Insolventierecht
Toewijzing dwangakkoord. Verzoeker ontvangt een Participatiewet-uitkering en is deels arbeidsgeschikt. Door…
Rechtbank Den Haag, 2 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:29398 · Rechtbank Den Haag · 2 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-29398
Zaakgegevens
Op 2 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Datum publicatie
- 5 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL:TZ:2616645:R-RK, NL:TZ:2616663:R-RK
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:29398
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Toewijzing dwangakkoord. Verzoeker ontvangt een Participatiewet-uitkering en is deels arbeidsgeschikt. Door de taalbarrière, zijn arbeidsverleden en het ontbreken van een startkwalificatie is geen betaald (parttime) werk of aflossingscapaciteit te verwachten. Zijn beperkingen herstellen niet binnen twaalf maanden. Het aanbod (eenmalige inleg van het beschikbare vermogen) is het maximaal haalbare. Schuldeisers met ongeveer 64% van de schuldenlast hebben ingestemd. De weigerende schuldeiser heeft geen verweer gevoerd.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team Toezicht
rekestnummers: NL:TZ:2616645:R-RK en NL:TZ:2616663:R-RK
vonnis van 2 oktober 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van:
[partij A] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
voorheen handelend onder de naam [handelsnaam] ,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [KvK-nummer] ,
vestigingsadres: [adres] ,
hierna: [partij A] ,
tegen
[partij B] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna: [partij B] .
Waar deze zaak over gaat
[partij A] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Hij heeft een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers, waarbij een deel van de vordering(en) wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeiser wordt kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, heeft [partij A] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank toegewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1 De feiten waar de rechtbank van uit gaat
[partij A] heeft de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van € 56.005,59 aan zeventien schuldeisers. Het is [partij A] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de gemeente Den Haag heeft hij voor het laatst op 20 januari 2026 een schuldregeling aangeboden (saneringsakkoord). Dit voorstel houdt in dat aan de schuldeisers met een recht van voorrang een uitkering ineens wordt aangeboden van 2,179% en aan de gewone schuldeisers een uitkering ineens van 1,09%, tegen kwijtschelding van het restant van hun vorderingen.
[partij B] is als enige schuldeiser niet akkoord gegaan met dit voorstel. [partij A] heeft een schuld aan [partij B] van € 19.834,70, dat is 35,42% van de totale schuldenlast.
De overige zestien schuldeisers hebben het aanbod aanvaard.
Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [partij A] bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats wil hij dat de rechtbank [partij B] dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil hij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).
De rechtbank heeft bepaald (uiterlijk) 5 oktober 2026 uitspraak te doen.
2 De procedure
De verzoeken van [partij A] zijn behandeld op de zitting van 21 september 2026. Op deze zitting verschenen:
- [partij A] ,
- mevrouw [naam 1] , schuldhulpverlener van de gemeente Den Haag,
- mevrouw [naam 2] , beschermingsbewindvoerder van Stabilum RA B.V.,
- de heer S. Dosky als tolk in de Arabische taal voor [partij A] .
[partij B] is opgeroepen, maar niet op de zitting verschenen.
3 Standpunten van partijen
[partij A] stelt dat het onredelijk is dat [partij B] het aanbod niet aanvaardt. Volgens hem heeft hij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden en kan hij niet meer aanbieden dan hij heeft gedaan.
[partij B] heeft zijn standpunt niet kenbaar gemaakt aan de rechtbank.
4 De beoordeling van de verzoeken
De rechtbank zal het verzoek van [partij A] om een dwangakkoord op te leggen toewijzen. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat [partij B] weigert in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
De schuldbemiddeling moet zijn uitgevoerd door een bevoegde instantie
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door de gemeente Den Haag. Dat betekent dat wordt voldaan aan de door de wet gestelde voorwaarden, namelijk dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij. Het voorstel is naar het oordeel van de rechtbank bovendien goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank moet een belangenafweging maken
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. De wetgever biedt daar verschillende regelingen voor, waarbij mensen met schulden zich maximaal moeten inspannen om zo veel mogelijk af te lossen en daarna schuldenvrij verder kunnen. Schuldeisers moeten dan vaak wel afstand doen (van een (groot) deel) van hun vordering. Daarom kunnen schuldeisers alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling.
De rechtbank kan een zogenaamd ‘dwangakkoord’ opleggen wanneer de weigering van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, moet de rechtbank de belangen van alle betrokkenen afwegen: van [partij A] zelf, van de weigerende schuldeiser(s) en van de schuldeisers die wél hebben ingestemd. Op basis van die belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier op zijn plaats is.
[partij A] heeft het maximaal haalbare voorstel gedaan
Het voorstel dat [partij A] aan zijn schuldeisers heeft gedaan is het maximaal haalbare. Een beter voorstel is niet mogelijk.
[partij A] ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet. Uit de overgelegde berekeningen van het vrij te laten bedrag (hierna: vtlb) blijkt dat hij geen afloscapaciteit heeft. Zijn inkomen is dus niet hoger dan het bedrag dat hij nodig heeft om van te leven.
Daarnaast is [partij A] deels arbeidsongeschikt verklaard vanwege psychische beperkingen. Volgens het Sociaal Medisch Advies van een arts van Calder Werkt d.d. 23 juli 2026, is [partij A] onder bepaalde voorwaarden belastbaar voor 16 tot 24 uur per week. Toch is er op dit moment geen zicht op betaald werk vanwege een taalbarrière en een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Ook als [partij A] betaald werk zou vinden voor 16 tot 24 uur per week, is het niet aannemelijk dat daardoor afloscapaciteit ontstaat. Gelet op zijn arbeidsverleden en het ontbreken van een startkwalificatie zal hij naar verwachting niet meer verdienen dan het vtlb. Er blijft dan geen ruimte over om aan zijn schuldeisers af te lossen.
Volledig herstel van de psychische beperkingen is mogelijk. Dat herstel zal echter langer duren dan twaalf maanden. Een herbeoordeling van de arbeids(on)geschiktheid vindt niet eerder plaats dan medio 2027. Een toename van het arbeidsvermogen en daarmee van afloscapaciteit, is dus op korte termijn niet te verwachten.
De rechtbank is daarom van oordeel dat van [partij A] niet kan worden verlangd dat hij zijn schuldeisers een beter aanbod doet. Omdat hij geen afloscapaciteit heeft, bestaat het aanbod uit de eenmalige inleg van het beschikbare vermogen van € 810,04. Dit bedrag is afkomstig van de verkoop van een bromfiets en [partij A] zet dit volledig in. Het aanbod is daarmee het maximaal haalbare.
Deze regeling is in het belang van de andere schuldeisers
De meerderheid van de schuldeisers, die samen ruim 64,58% van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, heeft ingestemd met de aangeboden schuldregeling. De belangen van deze schuldeisers wegen, vanwege de gezamenlijke omvang, zwaarder dan dat van [partij B] .
Uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken blijkt dat het dwangakkoord voor alle schuldeisers tot een gunstiger resultaat leidt dan de WSNP. Toepassing van de WSNP leidt tot hoge kosten, doordat de vergoeding van de bewindvoerder uit het gespaarde saldo wordt voldaan. Hierdoor valt in de WSNP geen enkele uitkering aan de schuldeisers te verwachten. Daar komt bij dat [partij B] zijn standpunt niet aan de rechtbank kenbaar heeft gemaakt. Verder is ook van belang dat het aangeboden akkoord op korte termijn aan de schuldeisers zal worden uitgekeerd, zodat zij hun dossier kunnen sluiten.
Het WSNP-verzoek is niet langer aan de orde
Omdat het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord zal worden toegewezen, heeft [partij A] geen belang meer bij zijn verzoek om te worden toegelaten tot de WSNP. Dat verzoek zal daarom worden afgewezen.
5 De beslissing
De rechtbank:
- beveelt [partij B] in te stemmen met de onder 1.1 bedoelde schuldregeling;
- wijst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af.
Dit is een beslissing van mr. L. Mundt, rechter, in samenwerking met C. Groesbeek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026 (bij vervroeging).
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die in het ongelijk is gesteld gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.