Civiel recht overig
Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk. Het verzoek is te laat gedaan. De door verzoeker aangevoerde…
Rechtbank Den Haag, 24 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:19335 · Rechtbank Den Haag · 24 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/wraking/ecli-nl-rbdha-2026-19335
Zaakgegevens
Op 24 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 24 juni 2026
- Datum publicatie
- 13 juli 2026
- Zaaknummer
- C/09/707204 / KG RK 26-946
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19335
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk. Het verzoek is te laat gedaan. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden waren hem ruim een maand bekend voor het moment waarop hij zijn wrakingsverzoek indiende. De hiervoor door verzoeker gegeven verklaring kan dit tijdsverloop redelijkerwijs niet rechtvaardigen.
Uitspraak
Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/44
zaak- /rekestnummer: C/09/707204 / KG RK 26-946
Beslissing van 24 juni 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. L.C. Bannink,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1 Het wrakingsverzoek
Het schriftelijke wrakingsverzoek is binnengekomen op 12 juni 2026.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer SGR 24/8651 AKW (hierna: de hoofdzaak).
Verzoeker heeft - kort weergegeven - de volgende vijf gronden aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd:
-
er is veel te weinig tijd ingepland voor de zitting wat onnodige druk veroorzaakte op verzoeker als eiser;
-
de rechter weigerde om rekening te houden met bijzondere omstandigheden van verzoeker en zijn kind en negeerde het evenredigheidsbeginsel;
-
de gemachtigde van de wederpartij appte met de rechter tijdens de zitting;
-
de rechter weigerde de samenhang te erkennen tussen het bestreden besluit van de SVB en de overige procedures van verzoeker;
-
de rechter verbood om kleinschalige video opnames te maken en dwarsboomde de transparantie van de rechtspraak.
2 De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Het verzoek moet worden gedaan zodra de omstandigheden die daarvoor aanleiding hebben gegeven zich hebben voorgedaan. Na indiening van het verzoek wordt de procedure direct geschorst. Zo wordt voorkomen dat de rechter proceshandelingen verricht gedurende een periode waarvan later wordt vastgesteld dat hij toen niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte. Ook is beoogd onnodige vertraging van de rechtspleging te voorkomen.
De door verzoeker aangevoerde omstandigheden zijn aan hem bekend geworden op 7 mei 2026 en het verzoek is pas gedaan op 12 juni 2026. Ter verklaring van dit tijdsverloop heeft verzoeker aangevoerd dat het voor hem niet mogelijk was om direct na de zitting een wrakingsverzoek in te dienen, omdat zijn advocaat het wrakingsverzoek van verzoeker (waarbij zij zelf niet betrokken was) eerst wilde beoordelen en zij pas begin juni van haar buitenlandse reis was teruggekeerd.
De wrakingskamer is van oordeel dat deze verklaring van verzoeker het tijdsverloop van ruim een maand redelijkerwijs niet kan rechtvaardigen. Nu de wrakingskamer van andere bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop wel kunnen rechtvaardigen niet is gebleken, is het verzoek te laat ingediend en kan verzoeker dan ook niet in zijn wrakingsverzoek worden ontvangen.
Voor een behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van de wrakingskamer bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het wrakingsverzoek. Daar wordt echter niet meer aan toegekomen, omdat het wrakingsverzoek te laat is ingediend.
3 De beslissing
De wrakingskamer
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en S.M. Westerhuis-Evers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.