Ondernemingsrecht
Bestuurdersaansprakelijkheid. Een vennootschap heeft kozijnen geleverd aan eiseres. Volgens eiseres waren…
Rechtbank Den Haag, 30 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30870 · Rechtbank Den Haag · 30 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/ondernemingsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30870
Zaakgegevens
Op 30 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over ondernemingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Datum publicatie
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/693460
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Ondernemingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. Th.C. Visser
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30870
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bestuurdersaansprakelijkheid. Een vennootschap heeft kozijnen geleverd aan eiseres. Volgens eiseres waren deze kozijnen gebrekkig. De vennootschap is ontbonden en eiseres spreekt gedaagde aan als indirect bestuurder. De vorderingen worden afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/693460 / HA ZA 25-927
Vonnis van 30 september 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres] B.V. te [vestigingsplaats] ,
eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. Th.C. Visser,
tegen
[gedaagde] te [woonplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaten: mr. H.N.T. Hoogwout en mr. T.I. van Dongen.
1 De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 16 oktober 2025 met producties 1 tot en met 29;
- de conclusie van antwoord tevens houdende exceptie van onbevoegdheid van [gedaagde] met producties 1 tot en met 11;
- de conclusie van antwoord in het incident van [eiseres] ;
- de akte overlegging productie van [gedaagde] met productie 12.
Op 26 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de zitting hebben partijen hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd en aan het procesdossier zijn toegevoegd.
2 De feiten
[eiseres] is als aannemer betrokken geweest bij de bouw van onder andere appartementen in het kader van het nieuwbouwproject [het project] (hierna: het project).
[eiseres] heeft met [vennootschap 1] B.V. (hierna: [vennootschap 1]) een overeenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten voor de verkoop en levering door [vennootschap 1] van binnen- en buitenkozijnen, ramen en deuren (hierna samen: de kozijnen) aan [eiseres] ten behoeve van het project voor een prijs van € 95.250 (exclusief btw).
[gedaagde] is, samen met mevrouw [naam], bestuurder van [vennootschap 2] B.V. (hierna: [vennootschap 2]). [vennootschap 2] was de enige (directe) bestuurder van [vennootschap 1].
De kozijnen zijn deels op 13 juni 2019 en deels op 4 juli 2019 geleverd op de locatie van het project.
Op 12 september 2019 heeft [eiseres] per e-mail aan [vennootschap 1] bericht dat de kozijnen niet de kwaliteit hebben die [eiseres] gewend is.
Op 17 oktober 2019 heeft [vennootschap 1] een garantieverklaring (hierna: de garantieverklaring) ondertekend waarin onder andere is opgenomen dat [vennootschap 1] zich verbindt om voor haar rekening alle tijdens de garantieperiode bij de kozijnen optredende gebreken, waarvan [eiseres] aannemelijk maakt dat die met grote mate van waarschijnlijkheid moeten worden toegeschreven aan minder goede hoedanigheid of gebrekkige uitvoering, op eerste aanzegging van [eiseres] zo spoedig mogelijk te herstellen. In de garantieverklaring is ook opgenomen dat alle geschillen die naar aanleiding van de garantie tussen [vennootschap 1] en [eiseres] ontstaan, worden beslecht door arbitrage.
[eiseres] heeft de kozijnen geplaatst in de appartementen ten behoeve van het project. Voorafgaand aan oplevering van de appartementen heeft herstel van de kozijnen plaatsgevonden, waarbij plekken zijn uitgefreesd en met epoxy zijn opgevuld en vervolgens zijn gegrond, geschuurd en afgelakt. De appartementen zijn op 31 maart 2020 opgeleverd.
Voorafgaand aan oplevering en na oplevering hebben de (toekomstige) eigenaren van de appartementen en de betreffende Vereniging van Eigenaars (hierna: de VvE) geklaagd over de kwaliteit van de kozijnen. In het opleveringsrapport van 14 april 2020 dat in opdracht van de VvE is opgesteld door VvE-belang is melding gemaakt van (onder andere) scheuren in de kozijnen. In een ander rapport dat is opgesteld in opdracht van de VvE door PlanGarant van 16 oktober 2020 is onder andere opgenomen dat in de kozijnen op veel plekken over grote lengtes scheuren zitten op de lijmnaad.
In opdracht van [vennootschap 1] heeft Stichting Hout Research (hierna: SHR) op 22 januari 2021 gerapporteerd over de scheurvorming in de kozijnen. SHR heeft geadviseerd (i) dat herstel van de schade mogelijk is, (ii) om de kozijnen in ieder geval de komende vijf jaar meer frequent te controleren op scheuren en/of open verbindingen en (iii) dat de kozijnen naar verwachting zeker 50 jaar mee kunnen gaan, als deze volgens het hersteladvies worden gerepareerd, en wanneer ook daarna (met name de eerste jaren) de mogelijk nog extra ontstane scheuren volgens het hersteladvies worden gerepareerd.
PlanGarant heeft het hersteladvies van SHR geaccordeerd. [vennootschap 1] heeft in 2021 de door SHR geadviseerde herstelwerkzaamheden laten uitvoeren door restauratieaannemer [aannemer].
Op 28 april 2023 heeft de VvE aan [eiseres] en [vennootschap 1] bericht dat er weer scheuren in de kozijnen zitten.
In opdracht van de VvE heeft Bureau voor Bouwpathologie onderzoek gedaan naar de kozijnen. In het betreffende rapport van 9 februari 2024 is vermeld dat ‘het enige juiste en met name duurzame herstel is het vervangen van alle kozijnen’.
Op 28 februari 2024 heeft de VvE [eiseres] gesommeerd om de kozijnen te vervangen.
Op 12 april 2024 is in het handelsregister geregistreerd dat [vennootschap 1] op 3 april 2024 is ontbonden en bij gebrek aan baten is opgehouden te bestaan.
Op 13 mei 2025 heeft [eiseres] [gedaagde] aansprakelijk gesteld en gesommeerd om een herstelplan voor de kozijnen op te stellen en om zich te verbinden om de kozijnen te herstellen.
Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 september 2025 is [eiseres] jegens de VvE (onder andere) veroordeeld om alle buitenkozijnen, buitenramen en buitendeuren te vervangen.
3 Het geschil
in het incident
[gedaagde] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het geschil en de vorderingen van [gedaagde] kennis te nemen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure. Volgens [gedaagde] hebben [vennootschap 1] en [eiseres] in de garantieverklaring afgesproken dat een beroep op de garantie of geschillen daarover door arbitrage worden beslecht. Volgens [gedaagde] geldt dat ook voor de procedure tegen hem, omdat de garantieverklaring aan de vordering ten grondslag ligt.
[eiseres] betoogt dat de vordering in het incident moet worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten in het incident.
in de hoofdzaak
[eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt om een bedrag van € 17.048,69 te voldoen aan [eiseres] , zijnde de inmiddels geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen tot de dag der algehele voldoening;
II. [gedaagde] veroordeelt om een bedrag van € 165.546,15 te voldoen aan [eiseres] , zijnde de herstelkosten, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen tot de dag der algehele voldoening;
III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekenis van het vonnis, althans vanaf een door de rechtbank redelijk geachte termijn, na het in deze te wijzen vonnis, alsmede in de nakosten.
[eiseres] legt aan de vorderingen kort samengevat het volgende ten grondslag. [vennootschap 1] heeft aan [eiseres] kozijnen geleverd. [eiseres] heeft deze kozijnen gebruikt ten behoeve van het project, maar zij heeft deze kozijnen na een veroordelend vonnis moeten vervangen omdat de kozijnen van te slechte kwaliteit waren. Daardoor heeft [eiseres] schade geleden, waar [vennootschap 1] voor aansprakelijk is als leverancier van de kozijnen. [vennootschap 1] is echter ontbonden. [gedaagde] is volgens [eiseres] aansprakelijk als bestuurder van [vennootschap 1] omdat (i) hij ook zelf in privé garanties heeft afgegeven, (ii) hij bij het namens [vennootschap 1] aangaan van de overeenkomst en de garantieverklaring wist dat [vennootschap 1] haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen, en (iii) [gedaagde] heeft bewerkstelligd dat [vennootschap 1] haar verplichtingen niet nakwam door overeengekomen herstel- en controleverplichtingen niet uit te voeren en [vennootschap 1] te ontbinden op het moment dat de VvE [eiseres] aansprakelijk heeft gesteld.
[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, te verhogen met de wettelijke rente.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
in het incident
Het beroep van [gedaagde] op de arbitrageclausule in de garantieverklaring slaagt niet. Zoals [eiseres] terecht aanvoert, is de garantieverklaring gesloten tussen [eiseres] en [vennootschap 1]. Het gaat in deze zaak niet om een procedure door [eiseres] tegen [vennootschap 1] op grond van de garantieverklaring, maar om een procedure tegen [gedaagde] als indirecte bestuurder van [vennootschap 1] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. De garantieverklaring speelt wel een rol in de verwijten die [eiseres] maakt aan [gedaagde] in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid, maar dat maakt niet dat de garantieverklaring en daarmee de arbitrageclausule van toepassing zijn tussen [eiseres] en [gedaagde] . [gedaagde] kan daar dan ook geen beroep op doen. De rechtbank is dus bevoegd om van het geschil kennis te nemen en daarin te beslissen.
[gedaagde] is in het incident in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres] betalen. De proceskosten van [eiseres] in het incident worden begroot op:
|
- salaris advocaat |
€ |
653 |
(1 punt × € 653) |
|
- nakosten |
€ |
189 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
842 |
in de hoofdzaak
Inleiding
Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is jegens [eiseres] voor verplichtingen van een vennootschap ([vennootschap 1]) waar [gedaagde] indirect bestuurder van was.
Tussen partijen staat in de eerste plaats ter discussie of [vennootschap 1] nog verplichtingen had jegens [eiseres] uit hoofde van de overeenkomst of de garantieverklaring. Als [vennootschap 1] geen verplichtingen (meer) had, dan kan van aansprakelijkheid van [gedaagde] voor die verplichtingen als bestuurder geen sprake zijn. Partijen twisten in dat verband onder andere over de vragen hoe de gebreken in de kozijnen zijn ontstaan en of de geconstateerde gebreken onder de door [vennootschap 1] afgegeven garantieverklaring vallen. Deze vragen kunnen in deze procedure echter in het midden blijven. Ook als [vennootschap 1] gebrekkige kozijnen heeft geleverd en nog verplichtingen had jegens [eiseres] uit hoofde van de overeenkomst of de garantieverklaring, dan zou [gedaagde] daar als bestuurder naar het oordeel van de rechtbank niet aansprakelijk voor zijn. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
Geen persoonlijke garantie verstrekt
De rechtbank stelt voorop dat het standpunt van [eiseres] dat [gedaagde] in privé door middel van de garantieverklaring garanties heeft gegeven aan [eiseres] , niet wordt gevolgd. [gedaagde] heeft dat namelijk betwist, terwijl [eiseres] in de mail van 9 oktober 2019 waar zij naar verwijst, alleen heeft voorgesteld dat [gedaagde] naast [vennootschap 1] ook persoonlijk garanties verstrekt. Niet blijkt dat [gedaagde] op dat voorstel heeft gereageerd. Uit de daarna door [vennootschap 1] verstrekte garantieverklaring blijkt dat deze alleen is aangegaan door [vennootschap 1] als ‘garant’. [eiseres] kan jegens [gedaagde] dus niet direct een beroep doen op de garantieverklaring, omdat [gedaagde] daar geen partij bij is.
Geen sprake van niet-ontvankelijkheid
[gedaagde] stelt dat [eiseres] om verschillende redenen niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Deze verweren slagen niet, zoals hierna wordt toegelicht.
De enige (directe) bestuurder van [vennootschap 1] was [vennootschap 2]. [gedaagde] was en is bestuurder van [vennootschap 2], samen met mevrouw [naam]. [eiseres] spreekt in deze procedure alleen [gedaagde] aan als (indirect) bestuurder van [vennootschap 1]. Volgens [gedaagde] is [eiseres] niet-ontvankelijk omdat (i) [gedaagde] geen bestuurder was van [vennootschap 1] en (ii) [eiseres] op grond van de exceptio plurium litis consortium beide bestuurders van [vennootschap 2] had moeten dagvaarden.
De rechtbank volgt die verweren van [gedaagde] niet. Hoewel [vennootschap 2] inderdaad de directe bestuurder van [vennootschap 1] was, kan ook een enig indirect bestuurder op grond van onrechtmatige daad voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De verwijten die [eiseres] maakt zien uitsluitend op handelingen van [gedaagde] als degene die namens [vennootschap 1] al het contact heeft gehad met [eiseres] , namens [vennootschap 1] de overeenkomst heeft gesloten en de garantieverklaring heeft afgegeven. In die omstandigheden kan [gedaagde] door [eiseres] als indirect bestuurder worden aangesproken.
Evenmin is voldaan aan de vereisten voor de zogenaamde exceptio plurium litis consortium. Van de daarvoor vereiste processueel ondeelbare rechtsverhouding is namelijk geen sprake. Daarvan is pas sprake als het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van de betrokkenen in dezelfde zin luidt, maar die situatie doet zich niet voor. Het staat [eiseres] vrij om haar vordering tot een van de mogelijke aansprakelijke personen te beperken.
[gedaagde] stelt daarnaast dat [eiseres] te laat heeft geklaagd, [eiseres] hem niet in gebreke heeft gesteld en dat de vervaltermijn uit de garantieverklaring is verstreken. Deze verweren slagen niet, omdat de grondslag van de vordering van [eiseres] onrechtmatige daad is en niet (een tekortkoming in de nakoming van) de overeenkomst of de garantieverklaring. De klachtplicht is niet van toepassing op vorderingen uit onrechtmatige daad, tenzij de vordering uit onrechtmatige daad is gericht tegen de schuldenaar en is gegrond op feiten die tevens de stelling zouden rechtvaardigen dat de prestatie niet aan de verbintenis beantwoordt. Van die situatie is geen sprake. Ook een ingebrekestelling is niet vereist (artikel 6:83 sub b BW).
Bestuurdersaansprakelijkheid: uitgangspunten
De vervolgvraag is of [gedaagde] als indirect bestuurder van [vennootschap 1] aansprakelijk is jegens [eiseres] .
Een bestuurder is niet snel persoonlijk aansprakelijk voor zijn handelen als bestuurder van een vennootschap. Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, dan is het uitgangspunt dat alleen die vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is er, naast aansprakelijkheid van de vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van die vennootschap. Daarvoor is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap gelden dus hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.
Van een persoonlijk ernstig verwijt kan onder andere sprake zijn als komt vast te staan dat de bestuurder (i) bij het aangaan van een verbintenis wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de rechtspersoon niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade die daaruit volgde, of (ii) wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.
Het is in deze procedure aan [eiseres] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen (en zo nodig bewijzen), die tot de conclusie kunnen leiden dat [gedaagde] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. [eiseres] maakt [gedaagde] twee verwijten in het kader van de hiervoor (in paragraaf 4.13) onder (i) genoemde categorie van aansprakelijkheid en twee verwijten in het kader van de hiervoor onder (ii) genoemde categorie van aansprakelijkheid. Die verwijten worden hierna besproken.
Categorie (i): aangaan overeenkomst en garantieverklaring
Niet blijkt dat [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst met [eiseres] , en dus voordat de kozijnen waren geleverd, wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat [vennootschap 1] kozijnen van onvoldoende kwaliteit zou gaan leveren. [eiseres] wijst in dat verband op de duurzaamheidsklasse, namelijk dat hout van duurzaamheidsklasse III is geleverd in plaats van hout van duurzaamheidsklasse I of II. Zoals [gedaagde] terecht betoogt, blijkt echter niet dat is overeengekomen dat hout van duurzaamheidsklasse I of II zou worden geleverd of dat die duurzaamheidsklasse vereist was. [eiseres] voert ook aan dat de kozijnen niet over een KOMO-certificaat beschikte, maar dat was op voorhand al bij [eiseres] bekend (zoals blijkt uit de e-mail van [eiseres] van 12 september 2019). Het enkel leveren van kozijnen die achteraf bezien van onvoldoende kwaliteit waren (voor zover daar al sprake van was), is niet voldoende om een persoonlijk ernstig verwijt aan te nemen.
Ook bij het aangaan van de garantieverklaring op 17 oktober 2019 blijkt niet dat [gedaagde] wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat [vennootschap 1] over onvoldoende financiële middelen zou beschikken om haar te verwachten garantieverplichtingen na te komen. Op dat moment had [eiseres] weliswaar al geklaagd over de kwaliteit van de kozijnen, maar nergens blijkt uit dat [vennootschap 1] er toen al ernstig rekening mee moest houden dat de kozijnen uiteindelijk helemaal moesten worden vervangen. Partijen hebben in september 2019 overlegd over herstel van de kozijnen, waar ook uitvoering aan is gegeven voorafgaand aan oplevering van de appartementen. [eiseres] heeft de kozijnen in de appartementen geplaatst en de appartementen zijn opgeleverd. Uit het rapport van SHR van 22 januari 2021 volgt ook dat herstel nog mogelijk was, welk hersteladvies is geaccordeerd door PlanGarant. Uit deze gang van zaken blijkt niet dat rond 17 oktober 2019 al rekening kon worden gehouden met volledige vervanging van de kozijnen, maar wel dat rekening gehouden kon worden met enige herstelverplichting van [vennootschap 1].
[vennootschap 1] heeft ook uitvoering gegeven aan deze herstelverplichting. Eerst heeft herstel plaatsgevonden voorafgaand aan oplevering van de appartementen. Na oplevering heeft [vennootschap 1] scheuren in de kozijnen laten herstellen door [aannemer] in lijn met het rapport van SHR. [eiseres] heeft niet betwist dat [vennootschap 1] in totaal € 49.684,63 aan herstelkosten heeft gemaakt, ten opzichte van een prijs voor de kozijnen van € 95.250 (exclusief btw). [vennootschap 1] had dus wel degelijk significante middelen beschikbaar om aan haar garantieverplichtingen te voldoen en heeft die middelen daar ook voor ingezet. Bovendien heeft [gedaagde] toegelicht dat hij op het moment van het aangaan van de garantieverklaring nog geen voornemen had om [vennootschap 1] te ontbinden. Het voornemen bestond om meerdere projecten uit te voeren, maar daar is het uiteindelijk niet van gekomen. Pas daarna heeft [gedaagde] – bijna vijf jaar na levering van de kozijnen – besloten om [vennootschap 1] te ontbinden gezien de kosten die het in stand houden van de vennootschap meebrachten en het gebrek aan baten. Dat de middelen voor herstel die [vennootschap 1] bij afgifte van de garantieverklaring beschikbaar had achteraf bezien mogelijk niet voldoende waren, had [gedaagde] bij het aangaan van de garantieverklaring redelijkerwijs dus niet hoeven te verwachten.
Categorie (ii): ontbinding en controleverplichtingen
[eiseres] stelt verder dat [gedaagde] [vennootschap 1] heeft ontbonden precies op het moment dat de VvE [eiseres] aansprakelijk heeft gesteld voor de gebrekkige kozijnen. De rechtbank begrijpt dit verwijt zo dat [gedaagde] daarmee (volgens [eiseres] ) heeft bewerkstelligd dat [vennootschap 1] haar (garantie)verplichtingen niet kon nakomen. [gedaagde] heeft aan de hand van de jaarrekeningen van [vennootschap 1] echter onderbouwd dat [vennootschap 1] vlak voor ontbinding niet meer over noemenswaardige baten beschikte. [gedaagde] kon [vennootschap 1] bij gebrek aan baten dus ontbinden. [eiseres] heeft dat niet betwist. Het enkele feit dat [vennootschap 1] is ontbonden terwijl zij (mogelijk) nog lopende garantieverplichtingen had, is onvoldoende om bestuurdersaansprakelijkheid aan te nemen. Daarvoor zijn aanvullende omstandigheden nodig. Die omstandigheden heeft [eiseres] niet gesteld.
Ten slotte stelt [eiseres] dat [gedaagde] als bestuurder van [vennootschap 1] heeft bewerkstelligd dat de schade opliep, omdat [vennootschap 1] was overeengekomen om controles uit te voeren en herstelwerkzaamheden te verrichten en dat heeft nagelaten. [vennootschap 1] heeft echter naar aanleiding van het rapport van SHR van 22 januari 2021 de initiële herstelwerkzaamheden laten uitvoeren door [aannemer]. In dat rapport is ook vermeld dat de kozijnen in de vijf jaar na herstel vaak gecontroleerd moeten worden, maar nergens blijkt uit dat [vennootschap 1] de verplichting had om die controles uit te voeren. [eiseres] heeft ook niet toegelicht in hoeverre nadere controles of herstelwerkzaamheden verdere schade of de noodzaak tot vervanging van de kozijnen zou hebben voorkomen. Voor zover [eiseres] verwijt dat [vennootschap 1] haar herstelverplichtingen uit hoofde van de garantieverklaring niet is nagekomen, geldt dat het enkel niet nakomen van verplichtingen door een vennootschap onvoldoende is om bestuurdersaansprakelijkheid aan te nemen. Ook dit verwijt leidt bij gebrek aan aanvullende omstandigheden dus niet tot aansprakelijkheid van [gedaagde] als bestuurder.
Conclusie
Samengevat heeft [eiseres] haar stelling dat [gedaagde] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt onvoldoende onderbouwd, mede gezien de hoge drempel die daarvoor geldt. De vorderingen van [eiseres] worden daarom afgewezen.
Proceskosten
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
2.723 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
4.102 |
(2 punten × € 2.051) |
|
- nakosten |
€ |
189 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
7.014 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
[gedaagde] heeft verzocht om bij afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , [eiseres] te veroordelen in de werkelijke proceskosten of proceskosten die hoger zijn de gebruikelijke proceskosten. Daar ziet de rechtbank geen aanleiding voor. Voor toewijzing van de werkelijke proceskosten is alleen plaats in geval van buitengewone omstandigheden. Daarvan is sprake als het instellen van de vordering of het voeren van verweer daarin, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als eiser zijn vordering of gedaagde zijn verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure of het voeren van verweer daarin past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. Van de hiervoor bedoelde buitengewone omstandigheden is geen sprake.
5 De beslissing
De rechtbank:
in het incident
wijst de vordering van [gedaagde] af;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 842, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
in de hoofdzaak
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 7.014, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseres] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
in het incident en in de hoofdzaak
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.J. Doornink en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.
3557