Insolventierecht
Hardheidsclausule; Psychische problematiek.
Rechtbank Den Haag, 7 maart 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:2204 · Rechtbank Den Haag · 7 maart 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2019-2204
Zaakgegevens
Op 7 maart 2019 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 7 maart 2019
- Datum publicatie
- 11 maart 2019
- Zaaknummer
- C/09/19/56 R
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2019:2204
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Hardheidsclausule; Psychische problematiek.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team insolventies – enkelvoudige kamer
insolventienummer: C/09/19/[00] R
uitspraakdatum: 7 maart 2019
[Verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode woonplaats],
verzoekster,
heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
De verzoekster is gehoord ter terechtzitting van 7 maart 2019.
De beoordeling
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO), bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.
Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting verklaard, is gebleken dat verzoekster kampt met psychische problemen. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij momenteel voor behandeling van haar problemen op een wachtlijst staat bij PsyQ, een intakedatum is nog niet bekend.
Verzoekster ontvangt thans een Participatiewet-uitkering en uit de overgelegde medische verklaring van GGD Haaglanden van 10 januari 2019 blijkt dat zij tot 10 juli 2019 volledig is afgekeurd voor werk en niet hoeft te solliciteren.
Gebleken is dat er sprake is van een duurzame wending ten goede en dat verzoekster hulp heeft gezocht voor haar financiële problemen. Dit heeft ertoe geleid dat zij vanaf 2016 onder beschermingsbewind is gesteld. De beschermingsbewindvoerder heeft afdoende zicht en controle op de financiën van verzoekster en er ontstaan geen nieuwe schulden. Gelet op de bijzondere omstandigheden en de persoonlijke situatie van verzoekster ziet de rechtbank dan ook aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw.
De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[Verzoekster]
geboren op [geboortedatum] 1993 te [stad] (Kenya),
wonende te [adres, postcode woonplaats];
- verstaat dat deze insolventieprocedure een hoofdinsolventieprocedure is als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO);
- benoemt tot rechter-commissaris mr. H.W. Vogels,
en tot bewindvoerder N.T. van den Deijssel (Sociaal.nl Schuldsanering BV),
correspondentieadres:
Postbus 845
1440 AV Purmerend;
- stelt vast dat alle reeds gelegde beslagen komen te vervallen;
- kent aan de bewindvoerder voor de duur van de schuldsaneringsregeling een voorschot toe op het salaris ter hoogte van het bedrag als bedoeld in artikel 320,
lid 6 van de Faillissementswet en vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen gedurende een termijn van 13 maanden.
Gewezen door mr. D. Nobel, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2019 in tegenwoordigheid van R.D.A. Babulall-Oemrawsingh, griffier.
De behandelend juridisch medewerker is C.D. Woodley