Insolventierecht
Intrekking verzoek tot faillietverklaring en afwijzing van het verzoek tot proceskostenveroordeling.
Rechtbank Den Haag, 30 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21280 · Rechtbank Den Haag · 30 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21280
Zaakgegevens
Op 30 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 juli 2026
- Datum publicatie
- 30 juli 2026
- Zaaknummer
- C/09/708463/ FT RK 26/397
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. K.T. op de Hoek
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21280
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Intrekking verzoek tot faillietverklaring en afwijzing van het verzoek tot proceskostenveroordeling.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]beschikking
RECHTBANK DEN HAAG
Team Toezicht
rekestnummer: C/09/708463/ FT RK 26/397
beschikking van 30 juli 2026
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
verzoekster, hierna: [bedrijf 1] ,
advocaat: mr. K.T. op de Hoek,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf 2] B.V.,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
vestigingsadres: [adres] ,
verweerster, hierna: [bedrijf 2] .
Waar deze zaak over gaat
[bedrijf 2] heeft een verzoek ingediend strekkende tot een veroordeling van [bedrijf 1] in de proceskosten. Dit verzoek wordt door de rechtbank afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist. Eerst volgt een overzicht van de procedure.
1 De procedure
[bedrijf 1] heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot faillietverklaring van [bedrijf 2] .
[bedrijf 2] heeft een verweerschrift ingediend.
Het verzoekschrift is op 27 juli 2026 ingetrokken door [bedrijf 1] .
[bedrijf 2] heeft op 27 juli 2026 een verzoek bij de rechtbank ingediend, waarin zij verzoekt [bedrijf 1] te veroordelen in de proceskosten, zoals eerder in haar verweerschrift is verzocht.
[bedrijf 1] heeft op 27 juli 2026 haar inhoudelijke reactie op het verzoek van [bedrijf 2] overlegd met de rechtbank.
2 De beoordeling
Het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken bepaalt ingeval van intrekking van een faillissementsverzoek dat indien bij het verweer om een kostenveroordeling wordt gevraagd, de rechter daarop zal beslissen. [bedrijf 1] heeft het onderhavige faillissementsverzoek op 27 juli 2026 ingetrokken en [bedrijf 2] heeft in haar verweerschrift om een proceskostenveroordeling verzocht. [bedrijf 2] heeft na het intrekkingsverzoek de rechtbank een e-mailbericht gezonden met het verzoek [bedrijf 1] in de kosten van de procedure te veroordelen. De rechtbank heeft [bedrijf 1] in de gelegenheid gesteld daar schriftelijk op te reageren. De advocaat van [bedrijf 1] heeft schriftelijk te kennen gegeven dat het onredelijk is dat zij in de proceskosten wordt veroordeeld en verzoekt onder meer het verzoek van [bedrijf 2] af te wijzen, dan wel te bepalen dat iedere partij haar eigen kosten draagt. De rechtbank beslist als volgt op de door [bedrijf 2] verzochte proceskostenveroordeling.
In de faillissementsprocedure stelt [bedrijf 1] dat zij een vordering van € 22.500,- op [bedrijf 2] heeft. Zij stelt zich dienaangaande op het standpunt dat tussen partijen een schikking is bereikt in het kader waarvan [bedrijf 2] dat bedrag aan [bedrijf 1] moet betalen. Hierbij beroept [bedrijf 1] zich op de tussen de advocaten van partijen gevoerde correspondentie en met name e-mailberichten van 11 juni 2026:
- bericht van de advocaat van [bedrijf 1] (19:53 uur): “Cliënte is bereid in te stemmen met een aanhouding voor de duur van (4) weken. Dit onder de voorwaarde dat uiterlijk op woensdag 8 juli 2026 een bedrag van € 22.500,- wordt voldaan op de bankrekening van [bedrijf 1] B.V. waarna partijen finaal zijn gekweten en voor alle duidelijkheid derhalve ook ter zake van de vermeende, maar door cliënte betwiste opleverpunten.
Graag ontvang ik hierop een schriftelijke bevestiging, zodat ik de rechtbank op gezamenlijk verzoek kan vragen de procedure met voormelde termijn aan te houden en we de bereikte overeenstemming kunnen uitwerken in een (korte) vaststellingsovereenkomst, waarvan ik je alsdan het concept begin volgende week zal sturen.”
- reactie van de advocaat van [bedrijf 2] (20:06 uur): “Over vier weken is het volgens mij 9 juli 2026, maar verder klopt het. Bericht jij de Faillissementsrechter?”
Deze correspondentie geeft aanleiding te veronderstellen dat partijen het (grotendeels) eens zijn geworden over een oplossing voor hun geschil. [bedrijf 2] stelt zich echter op het standpunt dat geen schikking tot stand is gekomen, nu [bedrijf 1] geen aanhouding heeft bewerkstelligd in de eerdere faillissementsprocedure waarin partijen op 9 juni 2026 waren gehoord en de uitspraak op 12 juni 2026 was bepaald. [bedrijf 1] heeft echter wel om aanhouding verzocht. Haar advocaat heeft op 11 juni 2026 (20:19 uur) de griffie van de rechtbank als volgt bericht: “Namens partijen verzoek ik u vriendelijk het faillissementsvonnis in de zaak (…) vijf (5) weken aan te houden, namelijk tot 14 juli a.s., in verband met lopende schikkingsonderhandelingen tussen partijen.” Dit bericht is niet onder de aandacht van de rechtbank gebracht en de rechtbank heeft het eerder door [bedrijf 1] ingediende verzoek tot faillietverklaring van [bedrijf 2] op 12 juni 2026 afgewezen, met veroordeling van [bedrijf 1] in de proceskosten. [bedrijf 1] heeft dus om aanhouding verzocht en de omstandigheid dat het aanhoudingsverzoek de rechtbank niet heeft bereikt, kan [bedrijf 1] niet worden aangerekend. De rechtbank ziet overigens niet in waarom [bedrijf 2] het niet-verkrijgen van de door partijen beoogde aanhouding als een ontbindende voorwaarde van een schikking meent aan te kunnen merken. Zij heeft hiervan immers geen nadeel ondervonden, nu de rechtbank, in plaats van de uitspraak aan te houden, het verzoek van [bedrijf 1] heeft afgewezen en haar in de proceskosten heeft veroordeeld.
Gezien het vorenstaande kan de rechtbank er niet van uitgaan dat [bedrijf 1] ingeval van voortzetting van de procedure in de kosten van deze procedure zou zijn veroordeeld. Hetgeen [bedrijf 2] verder heeft gesteld, maakt dit niet anders. Het verzoek van [bedrijf 2] om [bedrijf 1] te veroordelen in de kosten van deze faillissementsprocedure zal dan ook worden afgewezen.
3 De beslissing
De rechtbank:
- verstaat dat [bedrijf 1] het verzoek tot faillietverklaring van [bedrijf 2] heeft ingetrokken;
- wijst af het verzoek van [bedrijf 2] tot veroordeling van [bedrijf 1] in de kosten van deze procedure.
Dit is een beslissing van mr. R. Cats, rechter, in samenwerking met S. Huisman, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die is verschenen en aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.