Personen- en familierecht

Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot…

Rechtbank Noord-Holland, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
C/15/383773
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:14790
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/383773 / JU RK 26-1645

Datum uitspraak: 27 oktober 2026

Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,

hierna te noemen: de Raad,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats] ,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna te noemen: de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

  • het mondelinge verzoek van de Raad op 27 oktober 2026;

  • de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 29 oktober 2026.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

2.2.

[de minderjarige] woont bij haar ouders.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij een pleeggezin te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4 De beoordeling

4.1.

De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Uit (de telefonische toelichting op) het verzoek is gebleken dat er bij Veilig Thuis meldingen zijn gedaan over een onveilige thuissituatie van [de minderjarige] . Zij wordt regelmatig blootgesteld aan fysiek geweld van de vader richting de moeder. De vader zou de moeder regelmatig slaan en verwurgen, ook in het bijzijn van [de minderjarige] . De vader, die al vanaf jonge leeftijd in aanraking is gekomen met politie en justitie, zou de moeder ook onderwerpen aan dwingende controle en intieme terreur. Zo zou de moeder bijna al haar gesprekken opnemen zodat de vader haar kan controleren en zou er een tracker onder haar scooter zijn geplaatst. Ook de zus van de moeder en oma mz zouden door de vader en zijn netwerk worden bedreigd. De vader is sinds 3 oktober 2026 gedetineerd en komt donderdag 29 oktober 2026 vervroegd op vrije voeten wegens het cellentekort. Afgaande op de door de Raad verstrekte informatie, zou de moeder openstaan voor het voortzetten van de relatie met de vader na zijn vrijlating. Zij trekt haar meldingen over de vader in. Dit is eerder voorgekomen en past volgens de Raad binnen het patroon van dwingende controle/huiselijk geweld waarbij de moeder geen ruimte heeft/ziet om de relatie met de vader veilig te verlaten. Met deze kinderbeschermingsmaatregelen wil de kinderrechter voorkomen dat [de minderjarige] opnieuw wordt blootgesteld aan een onveilige thuissituatie. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoed machtiging uithuisplaatsing voor [de minderjarige] dringend noodzakelijk zijn.

4.2.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.

4.3.

Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.

4.4.

De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.

4.5.

De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

4.6.

De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

stelt [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers met ingang van 27 oktober 2026 tot 27 januari 2027;

5.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 27 oktober 2026 tot 24 november 2026;

5.3.

verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;

5.5.

roept de Raad, de belanghebbenden en de GI op voor de zitting van mr. B.M.A. Bataille op [datum] in het gerechtsgebouw van deze rechtbank aan Simon de Vrieshof 1 in Haarlem.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2026 door mr. W.P. van der Haak, kinderrechter, in aanwezigheid van L.I. Fernandes Paredes als griffier, en op schrift gesteld op 29 oktober 2026 en ondertekend door mr. J. Lintjer.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.

Artikel 1:257 BW. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).