Insolventierecht

Omzetting faillissement naar WSNP. Toegewezen met toepassing van de hardheidsclausule. Geen eerdere ingangsdatum.

Rechtbank Rotterdam, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
FT RK 25-1014
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:14873
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Omzetting faillissement naar WSNP. Toegewezen met toepassing van de hardheidsclausule. Geen eerdere ingangsdatum.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

toepassing schuldsaneringsregeling na faillissement

insolventienummer: [nummer 1] (voorheen [nummer 2] )

uitspraakdatum: 28 oktober 2026

[verzoekster] ,

wonende te [straatnaam]

[postcode] [woonplaats] ,

verzoekster,

curator: mr. W.P. Groenendijk.

1 De procedure

1.1.

Verzoekster heeft een verzoekschrift ingediend tot opheffing van haar op 4 november 2025 uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

1.2.

Ter terechtzitting van 21 oktober 2026 zijn verschenen en gehoord:

- verzoekster;

- de heer [persoon A] , partner van verzoekster;

- mevrouw L. Mudde, beschermingsbewindvoerder;

- de heer mr. W.P. Groenendijk, curator.

1.3.

Verzoekster heeft het Informatieblad Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (Wsnp) ontvangen en voor instemming ondertekend.

1.4.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Standpunt van de curator

2.1.

De curator adviseert, bij ontvankelijkheid van het verzoek, positief ten aanzien van het omzettingsverzoek. Verzoekster verleent, met behulp van haar beschermingsbewindvoerder, medewerking in het faillissement. Er wordt informatie aangeleverd en er wordt afgedragen. Wat betreft de goede trouw toets geldt dat zij een schuld bij de Belastingdienst heeft in verband met motorrijtuigbelasting. Daarnaast is, via de betaalrekening van verzoekster, voorafgaand aan het faillissement € 1.444,00 vergokt bij onlinegokbedrijven. Hoewel dit door de partner van verzoekster is gedaan, is dit van de betaalrekening van verzoekster gegaan en had zij hier zicht op moeten hebben. Zij is daarmee niet te goeder trouw geweest. Daarnaast heeft verzoekster geen administratie gevoerd. Ook daarmee is zij niet te goeder trouw. Verzoekster heeft die omstandigheden wel weggenomen, dan wel onder controle. Ten aanzien van het verzoek om een eerdere ingangsdatum merkt de curator op dat verzoekster weliswaar heeft afgedragen tijdens het faillissement, maar dat zij niet fulltime heeft gewerkt. Verzoekster heeft 24 uur per week gewerkt en niet aantoonbaar gesolliciteerd. Zij heeft alleen vlak voor de zitting sollicitaties naar de curator gestuurd voor de maand september.

Standpunt van verzoekster

2.2.

Verzoekster heeft verklaard dat zij graag een oplossing voor haar schulden wenst. Zij is wel bereid om meer te werken, maar de mogelijkheden zijn beperkt. Dit in verband met de zorg voor haar kinderen. De kinderen zijn weliswaar aangemeld voor kinderopvang, maar de wachtlijst is dermate lang dat dat (nog) geen oplossing biedt.

3 De beoordeling

Ontvankelijkheid

3.1.

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of verzoekster een beroep op artikel 15b, eerste lid van de Faillissementswet (hierna: Fw) toekomt. De voorwaarde die de wet in artikel 15b, eerste lid, Fw stelt, is dat, wanneer een verzoeker niet op eigen aangifte maar op rekest failliet is verklaard, wordt vastgesteld dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Fw geen verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de Wsnp heeft ingediend. Daarnaast stelt de wet als voorwaarde dat geen verificatievergadering is gehouden, noch dat de rechter-commissaris een beschikking als bedoeld in artikel 137a, eerste lid, Fw heeft gegeven.

3.2.

De rechtbank stelt vast dat het faillissement niet op eigen aangifte van verzoekster is uitgesproken. Verzoekster heeft zich met haar partner eind juni 2025 gemeld bij de Gemeente Hoeksche Waard om budgetbeheer op te zetten en een schuldregeling in gang te zetten. De behandeling van het faillissementsverzoek is toen ook 120 dagen aangehouden om verzoekster in de gelegenheid te stellen een verzoekschrift in te dienen tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Ondanks de inzet van de gemeente Hoeksche Waard, bleek het niet haalbaar om binnen die termijn een schuldhulpverleningstraject in gang te zetten en af te ronden. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting oordeelt de rechtbank dat in dit geval redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat verzoekster wegens haar toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Fw, geen Wsnp-verzoek heeft ingediend.

3.3.

Verder stelt de rechtbank vast dat geen verificatievergadering is gehouden, noch dat de rechter-commissaris een beschikking als bedoeld in artikel 137a, eerste lid, Fw heeft gegeven.

3.4.

De curator heeft vastgesteld dat een akkoord binnen het faillissement niet tot de mogelijkheden behoort.

3.5.

Gelet op het voorgaande is verzoekster ontvankelijk in haar verzoek.

De toelating tot de Wsnp en de verplichtingen

3.6.

Verzoekster kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat verzoekster aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.

3.7.

De rechtbank is van oordeel dat de schulden aan de Belastingdienst die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. De schuld aan de Belastingdienst ziet op Motorrijtuigbelasting. Daarnaast zijn er gelden door haar partner (online) vergokt. Verzoekster is daarvoor mede verantwoordelijk, omdat deze zijn vergokt vanaf haar betaalrekening. Dit staat in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.

3.8.

In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om verzoekster toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat verzoekster de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan van deze schulden, onder controle heeft gekregen. Verzoekster staat inmiddels onder beschermingsbewind, zodat het ontstaan van dergelijke nieuwe schulden niet in de rede ligt. De rechtbank weegt daarbij ook mee dat de partner van schuldenaar inmiddels is aangemeld bij Cruks en te kennen heeft gegeven niet meer te gokken. Bovendien staat ook hij onder beschermingsbewind.

3.9.

Daarnaast is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat verzoekster zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp. Verzoekster is de verplichtingen gedurende het faillissement goed nagekomen. De inspanningsplicht is wel een aandachtspunt. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij bereid is om fulltime te werken. Met verzoekster is besproken dat in de Wsnp het uitgangspunt geldt dat fulltime gewerkt moet worden en dat voor zover niet fulltime gewerkt wordt, (aanvullend) gesolliciteerd moet worden. De zorg voor kinderen is in principe geen voldoende reden om daaraan niet te voldoen. Verzoekster heeft hiermee ter zitting ingestemd.

3.10.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling toewijzen (onder gelijktijdige opheffing van het op 4 november 2025 uitgesproken faillissement) en het salaris van de curator en de verschotten vaststellen.

Bevoegdheid

3.11.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.

Duur van de Wsnp

3.12.

De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) vast op 18 maanden.

De ingangsdatum

3.13.

Verzoekster heeft verzocht om de maanden waarin zij al in staat van faillissement heeft verkeerd, in mindering te brengen op de duur van de Wsnp-regeling.

3.14.

De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan. Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltimebaan. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:714) geoordeeld dat het alternatieve aanvangsmoment van artikel 349a, eerste lid, Fw ook gelegen kan zijn op de dag waarop de eerste afdracht is gedaan in het kader van het faillissement van de schuldenaar vóór omzetting in de schuldsaneringsregeling op de voet van artikel 15b Fw. Die eerste afdracht moet in zoverre op één lijn worden gesteld met de eerste aflossing als bedoeld in artikel 349a, eerste lid, Fw.

3.15.

De rechtbank kan niet vaststellen dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan. Verzoekster heeft weliswaar tijdens het faillissement afgedragen, maar zij heeft gedurende het faillissement niet aantoonbaar voldaan aan de inspanningsplicht. Zij heeft namelijk niet fulltime gewerkt, noch aantoonbaar (voldoende) gesolliciteerd naar een fulltime dienstbetrekking. Weliswaar is ter zitting gesteld dat zij in september 2026 vier sollicitaties heeft verricht, maar deze zijn niet aan de rechtbank overgelegd.

3.16.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.

3 De beslissing

De rechtbank:

- heft het faillissement van verzoekster op;

- stelt het salaris van de curator definitief vast op € 7.336,01 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt dit bedrag ten laste van schuldenares;

- stelt de verschotten vast op € 293,44 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt dit bedrag ten laste van schuldenares;

- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [straatnaam] ,
[postcode] [woonplaats],

- benoemt in de schuldsaneringsregeling van schuldenares tot rechter-commissaris
mr. C.G.E. Prenger;

- en stelt aan tot bewindvoerder mr. W.P. Groenendijk,

postadres: Postbus 324,

3330 AH Zwijndrecht;

- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 28 oktober 2026 en de duur op 18 maanden;

- draagt de bewindvoerder op de post van schuldenares in te zien;

- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.