Personen- en familierecht

Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing.

Rechtbank Noord-Holland, 29 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Alkmaar
Datum uitspraak
29 oktober 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
C/15/383760
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:14775
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Alkmaar

Zaaknummer: C/15/383760 / JU RK 26-1643

Datum uitspraak: 29 oktober 2026

Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam,

hierna te noemen de GI,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 29 oktober 2026.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

2.2.

[de minderjarige] woont bij de moeder in een aanleunwoning van [zorgorganisatie] .

2.3.

Bij beschikking van de kinderrechter van 25 april 2024 is [de minderjarige] onder

toezicht gesteld van de GI tot 25 april 2025. De ondertoezichtstelling is voor het laatst bij beschikking van 23 april 2026 verlengd tot 25 april 2027.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een (netwerk) pleeggezin te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

3.2.

De GI verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een (netwerk) pleeggezin voor de duur van 3 maanden.

4 De beoordeling

4.1.

De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen.

De jeugdbeschermer maakt zich zorgen over de emotieregulatie van moeder. Moeder heeft een kort lontje en vader weet precies hoe hij moeder kan triggeren. Het lukt moeder niet altijd om dit te negeren, waardoor dit contact vaak uitloopt in een conflict. Moeder was aangemeld bij Queeste voor het volgen van therapie gericht op haar trauma's en emotieregulatie. Echter verschijnt moeder niet op afspraken, waardoor de therapie niet verder van de grond is gekomen. De jeugdbeschermer maakt zich grote zorgen over de relatie tussen ouders. Op dit moment hebben zij geen relatie, maar het lukt moeder niet altijd om het contact minimaal te houden. Ouders hebben veel ruzie met elkaar. Deze ruzies gaan vaak gepaard met geschreeuw en ook worden ouders soms fysiek naar elkaar of de omgeving. Op de momenten dat moeder het contact met vader verbreekt, merkt zij dat dit beter is voor zowel zichzelf als voor [de minderjarige] . Wel heeft moeder er soms moeite mee, omdat ze dan zijn aanwezigheid mist en graag een gezin wil vormen voor [de minderjarige] . Op momenten dat moeder het contact verbreekt, lijkt vader toch ongewenst langs te komen. Vader stuurt dan in berichtjes naar moeder dat hij in de buurt is. Al met al blijkt dat moeder niet eerlijk is tegenover de hulpverlening over het contact met vader en het drugsgebruik van moeder. Moeder gebruikt drugs terwijl zij verantwoordelijk is voor de zorg van [de minderjarige] , waardoor zij onvoldoende beschikbaar is voor hem. [de minderjarige] heeft gezien zijn jonge leeftijd van twee jaar, voortdurend een beschikbare opvoeder nodig die in staat is om hem de zorg en aandacht te bieden die hij nodig heeft. Hiernaast wordt [de minderjarige] mogelijk blootgesteld aan ruzies en fysieke geweld tussen de ouders. Dit is voor [de minderjarige] schadelijk omdat hij zich emotioneel onveilig voelt, maar ook fysiek gewond kan raken tijdens de ruzies tussen zijn ouders. Omdat moeder niet open is naar de hulpverlening toe, kan niet op een ander manier hulp worden aangeboden.

4.2.

Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van zijn geestelijke toestand en onderzoek van zijn lichamelijke toestand dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.

4.3.

De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.

4.4.

De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

4.5.

De GI en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een (netwerk) pleeggezin met ingang van 29 oktober 2026 tot 26 november 2026;

5.2.

verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad

5.3.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;

5.4.

roept de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van

mr. S.I.A.C. Angenent - Bakker op [datum] in het gerechtsgebouw van deze rechtbank aan de Kruseman van Eltenweg 2 in Alkmaar;

5.5.

bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.W.S. Kiliç, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2026, in aanwezigheid van L. de Greef als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).