Insolventierecht
De rechtbank wijst het verzoek om een eerdere ingangsdatum van de WSNP toe en bepaalt die op 8 juli 2026 in…
Rechtbank Den Haag, 8 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30135 · Rechtbank Den Haag · 8 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30135
Zaakgegevens
Op 8 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2026
- Datum publicatie
- 12 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL:TZ:2616927:R-RK
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30135
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank wijst het verzoek om een eerdere ingangsdatum van de WSNP toe en bepaalt die op 8 juli 2026 in plaats van 24 maart 2026. De eerste vtlb-berekening is pas op 4 mei 2026 vastgesteld en onjuist gebleken. Ook is in het minnelijk traject niet maximaal afgelost. De rechtbank past saldering toe.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team Toezicht
insolventienummer: NL:TZ:2616927:R-RK
vonnis van 8 oktober 2026 (bij vervroeging)
op het verzoek van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
voorheen handelend onder de namen [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2],
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer],
gevestigd te [adres 1],
hierna te noemen: [verzoekster].
Waar deze zaak over gaat
[verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1 De procedure
[verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de WSNP.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 1 oktober 2026. Met de uitnodiging voor deze zitting is aan [verzoekster] een WSNP-informatieboekje meegezonden. Op de zitting verschenen:
- [verzoekster],
- mevrouw [naam 1], schuldhulpverlener van Kredietbank Nederland,
- mevrouw [naam 2] van Kredietbank Nederland,
- mevrouw [naam 3] van Kredietbank Nederland.
De rechtbank heeft bepaald (uiterlijk) 15 oktober 2026 uitspraak te doen.
2 De beoordeling van het verzoek
Toelating tot de WSNP
[verzoekster] kan alleen worden toegelaten tot de WSNP als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoekster] aan de verplichtingen van de WSNP zal voldoen. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of er aanleiding is een eerdere ingangsdatum van de WSNP te bepalen.
De rechtbank stelt vast dat er diverse recente schulden zijn waarvan de vraag is of die te goeder trouw zijn ontstaan. Dit geldt met name voor de schulden bij de Belastingdienst en de diverse (zakelijke) geldleningen. Voor zover deze schulden als niet te goeder trouw worden aangemerkt, kunnen die aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staan.
Beroep op de hardheidsclausule
Namens [verzoekster] is een beroep gedaan op de zogenoemde hardheidsclausule van artikel 288, derde lid, van de Faillissementswet (Fw).
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk moet zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid, onder controle is. Er moet met andere woorden sprake zijn van een aantoonbare en blijvende gedragsverandering, waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problemen die tot de schulden hebben geleid zich niet zullen herhalen.
Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan voldoende gebleken. Uit de stukken en het besprokene op de zitting volgt dat de schulden van [verzoekster] bij de Belastingdienst en de (zakelijke) geldleningen voornamelijk stammen uit de periode dat zij een eigen onderneming had. Die onderneming is in oktober 2025 opgeheven. [verzoekster] kan daarom geen nieuwe zakelijke schulden meer maken. Zij heeft bovendien een fiscaal/juridisch adviseur en een administratiekantoor ingeschakeld om haar boekhouding op orde te brengen. Daar komt bij dat zij inmiddels in loondienst werkt en dat haar financiële situatie is gestabiliseerd sinds de start van het budgetbeheer in januari 2026.
Nu [verzoekster] aan de overige toelatingseisen voor de WSNP voldoet, leidt een en ander ertoe dat de rechtbank het verzoek met toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule zal toewijzen. [verzoekster] wordt dus toegelaten tot de WSNP.
De verplichtingen waaraan [verzoekster] tijdens de WSNP moet voldoen staan in het WSNP-informatieboekje beschreven. Samengevat komt dit neer op: een informatieverplichting, een inspanningsverplichting, een verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan en een afdrachtverplichting.
De wet schrijft voor dat de eerste dertien maanden van het traject een postblokkade geldt. Deze postblokkade geldt gedurende de materiële looptijd van de schuldsaneringsregeling. Als de schuldsaneringsregeling eerder eindigt, stopt de postblokkade. Gedurende deze periode zal alle post naar de bewindvoerder gaan. De bewindvoerder stuurt de post na controle weer door aan [verzoekster].
Het WSNP-traject duurt in principe achttien maanden. Als [verzoekster] zich gedurende die periode houdt aan alle verplichtingen die de WSNP met zich brengt, eindigt het traject na verloop van die achttien maanden met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de WSNP werkt niet meer op [verzoekster] kunnen verhalen.
Ingangsdatum termijn van de WSNP
Een termijn van een wettelijke schuldsaneringsregeling kan ook beginnen te lopen vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f Fw. Het moet gaan om een eerste aflossing tijdens ‘het minnelijk traject van schuldhulpverlening’ (HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Vanaf dat moment moet de schuldenaar maximaal aflossen op zijn schulden. Daarnaast moet hij zich in de verzochte periode maximaal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven.
[verzoekster] verzoekt de ingangsdatum van de termijn van de WSNP te bepalen op 24 maart 2026.
De rechtbank zal het verzoek om een eerdere ingangsdatum te bepalen toewijzen, maar een andere ingangsdatum bepalen dan is verzocht. Zij overweegt daartoe als volgt.
Als uitgangspunt voor aanvang van het minnelijk traject hanteert de rechtbank het moment waarop de schuldhulpverlener de afloscapaciteit heeft vastgesteld aan de hand van een eerste correcte berekening van het vrij te laten bedrag (de vtlb-berekening): zie in dit verband onder meer Rechtbank Den Haag, 10 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5966.
De eerste vtlb-berekening is pas op 4 mei 2026 vastgesteld. Bovendien is deze berekening niet correct. In de berekening is als ontvangen kindgebonden budget (hierna: budget) een bedrag van € 234,00 ingevuld. Dat is niet juist. [verzoekster] kon in het jaar 2026 budget ontvangen voor de maanden waarin haar (jongste) zoon nog 17 jaar was. Het budget is uiterlijk per augustus 2026 gestopt. Het bedrag aan budget in de voorschotbeschikking van 23 januari 2026 van de Dienst Toeslagen (€ 2.807,00) had daarom door zeven maanden gedeeld moeten worden in plaats van door twaalf maanden. In de vtlb-berekening had dan een bedrag van (€ 2.807,00 : 7 maanden =) € 401,00 moeten staan. Hierdoor was het berekende vtlb van [verzoekster] in de maanden mei en juni 2026 (€ 401,00 -/- 234,00 =) € 167,00 te hoog.
Vanaf 4 mei 2026 heeft [verzoekster] afdrachten gedaan op basis van de normen voor de berekening van het vtlb. De afdrachten in de maanden mei tot en met augustus 2026 waren echter niet elke maand maximaal. In deze vier maanden heeft [verzoekster] in totaal € 3.159,85 gereserveerd, terwijl zij € 4.026,58 had moeten reserveren. Uitgaande van een gemiddelde afloscapaciteit van (afgerond) € 1.007,00 per maand komt de rechtbank door te salderen op een periode van (afgerond) drie maanden waarin maximaal is afgelost. De rechtbank is daarbij uitgegaan van het juiste vtlb voor de maanden mei en juni 2026 (€ 2.466,90 -/- € 167,00 = € 2.299,90).
De rechtbank zal daarom bepalen dat de termijn van de WSNP drie maanden eerder ingaat dan de datum van dit vonnis, met dien verstande dat [verzoekster] nog wel voor achttien maanden het verschil tussen het opgebouwde netto vakantiegeld en het te behouden deel van dat vakantiegeld moet afdragen aan de boedel. Een en ander zoals te berekenen met de vtlb-calculator. De termijn van de WSNP begint dus te lopen vanaf 8 juli 2026.
Op de zitting is besproken dat [verzoekster] een arbeidsovereenkomst heeft voor 32 uur per week, maar dat zij vanaf maart of april 2026 fulltime (minimaal 36 uur per week) zou hebben gewerkt. Uit de aangeleverde salarisspecificaties blijkt dat zij vanaf 6 april 2026 meer uren is gaan werken. Zij heeft echter vanaf die datum tot en met 31 juli 2026 niet elke week minimaal 36 uur gewerkt. Ook gemiddeld heeft zij minder dan 36 uur per week gewerkt. Op de specificaties staan gewerkte overuren vermeld als ‘tijd voor tijd’. Deze uren leveren geen inkomsten op en komen daarom niet ten goede aan de schuldeisers. De rechtbank wijst [verzoekster] er nadrukkelijk op dat zij in de WSNP verplicht is om minimaal 36 uur per week te werken en daarvoor ook uitbetaald te krijgen.
3 De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
voorheen handelend onder de namen [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2],
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer],
gevestigd te [adres 1];
- wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum toe;
- stelt de termijn van deze regeling vast op achttien maanden, te rekenen vanaf 8 juli 2026;
- stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. D. de Loor en tot bewindvoerder:
[bewindvoerder] ([advocatenkantoor]),
[adres 2]
- geeft de bewindvoerder opdracht om de komende dertien maanden, of zoveel eerder als de schuldsaneringsregeling eindigt, de post van [verzoekster] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen:
o zolang de schuldsaneringsregeling loopt en
o voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. D. de Loor, rechter, in samenwerking met C. Groesbeek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026 (bij vervroeging).
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met de eerdere ingangsdatum?
Mocht uw verzoek om een eerdere ingangsdatum niet of niet volledig zijn toegewezen, dan kunt u gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.