Personen- en familierecht

Verzoek vervangende toestemming paspoort door gecertificeerde instelling.

Rechtbank Den Haag, 12 mei 2025

Zaakgegevens

Op 12 mei 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
12 mei 2025
Datum publicatie
12 augustus 2025
Zaaknummer
C/09/681987 / FA RK 25-1988
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Advocaat
mr. S.O. Zengin te [geboorteplaats 2] .
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:15042
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek vervangende toestemming paspoort door gecertificeerde instelling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 25-1988

Zaaknummer: C/09/681987

Datum beschikking: 12 mei 2025

Paspoortwet

Beschikking op het op 18 maart 2025 ingekomen verzoek van:

William Schrikker Stichting voor Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna: de gecertificeerde instelling.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S.O. Zengin te [geboorteplaats 2] .

[de vader] ,

de vader,

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;

  • de brief van de moeder van 24 april 2025.

De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.

Op 25 april 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.

De moeder en de vader zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Verzoek en verweer

De gecertificeerde verzoekt de rechtbank vervangende toestemming te verlenen voor het verkrijgen van een reisdocument zoals bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Paspoortwet ten behoeve van de na te melden minderjarigen.

De moeder heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.

Feiten

  • De vader en de moeder zijn gehuwd op [datum] 2012.

  • Tijdens het huwelijk van de vader en de moeder zijn de volgende, nog minderjarige

kinderen geboren:

­ [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] ;

­ [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2] (roepnaam: [minderjarige 2] );

­ [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2020 te [geboorteplaats 2] ;

­ [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2021 te [geboorteplaats 2] (roepnaam: [minderjarige 4] );

  • De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.

  • De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 maart 2025 de ondertoezichtstelling verlengd tot 13 maart 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is een gezinsgerichte voorziening is verlengd tot 30 mei 2025 en aangehouden voor het overige.

Beoordeling

Wettelijk kader

Op grond van artikel 36, lid 1 Paspoortwet kan bij de aanvraag ten behoeve van een minderjarige die onder toezicht is gesteld en jonger is dan zestien jaar, indien één of beide personen die het gezag over de minderjarige uitoefenen, weigeren een verklaring van toestemming als bedoeld in artikel 34, eerste lid, Paspoortwet, af te geven, in plaats van die verklaring een verklaring van toestemming van de bevoegde rechter worden overgelegd. Blijkens het tweede lid van eerstgenoemd artikel kan een verklaring van toestemming worden afgegeven op verzoek van een stichting dan wel een gecertificeerde instelling, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, thans analoog art. 1.1 Jeugdwet. De rechter geeft een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Inhoudelijke beoordeling

De gecertificeerde instelling voert ter onderbouwing van het verzoek aan dat vanaf de start van de plaatsing van de kinderen in het gezinshuis aan de moeder is verzocht om toestemming te geven voor de aanvraag van identiteitskaarten voor de kinderen. De moeder heeft deze toestemming tot op heden echter niet gegeven. Dat leidt ertoe dat de kinderen niet met het gezinshuis op vakantie kunnen, maar ook dat benodigde zorg en behandeling niet kan starten vanwege het ontbreken van identiteitskaarten.

Hoewel de rechtbank uit het schriftelijk standpunt van de moeder afleidt dat zij het in beginsel eens is met de aanvraag van identiteitskaarten voor de kinderen, is ook gebleken dat het tot op heden niet is gelukt om haar formele toestemming op papier te krijgen. Nu de kinderen een identiteitsbewijs nodig hebben kan daar niet later op worden gewacht. De rechtbank zal het verzoek van de gecertificeerde instelling daarom toewijzen en vervangende toestemming verlenen, die zowel de toestemming van de moeder als die van de vader vervangt, voor de aanvraag van identiteitskaarten voor de kinderen.

Beslissing

De rechtbank:

verleent toestemming aan de gecertificeerde instelling – welke toestemming die van de vader en de moeder vervangt – ten behoeve van de aanvraag van een reisdocument voor:

­ [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] ;

­ [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2] ;

­ [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2020 te [geboorteplaats 2] ;

­ [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2021 te [geboorteplaats 2] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 mei 2025.