Insolventierecht

Twee schulden: van € 1.224,81 aan VGZ en van € 90.923,14 aan WestlandUtrecht Bank (WUB). Onvoldoende…

Rechtbank Den Haag, 12 december 2017

Zaakgegevens

Op 12 december 2017 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
12 december 2017
Datum publicatie
21 december 2017
Zaaknummer
C/09/542798 / FT RK 17/2001
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2017:15271
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Twee schulden: van € 1.224,81 aan VGZ en van € 90.923,14 aan WestlandUtrecht Bank (WUB). Onvoldoende aannemelijk dat schuldenares niet zal kunnen voortgaan met betalen van haar schulden. Schuld aan VGZ in minder dan twee maanden af te lossen. Gebleken dat WUB bereid is regeling te treffen tot nader vast te stellen periode, waarna alsnog kwijtscheldings¬voorstel gedaan zou kunnen worden. Enkele omstandigheid dat schuldenares tot dusverre niet heeft kunnen aflossen op de schuld, leidt niet tot het oordeel dat een schuldenaar in voornoemde situatie verkeert (Gerechtshof Amsterdam, 21 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2345).

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/542798 / FT RK 17/2001

nummer verklaring: VOS0151700083

uitspraakdatum: 12 december 2017

[verzoekster],

wonende te [adres, postcode en woonplaats],

verzoekster,

heeft op 9 november 2017 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Het verzoekschrift is op 5 december 2017 behandeld. Verzoekster is gehoord, evenals [X] (Plangroep).

Wettelijk kader

Op grond van artikel 284, lid 1, van de Faillissementswet (hierna: Fw) kan een natuurlijk persoon, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, verzoeken de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

Ingevolge artikel 288 lid 1 sub a, Fw wordt het verzoek slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.

Beoordeling

Op basis van de stukken die aan de rechtbank zijn overgelegd en wat ter zitting is besproken overweegt de rechtbank dat onvoldoende aannemelijk is dat [verzoekster] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden. Zij heeft twee schulden, te weten een schuld van € 1.224,81 aan VGZ Zorgverzekeraar N.V. (hierna: VGZ) en een schuld van € 90.923,14 aan WestlandUtrecht Bank (hierna: WUB). Gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] de betalingen aan deze schuldeisers niet kan doen. Zij heeft immers sinds een paar maanden weer inkomsten uit werk en daardoor een afloscapaciteit van ruim € 800,-- per maand. In drie jaar zou zij daarmee al ongeveer 30% van haar schuldlast kunnen betalen. De schuld aan VGZ kan [verzoekster] in minder dan twee maanden geheel aflossen. Gebleken is dat WUB bereid is een regeling te treffen tot een nader vast te stellen periode, waarna alsnog een kwijtscheldingsvoorstel gedaan zou kunnen worden. De enkele omstandigheid dat [verzoekster] tot dusverre niet heeft kunnen aflossen op de schuld, leidt niet tot het oordeel dat een schuldenaar in voornoemde situatie verkeert (Gerechtshof Amsterdam, 21 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2345). Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling moet dus worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van:

[verzoekster],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],

wonende te [adres, postcode en woonplaats].

Gewezen door mr. M.M.F. Holtrop, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van 12 december 2017 in tegenwoordigheid van R. Becker, griffier.