Personen- en familierecht

Verzoek omgangsregeling tussen kinderen en hun tante en grootouders. Beoordeling of er sprake is van een…

Rechtbank Gelderland, 19 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 19 oktober 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Zutphen
Datum uitspraak
19 oktober 2026
Datum publicatie
16 oktober 2026
Zaaknummer
C/05/467503
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:8110
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek omgangsregeling tussen kinderen en hun tante en grootouders. Beoordeling of er sprake is van een ‘nauwe persoonlijke betrekking’ in de zin van artikel 1:377a lid 1 BW. Alleen grootouders zijn ontvankelijk in hun verzoek, omdat hun band verder gaat dan de normale band tussen grootouders en kleinkinderen. Tante niet-ontvankelijk verklaard vanwege normale band met de kinderen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaakgegevens: C/05/467503 / FZ RK 26-1363

Datum uitspraak: 19 oktober 2026

beschikking omgangsregeling

in de zaak van

[grootouder 1] en

[grootouder 2] ,
(hierna: de grootouders) en

[de tante 1] (hierna: de tante)

allen wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. M.M.H. Ceelen te Doetinchem

tegen

[de vader] (hierna: de vader),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. N. van de Gevel te Doetinchem

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met producties 1 t/m 18, ingekomen bij de griffie op 20 mei 2026;

- het verweerschrift ingekomen bij de griffie op 11 september 2026;

- het aanvullende verzoek met producties 19 en 20, ingekomen bij de griffie op 15 september 2026;

- de brief van mr. Van de Gevel van 16 september 2026;

- de brief van de grootouders, overgelegd en voorgelezen ter zitting van 21 september 2026;

- de spreekaantekeningen van mr. Van de Gevel, overgelegd en voorgelezen ter zitting van 21 september 2026.

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling van 21 september 2026 zijn gehoord:

- de grootouders en de tante, bijgestaan door mr. Ceelen;

- de vader, bijgestaan door mr. Van de Gevel;

- een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

1.3.

Het kind [minderjarige 1] heeft per brief van 6 juli 2026 haar mening over het verzoek aan de rechtbank gegeven.

2 De feiten

2.1.

Uit het huwelijk van de vader en de moeder, [de moeder] , zijn geboren de minderjarige kinderen:

  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2015 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ;

  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .

2.2.

De moeder is op [datum] overleden, waardoor de vader sindsdien alleen is belast met het gezag.

3 Het verzoek

3.1.

De grootouders en de tante zijn de ouders en de zus van de moeder. Zij verzoeken de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om het weekend van vrijdag 14:15 uit school tot zondag 16:00 bij de grootouders of [de tante 1] of [de tante 2] verblijven, waarbij de overdracht wordt verzorgd door [persoon 1] danwel [persoon 2] danwel een dusdanige regeling als de rechtbank in goede justitie zal bepalen.

3.2.

Aanvullend hebben de grootouders en de tante de rechtbank gevraagd om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een bijzondere curator te benoemen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

4 Het verweer

4.1.

De vader concludeert primair tot niet-ontvankelijk verklaring van de grootouders en de tante in hun verzoek omdat er geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking met de kinderen, die er volgens de wet wel moet zijn voordat een verzoek om omgang in behandeling kan worden genomen. Voor zover de rechtbank wel van oordeel is dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking, verzoekt de vader de verzoeken af te wijzen, omdat de regeling niet in het belang van de kinderen is.

5 Het advies van de Raad

5.1.

De zittingsvertegenwoordigster van de Raad adviseert om in de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen omgangsregeling vast te leggen. Hoewel de Raad begrip heeft voor het verlies van de grootouders en de tante, zal er ruimte en respect moeten zijn voor de vader aangezien hij de vader en de opvoeder van de kinderen is. Het is aan de vader om te beslissen over het contact tussen de kinderen en hun grootouders en tante. De vader is belangrijk voor de kinderen en de kinderen moeten kunnen ervaren dat zij bij de vader terecht kunnen, en dat hij ook degene is die beslissingen neemt.

6 De beoordeling

Ontvankelijkheid en wettelijk kader

6.1.

De rechtbank zal allereerst moeten beoordelen of de grootouders en de tante ontvankelijk zijn in hun verzoek. Dat houdt in dat wordt nagegaan of het verzoek voldoet aan alle wettelijke en procedurele voorwaarden waardoor de rechtbank inhoudelijk kan ingaan op de verzoeken. De rechtbank verklaart de tante niet-ontvankelijk in haar verzoek en de grootouders wel ontvankelijk. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom.

6.2.

Op grond van artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die ‘in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat’. Alleen deze personen kunnen de rechtbank vragen om een omgangsregeling vast te stellen. Andere personen kunnen dat niet. De vraag die de rechtbank daarom eerst afzonderlijk voor zowel de grootouders als de tante moet beantwoorden, is of de grootouders en de tante ‘in een nauwe persoonlijke betrekking staan’ tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

6.3.

Volgens vaste Nederlandse rechtspraak is er een ‘nauwe persoonlijke betrekking’ in de zin van artikel 1:377a lid 1 BW tussen een (klein)kind en zijn of haar grootouder(s) en tante als sprake is van een band die verder gaat dan de normale band tussen grootouders en kleinkinderen of tussen kinderen en tante. Niet iedere grootouder of tante kan, met andere woorden, om een omgangsregeling vragen. Alleen wanneer er bijkomende omstandigheden zijn waaruit blijkt dat er sprake is van méér dan de gebruikelijke contacten zijn zij ontvankelijk in hun verzoek en ontstaat er een recht op omgang. Omstandigheden die hierbij een rol kunnen spelen zijn bijvoorbeeld inwoning, regelmatige verzorging en opvoeding, een intensieve oppasregeling of omgangscontacten na een uithuisplaatsing.

6.4.

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) neemt beslissingen in zaken van burgers tegen lidstaten van de Raad van Europa. Lidstaten moeten de rechten van de burgers, zoals het recht op family life van artikel 8 EVRM, voldoende beschermen. Net als de Nederlandse rechter toetst het EHRM aan de hand van de concrete omstandigheden in een zaak of er sufficiently close family ties, oftewel nauwe persoonlijke betrekkingen, zijn. Een verschil tussen de rechtspraak van het EHRM en de Nederlandse rechtspraak is dat de lat bij de Nederlandse rechter over het algemeen hoger ligt. Het EHRM vindt, met andere woorden, sneller dat sprake is van sufficiently close family ties dan de Nederlandse rechter.

6.5.

Ingevolge artikel 1:250 lid 1 BW, voor zover hier van belang, kan de rechtbank, indien in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding de belangen van de met het gezag belaste ouder in strijd zijn met die van de minderjarige, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.

Het verzoek van de tante

6.6.

De rechtbank zal voor zowel de grootouders als de tante afzonderlijk moeten beoordelen of zij met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] een band hebben die verder gaat dan de normale band met grootouders/tante en of er dus sprake is van een ‘nauwe persoonlijke betrekking’ in de zin van de Nederlandse wet en de vaste Nederlandse rechtspraak. De rechtbank is van oordeel dat dit voor de tante niet zo is en weegt daarbij het volgende mee.

6.7.

Uit de stukken en de toelichting tijdens de zitting is gebleken dat de tante voor het overlijden van de moeder van de kinderen (haar zus) regelmatig bij de kinderen heeft opgepast. Na het overlijden van de moeder heeft zij aanvankelijk eenmaal per twee weken op de vrijdag opgepast en daarna had zij wekelijks op de vrijdag een vaste oppasdag. Deze wekelijkse oppasdag past naar het oordeel van de rechtbank bij het normale (warme) contact tussen de kinderen en hun tante. Niet is gebleken van andere omstandigheden op basis waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat de tante een band heeft met de kinderen die verder gaat dan een normale familieband. De rechtbank is van oordeel dat de drempel voor de ontvankelijkheid ten aanzien van de tante niet wordt gehaald en daarom zal de rechtbank niet inhoudelijk ingaan op de (on)mogelijkheden voor het vaststellen van een omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun tante.

6.8.

Dat er geen sprake is van een ‘nauwe persoonlijke betrekking’ in de zin van de wet betekent vanzelfsprekend niet dat er geen sprake is van een hechte en liefdevolle band tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun tante. Het is de rechtbank tijdens de zitting duidelijk geworden dat niet alleen de grootouders, maar ook de tante van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] veel van de kinderen houdt en dat het gemis door het stoppen van het contact groot is. De rechtbank heeft oog voor dit verdriet en wil benadrukken dat deze uitspraak niets afdoet aan die hechte band en het grote gemis.

Het verzoek van de grootouders

6.9.

Ten aanzien van de grootouders is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een andere situatie, waardoor zij wel (nipt) de strenge toets van de ontvankelijkheid kunnen doorstaan. Bij de grootouders is er een periode geweest waarin zij tweemaal per week op de kinderen hebben gepast en er is sprake geweest van een intensieve aanwezigheid, zeker in de periode van het ziekbed en na het overlijden van de moeder. De grootouders waren in die periode dagelijks binnen het gezin aanwezig. Daarnaast hebben de grootouders ook nog de vaste oppasdag van de oma vaderszijde gedurende een periode overgenomen rondom het overlijden van de opa vaderszijde en ook toen deze oma gezondheidsproblemen had. Dat is door de vader ook niet ontkend. Dit alles maakt dat de grootouders wel kunnen worden ontvangen in hun verzoek en dat de rechtbank een inhoudelijk oordeel zal geven.

6.10.

De rechtbank wil allereerst nogmaals benoemen dat het triest is dat het zover is gekomen dat de grootouders nu tegenover de vader staan in een procedure over de omgang met de kinderen. Het is duidelijk dat alle partijen een groot verlies hebben geleden door het overlijden van de moeder en dat het daarna volledig spaak is gelopen in de onderlinge verhoudingen. Dit is buitengewoon pijnlijk voor de vader en de grootouders, maar vooral ook voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn nog erg jong en hebben een vader die belangrijk voor hen is. Daarnaast is ook de familie van de moeder belangrijk voor hen en het is dan ook bijzonder spijtig dat het de volwassenen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heen niet is gelukt om de onderlinge verhoudingen en het contact te herstellen.

6.11.

Net als de Raad, benadrukt de rechtbank dat het voor de identiteitsontwikkeling van beide kinderen belangrijk is dat zij contact kunnen hebben met de familie van hun moeder. De grootouders (en ook de tante) hebben een waardevol verhaal voor de kinderen. Zij hebben de moeder haar hele leven gekend en zij zijn daarom een belangrijke factor bij de identiteitsvorming van de kinderen. Belangrijk is echter ook de rol van de vader en de positie die hij heeft ten aanzien van de kinderen. De Raad heeft ter zitting uitgelegd dat hij als verzorger en opvoeder van de kinderen de belangrijkste rol heeft, en dat hij hierbij ruimte en respect verdient. Het is de vader die in de ontstane situatie als opvoeder van de kinderen zijn verantwoordelijkheid moet kunnen nemen en het moet dan ook aan hem worden gelaten om beslissingen te nemen over het contact tussen de kinderen en de grootouders. Om die reden zal de rechtbank geen regeling vastleggen.

6.12.

De rechtbank ziet ook geen reden om een bijzondere curator te benoemen op grond van artikel 1:250 BW, omdat er geen sprake is van conflicterende belangen tussen de gezaghebbende vader en de kinderen. Het is weliswaar lastig voor de vader om het contact tussen de kinderen en de grootouders te faciliteren vanwege het wantrouwen dat hij inmiddels heeft ervaren in het contact met de familie van de moeder, echter heeft de vader tijdens de zitting uitgelegd dat hij wel wil zoeken naar een manier waarop het contact voorzichtig en onder emotioneel veilige omstandigheden hersteld kan worden. Om die reden kan er niet worden gesteld dat de belangen van de kinderen in conflict zijn met de belangen van de vader. De rechtbank zal daarom het verzoek om een bijzondere curator te benoemen, afwijzen.

6.13.

De rechtbank wil de familie van de moeder en ook de vader wel meegeven dat het, zoals de Raad tijdens de zitting heeft geadviseerd, belangrijk is dat er professionele begeleiding wordt ingeschakeld om het proces om in kleine stappen te komen tot contactherstel te begeleiden. Op deze manier kan zowel de vader als de familie van de moeder met een ter zake kundige van gedachten wisselen over de manier waarop dit vorm kan krijgen en daarover gevoelens uiten, zonder dat de kinderen hiermee worden belast. De Raad heeft aangegeven dat deze hulpverlening (die geboden zal kunnen worden door een organisatie als [organisatie] ) ingezet kan worden via het wijkteam van de gemeente. De rechtbank spreekt de hoop uit dat het partijen lukt om onder professionele begeleiding voorzichtige stappen te zetten in het proces van contactherstel. Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de vader en de familie van de moeder in een dorp wonen waar zij elkaar allemaal regelmatig tegenkomen, is het belangrijk dat zij met enige voortvarendheid op zoek gaan naar begeleiding om laagdrempelig contact mogelijk te maken.

7 De beslissing

De rechtbank

7.1.

verklaart de tante niet-ontvankelijk in haar verzoek;

7.2.

wijst de verzoeken van de grootouders af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. Troost, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van R.G.A. Bergevoet-Welling als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

-door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

-door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!