voor ingrijpen door de voorzieningenrechter bestaat daarom geen aanleiding.
Uitspraak
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/708169 / KG ZA 26-741
Vonnis in kort geding van 12 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] , verblijvende in de Penitentiaire Inrichting [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. T.D.D. Loeffen te Sittard,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) te Den Haag,
gedaagde,
advocaten mr. M.N. Schouten en mr. L. Sieverink, beiden te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 juli 2026, met producties 1 tot en met 8;
- de aanvullende producties 9 tot en met 12 van de zijde van [eiser] ;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 14.
De mondelinge behandeling is gehouden op 29 juli 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van de Staat het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.
Tijdens de zitting is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.
2 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Bij arrest van 10 maart 2026 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar en zes maanden vanwege (onder meer en samengevat) een poging tot moord, een aantal opzettelijke brandstichtingen en vernielingen. [eiser] heeft beroep in cassatie ingesteld tegen dit arrest. Daarop heeft de Hoge Raad nog niet beslist.
[eiser] verblijft in de penitentiaire inrichting [plaats] (hierna ‘de PI’). Op 8 januari 2025 is hij besproken tijdens het Operationeel Overleg (hierna ‘OO’). Op grond van de destijds geldende ‘Circulaire Gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico’ (GVM-circulaire) heeft de selectiefunctionaris [eiser] , overeenkomstig het advies van het OO, op de (toenmalige) lijst van gedetineerden met een vlucht- of maatschappelijk risico (hierna ‘de GVM-lijst’) geplaatst. Die plaatsing was gebaseerd op de indicaties B ((vermoedens van) voortgezet crimineel handelen vanuit detentie) en E (Ondermijning van gezag van directie en personeel in de inrichting). Daarbij is aan [eiser] de GVM-status ‘verhoogd’ toegekend.
Op 9 januari 2025 heeft de directeur van de PI (hierna ‘de directeur’) [eiser] (schriftelijk) erover geïnformeerd dat [eiser] is geplaatst op de GVM-lijst in de categorie ‘verhoogd’. Daarbij is ter onderbouwing (samengevat) meegedeeld dat [eiser] zich bereid heeft getoond om zijn bedrijf, zijn DigiD, zijn bankgegevens en zijn identiteitsbewijs beschikbaar te stellen aan een ex-gedetineerde, dat hij veel contacten met ex-gedetineerden heeft, dat hij personeel en medegedetineerden manipuleert en dat hij daarmee het gezag van de directeur ondermijnt. Aan [eiser] zijn op dat moment ook diverse maatregelen opgelegd. Deze bestonden onder meer uit een beperking van zijn contacten met de buitenwereld via telefoon en post, een dagelijkse inspectie van zijn cel en het niet meer in aanmerking komen voor een aanstelling in speciale banen.
In een uitspraak van 12 mei 2025 heeft de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna ‘RSJ’) geoordeeld dat de directeur de noodzaak tot het opleggen van GVM-maatregelen onvoldoende heeft gemotiveerd. De beroepscommissie heeft het beklag van [eiser] tegen de opgelegde maatregelen daarom gegrond verklaard, de beslissing van de directeur vernietigd en de directeur opgedragen om binnen veertien dagen een nieuwe beslissing te nemen.
De directeur heeft op 19 mei 2025 de motivering voor de opgelegde maatregelen aangevuld. De beroepscommissie van de RSJ heeft in een uitspraak van 23 december 2025 het beroep van [eiser] tegen dit besluit gegrond verklaard en (opnieuw) geoordeeld dat het opleggen van de maatregelen aan [eiser] onvoldoende was gemotiveerd. Aan [eiser] is een tegemoetkoming van € 50 toegekend, omdat de maatregelen op 9 juli 2025 al waren afgelopen en dus niet meer ongedaan konden worden gemaakt.
Op 11 juli 2025 heeft de directeur (schriftelijk) aan [eiser] meegedeeld dat zijn plaatsing op de GVM-lijst is verlengd, opnieuw gebaseerd op de indicaties B en E. Daarbij is ter onderbouwing onder meer vermeld dat [eiser] gebruik heeft gemaakt van telefoonkaarten van medegedetineerden, dat hij telefonisch contact heeft gehad met een ex-gedetineerde die geen gescreend contact is, dat hij schrijft en spreekt in versluierde taal in brieven en gesprekken en dat hij een telefoon heeft gebruikt om contact te houden met de buitenwereld. Aan [eiser] zijn opnieuw maatregelen opgelegd.
Per 1 november 2025 is een nieuwe GVM-circulaire (hierna ‘de Circulaire’) in werking getreden. In de Circulaire is invulling gegeven aan het beleid van DJI ten aanzien van (hoog)risicogedetineerden. Doel is om de relevante veiligheidsrisico's in beeld te krijgen en te beheersen. In de Circulaire worden twee categorieën onderscheiden: risicogedetineerde (RG) en hoogrisicogedetineerde (HRG). Deze categorieën zijn in de plaats gekomen van de categorieën ‘verhoogd’, ‘hoog’ en ‘extreem’. Het gaat in beide gevallen om gedetineerden ten aanzien van wie sprake is van bijzondere veiligheidsrisico's die de lokale aanpak en zogeheten penitentiaire scherpte van een inrichting (kunnen) overstijgen. De selectiefunctionaris kan de status van risicogedetineerde toekennen na een advies van het Overleg Risicogedetineerden (ORG), dat per 1 november 2025 in de plaats is gekomen van het OO.
De directeur heeft op 15 januari 2026 (schriftelijk) aan [eiser] meegedeeld dat zijn plaatsing op de GVM-lijst wordt verlengd vanwege indicatie B en dat hij is geplaatst in de categorie ‘risicogedetineerde’. In de schriftelijke mededeling is onder meer vermeld:
In het bericht van de directeur is verder opgenomen dat maatregelen aan [eiser] worden opgelegd met als doel het voorkomen van handel in en gebruik van verdovende middelen en het voorkomen van ongecontroleerde contacten met personen die zich bezighouden met activiteiten die een risico vormen voor de orde, rust en veiligheid binnen de inrichting.
[eiser] heeft bij de RSJ een verzoek tot schorsing van de op 15 januari 2026 aan hem opgelegde maatregelen ingediend. Dit verzoek is op 30 januari 2026 door de RSJ afgewezen omdat de beslissing van de directeur om [eiser] te monitoren vanwege (het vermoeden van) voortgezet crimineel handelen in detentie volgens de RSJ voldoende is gemotiveerd en niet onredelijk of onbillijk is.
Op 16 januari 2026 heeft [eiser] een klaagschrift ingediend bij de beklagcommissie uit de commissie van toezicht bij de PI, waarin hij zich beklaagt over de GVM-status en de aan hem opgelegde maatregelen. In een uitspraak van 9 februari 2026 heeft de beklagcommissie [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag over de verlenging van de GVM-status en het beklag ongegrond verklaard voor zover het ziet op het opleggen van maatregelen.
Op 8 juli 2026, een dag voor het uitbrengen van de dagvaarding, is [eiser] opnieuw besproken in het ORG. Naar aanleiding daarvan heeft het ORG geadviseerd om [eiser] aan te merken als RG, onder toewijzing van de risicocategorieën B en E. In het advies is onder meer vermeld dat [eiser] recent is overgeplaatst naar een andere afdeling waar hij halve dagen arbeid heeft, dat dit goed lijkt te gaan, maar dat de periode te kort is om te kunnen beoordelen of de maatregelen kunnen worden afgeschaald. Daarom wil het ORG [eiser] na drie maanden opnieuw bespreken.
De directeur heeft [eiser] op 16 juli 2026 meegedeeld dat zijn status als RG is verlengd met drie maanden, omdat [eiser] zich nog steeds schuldig maakt aan voortgezet crimineel handelen vanuit detentie. \Daarbij is, naast de verwijzing naar de brief van juli 2025 en de negatieve screening van een ex-gedetineerde, toegelicht dat op 27 januari 2026 in een diepvrieszak van [eiser] twee spuiten en testosteron zijn aangetroffen, dat [eiser] op 18 februari 2026 disciplinair is gestraft vanwege een te laag kreatininegehalte bij een afgenomen urinecontrole en dat hij op 11 mei 2026 een disciplinaire straf heeft gekregen vanwege een positieve urinecontrole op anabolen.
Uit een rapport van het Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium van 23 juli 2026 blijkt dat de op 2 juli 2026 bij [eiser] afgenomen urine positief is getest op de aanwezigheid van anabole steroïden.
3 Het geschil
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de veroordeling van de Staat om [eiser] niet langer als (hoog)risicogedetineerde te kwalificeren, althans de RG-status van [eiser] te verwijderen, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Daartoe stelt [eiser] – samengevat – het volgende. [eiser] is ten onrechte en in strijd met zijn grondrechten en de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) gekwalificeerd als RG. In de mededeling van de directeur van 15 januari 2026 is niet vermeld op welke wijze de levensloop van [eiser] en de aspecten motivering, middelen en macht zijn betrokken bij het besluit om [eiser] als RG aan te merken en daarin is evenmin onderbouwd dat de situatie van [eiser] een serieus risico kent, dat zich voordoet in de PI of waarvan de mogelijke impact de lokale aanpak en penitentiaire scherpte in de PI overstijgt. In die mededeling is verder niet onderbouwd dat [eiser] zich schuldig maakt aan (voortgezet) crimineel handelen en [eiser] betwist het hem verweten gebruik van anabolen. Door de GVM-status van [eiser] te handhaven, handelt de Staat onrechtmatig ten opzichte van [eiser] . [eiser] heeft er belang bij dat hij zo snel mogelijk van de GVM-lijst wordt verwijderd, zodat hij niet langer onderworpen wordt aan maatregelen die hem beperken in zijn mogelijkheden om contact te hebben met de buitenwereld en in zijn situatie binnen de PI.
De conclusie van de Staat strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer van de Staat zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
Bevoegdheid en ontvankelijkheid
[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig ten opzichte van hem handelt door hem als RG aan te merken, zonder dat daarvoor voldoende indicaties aanwezig zijn. Daarom is de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, bevoegd om kennis te nemen van de vordering. Voor het opkomen tegen de kwalificatie als RG staat voor [eiser] geen andere rechtsgang open en daarom is hij in zijn vordering ontvankelijk. De Staat heeft dat ook niet bestreden.
Juridisch kader
Plaatsing van gedetineerden op de GVM-lijst is geregeld in de Circulaire. De selectiefunctionaris beslist of de status van RG wordt toegekend na een advies van het ORG. Het ORG betrekt bij zijn advies in ieder geval de levensloop van de gedetineerde en aspecten als het strafrestant, het criminele verleden, signalen dat de gedetineerde van zins is zijn criminele activiteiten voort te zetten in detentie, incidenten die zijn voorgevallen tijdens (eerdere) detentie, het netwerk, de rol en status van de gedetineerde binnen een criminele organisatie en diens beschikbare financiële middelen. Op basis van aangeleverde informatie van de betrokken inrichting, het Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP), het Openbaar Ministerie en/of het Landelijk Bureau Inlichtingen & Veiligheid van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) maakt het ORG een inschatting van de ernst van de risico's. De selectiefunctionaris maakt vervolgens een individuele belangenafweging en beslist welk risicoprofiel wordt toegekend aan de gedetineerde. Gedetineerden die als RG zijn aangemerkt worden standaard na drie, zes of twaalf maanden opnieuw besproken en beoordeeld.
Bij de beoordeling van de plaatsing van een gedetineerde op de GVM-lijst komt de selectiefunctionaris een ruime mate van beoordelingsvrijheid toe. De voorzieningenrechter moet het besluit van de selectiefunctionaris dan ook terughoudend toetsen. Voor ingrijpen door de voorzieningenrechter is slechts plaats als de selectiefunctionaris, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen om de gedetineerde, in dit geval [eiser] , als RG aan te merken.
[eiser] heeft de dagvaarding uitgebracht voordat de directeur hem had geïnformeerd over het besluit van de selectiefunctionaris van 8 juli 2026 tot verlenging van zijn GVM-status met drie maanden. De Staat heeft hier wel naar verwezen in de conclusie van antwoord. De voorzieningenrechter betrekt deze verlenging dan ook wel bij haar oordeel over de door [eiser] ingestelde vordering.
De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het betoog van [eiser] dat er in zijn situatie ruimte is voor een toetsing die verder gaat dan een marginale toetsing, omdat de voorzieningenrechter ook schending van grondrechten bij de beoordeling mag betrekken. [eiser] heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat ten opzichte van hem grondrechten worden geschonden. De verwijzing naar het in artikel 1 van de Grondwet neergelegde recht op gelijke behandeling, zonder verdere toelichting, is daarvoor niet genoeg. Verder heeft [eiser] er alleen in algemene zin op gewezen dat hem, ondanks zijn verblijf in detentie, grondrechten toekomen. Gelet op dit een en ander oordeelt de conclusie dat [eiser] niet dan wel onvoldoende heeft toegelicht waarom het gerechtvaardigd is om af te wijken van het uitgangspunt dat besluiten van de selectiefunctionaris terughoudend worden getoetst.
Is handhaving van de kwalificatie van [eiser] als RG gerechtvaardigd?
[eiser] stelt dat hij ten onrechte als RG is gekwalificeerd en dat hij daardoor onrechtmatig in zijn rechten wordt beperkt. Volgens [eiser] is zijn kwalificatie als RG onvoldoende onderbouwd en is niet gebleken dat van hem een risico uitgaat dat de lokale aanpak en de penitentiaire scherpte in de PI overstijgt. Daarbij heeft [eiser] betwist dat hij zich schuldig maakt of heeft gemaakt aan voortgezet crimineel handelen vanuit de inrichting en dat hij verboden middelen heeft gebruikt.
Ten behoeve van het OO op 8 januari 2025 is een uitgebreide rapportage gemaakt over [eiser] , die de Staat in deze procedure heeft overgelegd. In deze rapportage is onder meer het advies van de PI opgenomen om aan [eiser] de GVM-status verhoogd op te leggen. Dit advies heeft de selectiefunctionaris gevolgd. De directeur heeft [eiser] op 9 januari 2025 schriftelijk over dit besluit geïnformeerd, met verwijzing naar indicaties B ((vermoedens van) voortgezet crimineel handelen vanuit detentie) en E (Ondermijning van gezag van directie en personeel in de inrichting).
Uit het advies van het ORG van 8 juli 2026 en de meest recente mededelingen van de directeur (van 15 januari 2026 en 16 juli 2026) blijkt dat de handhaving van de status van [eiser] als RG (nog altijd) is gebaseerd op (vermoedens van) voortgezet crimineel handelen vanuit de inrichting. In het advies van het ORG van 8 juli 2026 is voor wat betreft indicatie B opgenomen dat er meermaals anabolen en testosteron zijn aangetroffen bij [eiser] , die binnen de PI enkel op illegale wijze kunnen worden verkregen. In de mededelingen van 15 januari 2026 en 16 juli 2026 is onder meer vermeld dat [eiser] in juli 2025 een (mogelijk bedreigende) brief heeft gericht aan de partner van een medegedetineerde met vermelding van een adres dat uit een veiligheidsoogpunt geheim had moeten blijven en dat [eiser] een ex-gedetineerde ter screening heeft aangeboden die contacten onderhoudt met gedetineerden in andere penitentiaire inrichtingen. Voorts is gewezen op de omstandigheid dat [eiser] voortdurend in beeld blijft met betrekking tot vermoedens van gebruik van anabolen waarbij onder meer is gewezen op de omvang van [eiser] . Meer in het bijzonder is in de mededeling van 16 juli 2026 verwezen naar een diepvrieszak van [eiser] die is aangetroffen met daarin injectiespuiten en testosteron, terwijl het verboden is om die middelen in de inrichting te gebruiken of voorhanden te hebben. Voorts is ook aan de handhaving van de status van [eiser] ten grondslag gelegd dat er in zijn urine meerdere keren een lage kreatininewaarde is geconstateerd, waardoor het vermoeden is ontstaan dat [eiser] bij de urinecontroles heeft gefraudeerd. En op 11 mei 2026 was sprake van een disciplinaire straf vanwege een positieve urinecontrole op anabolen.
De Staat heeft er terecht op gewezen dat de toekenning van de RG-status bedoeld is om het detentieverloop en het gedrag van een gedetineerde beter te monitoren, om zo het plegen van strafbare feiten in de inrichting te voorkomen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in de mededelingen aan [eiser] voldoende is toegelicht dat en waarom de selectiefunctionaris tot het oordeel is gekomen dat met betrekking tot [eiser] nog altijd sprake is van (vermoedens van) voortgezet crimineel handelen vanuit detentie, bestaande uit (samengevat) het hebben van ongeoorloofde contacten en het gebruik van verboden middelen, en dat dit oordeel van de selectiefunctionaris niet onbegrijpelijk is. In het verlengde hiervan kan niet worden geoordeeld dat de selectiefunctionaris niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat daarom aanleiding bestaat om het gedrag van [eiser] (in ieder geval nog voor een periode van drie maanden) te monitoren en daarvoor zijn RG status te verlengen. In dat kader verwijst de voorzieningenrechter ook naar de uitspraak van de beklagrechter van 9 februari 2026, die heeft geoordeeld dat in de mededeling van15 januari 2026 (kort gezegd) voldoende is gemotiveerd dat (de toen opgelegde) maatregelen door de directeur moesten worden opgelegd vanwege (vermoedens van) voortgezet crimineel handelen in detentie.
[eiser] heeft nog weersproken dat de diepvrieszak waarnaar de Staat verwijst van hem is en hij heeft weersproken dat sprake is van middelengebruik. Het gaat echter het kader van dit kort geding te buiten om hiernaar nader onderzoek te doen.
Aan het betoog van [eiser] dat hij geen risico vormt in de PI en dat evenmin sprake is van een risico dat de lokale aanpak en de penitentiaire scherpte in de PI overstijgt gaat de voorzieningenrechter voorbij. De Staat heeft immers voldoende onderbouwd dat de status van RG en de in het verlengde daarvan aan [eiser] opgelegde maatregelen (mede) tot doel hebben om te voorkomen dat in de PI verdovende middelen worden gebruikt of verhandeld en dat contacten worden onderhouden met personen die zich bezighouden met activiteiten die een risico vormen voor de orde, rust en veiligheid binnen de inrichting. Daarmee zijn de risico’s die [eiser] vormt voldoende toegelicht.
Anders dan [eiser] heeft gesteld is niet aannemelijk geworden dat [eiser] tijdens zijn detentie is ‘overgeleverd’ aan de directeur/de Staat. De Staat heeft dit weersproken en voor zover een dergelijke conclusie het besluit van de selectiefunctionaris zou kunnen beïnvloeden, is het kort geding niet geschikt om hiernaar nader onderzoek te doen. Voor een toetsing van de rechtmatigheid van de door de directeur aan [eiser] opgelegde maatregelen is bovendien in dit kort geding geen plaats. De beklagprocedure, die [eiser] ook diverse keren heeft gevolgd, is daarvoor immers de geëigende weg.
[eiser] heeft voorts nog gesteld dat zijn status als RG en de aan hem opgelegde maatregelen in strijd zijn met de Pbw. De Staat heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd waarbij de Staat onder meer heeft gewezen op het juridisch kader zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van de Circulaire waarin wordt verwezen naar de Pbw, en meer in het bijzonder artikel 3 lid 3 Pbw en artikel 5 lid 3 Pbw en de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden, waarin is bepaald dat plaatsing van gedetineerden door de selectiefunctionaris geschiedt aan de hand van risicoprofielen. In reactie hierop heeft [eiser] zijn stellingen op dit punt niet nader toegelicht waardoor de voorzieningenrechter hieraan voorbij gaat.
Slotsom en proceskosten
Het voorgaande betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat de selectiefunctionaris met betrekking tot [eiser] in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot handhaving van de status van RG vanwege (vermoedens van) voortgezet crimineel handelen vanuit detentie. Voor ingrijpen door de voorzieningenrechter bestaat daarom geen aanleiding, zodat het gevorderde wordt afgewezen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
735 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177 |
|
|
- nakosten |
€ 189 |
(plus de in de beslissing vermelde verhoging) |
|
|
Totaal |
€ |
2.101 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het gevorderde af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de zijde van de Staat zijn begroot op € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart de veroordelingen in 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
mvt