Personen- en familierecht
Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij. Afwijzing deskundigenonderzoek
Rechtbank Den Haag, 28 april 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:4184 · Rechtbank Den Haag · 28 april 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/personen-en-familierecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2022-4184
Zaakgegevens
Op 28 april 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 28 april 2022
- Datum publicatie
- 3 mei 2022
- Zaaknummer
- C/09/618355 / FA RK 21-6478
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P.H.J. Körver
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2022:4184
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij.
Afwijzing deskundigenonderzoek
Uitspraak
rechtbank DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/618355 /FA RK 21-6478
Datum uitspraak: 28 april 2022
Beschikking van de meervoudige kamer
Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij
Afwijzing deskundigenonderzoek
in de zaak naar aanleiding van het ingekomen verzoek van:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,hierna te noemen: de Raad,
betreffende:
[minderjarige] geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats] ,hierna te noemen: [minderjarige]
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de vrouw] hierna te noemen: de moeder,wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. P.H.J. Körver, gevestigd te Den Haag,
en
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
de beoogd voogdes.
Het procesverloop
Bij beschikking van 30 december 2021 is de behandeling van het verzoek aangehouden en verwezen naar de meervoudige kamer in deze rechtbank.
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
-
het verzoekschrift van 23 september 2021, met bijlagen;
-
de aanvullende stukken van 19 oktober 2021 van de Raad;
-
de brief van 19 januari 2022 van de advocaat;
-
de producties van 22 maart 2022 van de advocaat;
-
de aanvullende stukken van 22 maart 2022 van de Raad.
Op 25 maart 2022 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:
-
de moeder met mr. P.H.J. Körver en mr. A. Cremer;
-
[tolk] in de Duitse taal;
-
[vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;
-
[vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling.
[minderjarige] is op 18 maart 2022 door de kinderrechter in raadkamer gehoord.
De vader heeft blijkens een uittreksel uit het systeem ingevolge de wet BRP geen bekende woon- of verblijfplaats binnen Nederland. De vader is daarom openbaar opgeroepen door middel van een advertentie in de Staatscourant van 1 april 2022. De vader is evenwel niet verschenen.
Verzoek
De Raad handhaaft het op 21 september 2021 ingediende verzoek tot het beëindigen van het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] met benoeming van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden tot voogdes over [minderjarige]
De Raad heeft hieraan, samengevat, ten grondslag gelegd dat bij [minderjarige] sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, omdat hij (mede blijkens door de politie gevonden foto’s, wiet en wapens in het huis en hetgeen [minderjarige] heeft verteld) is bloot gesteld aan onveilige situaties, waarbij de moeder (seksuele) omgang heeft met meerdere mannen, waarbij drugs wordt gebruikt en waarvan [minderjarige] getuige is, omdat de moeder erg verward is en verbaal en fysiek agressief richting [minderjarige] en omdat er (ook door de scholen geuite) zorgen zijn over zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Gelet op hetgeen [minderjarige] heeft meegemaakt en zijn behoefte aan rust en duidelijkheid is sprake van een korte aanvaardbare termijn, die inmiddels is verstreken.
In aanvulling op het verzoek van 21 september 2021 en de toelichting tijdens de mondelinge behandeling van 30 december 2021 heeft de Raad het volgende naar voren gebracht.
Er is nader onderzoek gedaan omdat er enige tijd is verstreken sinds de indiening van het verzoek en omdat een positieve verandering bij de moeder zichtbaar is. Uit het onderzoek blijkt echter dat er onverkort ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] zijn en dat de voor [minderjarige] aanvaardbare termijn – waarbinnen hij onzekerheid kan verdragen – is verstreken. De ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] is voornamelijk gelegen in zijn kwetsbaarheid en sociaal-emotionele ontwikkeling. Hij is angstig en legt daarnaast moeilijk contacten en maakt moeilijk vriendschappen. [minderjarige] heeft in zijn leven veel meegemaakt en veel instabiliteit gekend. Ook lijkt hij weinig veiligheid te hebben gekend. [minderjarige] heeft veel wisselingen in woonsituaties maar ook in opvoedsituaties gehad, en contacten gehad met mensen (vader, opa en oma, partners van moeder) die plotseling weer gestopt zijn. Daarbij komt dat [minderjarige] betrokken is geweest bij de zorgelijke en heftige crisissituatie van de moeder afgelopen jaar. De moeder was toen erg in de war, vertoonde vreemd gedrag richting [minderjarige] en de hulpverlening en ontkende de moeder van [minderjarige] te zijn. Het is zeer goed mogelijk dat dit invloed heeft (gehad) op het functioneren van [minderjarige] en dat hij als gevolg hiervan bepaalde trauma’s heeft opgelopen. De moeder heeft een andere lezing van de gebeurtenissen dan [minderjarige] en de hulpverlening hebben. Dit is voor [minderjarige] lastig omdat zij daarmee zijn ervaringen, gevoelens en emoties niet erkent. De (vertrouwens)band tussen de moeder en [minderjarige] is ernstig beschadigd geraakt en een gebrek aan erkenning van zijn belevingswereld bemoeilijkt de wederopbouw van deze band.
Voorstelbaar is dat [minderjarige] trauma’s heeft opgelopen, hij heeft in de afgelopen maanden ook last gehad van nachtmerries en dat hij daarvoor behandeling nodig heeft, maar hij heeft daar nu geen ruimte voor omdat hij onduidelijkheid ervaart ten aanzien van zijn opvoedperspectief. Er is rust en zekerheid nodig voor [minderjarige] zodat hij kan toekomen aan behandeling en aan zijn eigen ontwikkeling. Vanuit die rust kan er op afstand aan contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder worden gewerkt. De Raad ziet dat het niet lukt om op zeer korte termijn de band, de relatie en vooral het vertrouwen tussen [minderjarige] en de moeder zo te verbeteren dat [minderjarige] weer volledig bij de moeder thuis kan wonen. Dit afgezien van de vraag of de moeder haar leven op orde heeft en een basis aan [minderjarige] kan bieden. Het perspectief van [minderjarige] ligt volgens de Raad niet meer bij de moeder. [minderjarige] lijkt rust te hebben gevonden in de gedachte dat hij bij de pleegvader mag blijven wonen en geeft stellig aan dat hij niet terug wil naar de moeder. Naar omstandigheden gaat het goed met [minderjarige] bij de pleegvader. In het belang van [minderjarige] moet doorslaggevende waarde worden toegekend aan de behoefte van [minderjarige] aan zekerheid op het opvoedperspectief. Indien de rechtbank van oordeel is dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] nog niet is verstreken, dan is de Raad van mening dat de verwachting niet bestaat dat de moeder de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor hem aanvaardbare termijn zal kunnen dragen.
Standpunten
Standpunt gecertificeerde instelling
De gecertificeerde instelling stemt in met het verzoek van de Raad en heeft zich bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden. Het gaat erg goed met [minderjarige] bij de pleegvader. De pleegvader heeft toegezegd een perspectiefbiedende plek voor [minderjarige] te willen zijn. In de visie van de gecertificeerde instelling is het in het belang van [minderjarige] om op te groeien bij de pleegvader. Ondertussen wordt voorzichtig gewerkt aan contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] Hoewel [minderjarige] contact met de moeder fijn vindt, wordt gezien dat de bezoeken een stressreactie bij hem opleveren. De stressreactie ziet vooral op de momenten waarop de moeder zegt dat [minderjarige] weer bij haar kan wonen. In een zekere zin moet [minderjarige] gedwongen worden tot het contact met de moeder. Hij geeft aan niet te willen of geen zin te hebben, loopt weg en heeft nachtmerries rondom de bezoeken. Er is weinig ruimte bij [minderjarige] om consequent tweewekelijks contact met de moeder te hebben. Gezien wordt dat het de moeder niet goed lukt om tijdens de bezoeken aan te sluiten bij [minderjarige] en om sensitief op hem te reageren. Het is lastig voor haar om erkenning te geven aan zijn belevingswereld. Met de moeder worden veiligheidsafspraken gemaakt voor de bezoeken. Het lukt haar echter niet altijd om deze afspraken na te leven en dan moet het bezoek worden afgebroken. De gecertificeerde instelling hoopt dat er een vaste frequentie gevonden kan worden voor de omgang zodat dit duidelijkheid aan [minderjarige] en de moeder geeft. Desgevraagd licht de jeugdbeschermer tijdens de mondelinge behandeling toe dat de betrokken gedragswetenschapper van Jeugdformaat een indicatie heeft gegeven dat EMDR behandeling [minderjarige] zal helpen en hem ook kan helpen in het contact met de moeder. Het traject ‘Slapende honden’ is met name ingezet om meer duidelijkheid te krijgen over wat er is gebeurd, maar vooral ook om praktische ondersteuning te bieden.
Standpunt moeder
De moeder verzet zich tegen het verzoek van de Raad. De moeder betwist stellig de stellingen van de Raad, in het bijzonder de stelling dat zij zich ook schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag. De moeder is van mening dat de aanvaardbare termijn van [minderjarige] – om te overbruggen zonder schade op te lopen in zijn ontwikkeling – nog niet is verstreken. Aangezien het beëindigen van het ouderlijk gezag een ultimum remedium is mag deze maatregel niet worden ingezet tenzij de aanvaardbare termijn daadwerkelijk is verlopen en geen minder ingrijpende alternatieven beschikbaar zijn. De moeder vindt het verzoek van de Raad tot het beëindigen van het ouderlijk gezag prematuur en beroept zich daarbij op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK).
Allereerst kan volgens de moeder niet op basis van uitlatingen, al dan niet van [minderjarige] , en aannames worden vastgesteld dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] terwijl er nog altijd geen deugdelijk onderzoek naar de gesteldheid en mogelijke trauma’s van [minderjarige] heeft plaatsgevonden. De aannames worden niet ondersteund door enig ander bewijs en tot op heden is het niet duidelijk met welke problemen [minderjarige] kampt, wanneer deze zijn ontstaan en door wie deze zijn ontstaan. Evenmin is onderzoek naar de gezondheidstoestand van moeder verricht. De moeder geeft aan dat [minderjarige] een goede opvoeding en goed leven heeft gehad voorafgaand aan het incident. Zij heeft nog niet de kans gehad om dit aan te tonen. De zorgen over de schoolgang van [minderjarige] op de Duitse school zijn onjuist. De schoolrapportage is positief en geeft geen blijk van zorgen over [minderjarige] De moeder betwist bij gebrek aan wetenschap dat de pleegvader in staat is om op de behoeftes van [minderjarige] in te spelen. Sinds de uithuisplaatsing en de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] heeft de betrokken hulpverlening volgens de moeder bovendien weinig ondernomen. Er heeft in negen maanden maar één gesprek plaatsgevonden bij het traject ‘Slapende honden’. Hiermee hebben de hulpverlenende instanties niet alleen [minderjarige] in potentie geraakt, maar ook het herstel van de relatie met zijn moeder in de weg gestaan. Ook vindt de moeder dat de contactmomenten tussen haar en [minderjarige] werden beïnvloed en gemanipuleerd door de betrokken hulpverlening. De moeder vraagt de rechtbank om de omgangscontacten tussen haar en [minderjarige] uit te breiden en te laten observeren, en een deugdelijk onderzoek te gelasten naar de interactie tussen hen. De moeder heeft van geen enkele instantie noemenswaardige hulpverlening mogen ontvangen. Het vertrouwen van de moeder in de hulpverlening is geschaad, maar zij zet zich onverminderd in voor de samenwerking.
Tot slot meent de moeder dat haar problematiek niet van dien aard is dat haar binnen afzienbare termijn geen kans kan worden geboden om te laten zien dat zij voor [minderjarige] kan zorgen. De moeder is van mening dat [minderjarige] direct kan worden thuisgeplaatst, maar wil meewerken aan een gefaseerde terugplaatsing. Zij heeft plek voor hem in haar nieuwe woning en heeft haar financiën op orde. Er is daarnaast geen onderzoek geweest naar de gezondheidstoestand van de moeder en volgens de moeder gaat het om een incident en niet om een situatie die zich al jaren heeft voortgezet. Parnassia merkt niet op dat de moeder eerder ziek is geweest. De moeder heeft geen medicijnen hoeven in te nemen en de kans op recidive wordt gering genoemd. De moeder heeft veel stress ervaren in de periode voorafgaand aan het incident door negatieve invloeden van de [vertegenwoordiger van de GI] en het geweldsincident waarbij haar nekwervel beschadigd is geraakt. Inmiddels is de moeder volledig hersteld van haar dip en zijn er geen nieuwe incidenten geweest.
Als de rechtbank twijfelt aan de opvoedkundige kwaliteiten van de moeder dan verzoekt de moeder om een onderzoek op grond van artikel 810a, tweede lid, van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te laten verrichten. Voorts wenst de moeder in de gelegenheid te worden gesteld om een rapportage op grond van 810a, eerste lid, Rv te kunnen overleggen. Er kan volgens de moeder niet worden gesteld dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.
Beoordeling
Vader belanghebbende
De rechtbank concludeert dat de vader ten onrechte is aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 798 van het Burgerlijk Wetboek van Rechtsvordering (hierna: Rv). Op basis van de voor de rechtbank beschikbare stukken werd in eerste instantie verondersteld dat de vader eveneens het ouderlijk gezag over [minderjarige] zou hebben. Uit de brief van 19 oktober 2021 van de Raad (met bijlagen) is gebleken dat de vader geen ouderlijk gezag heeft over [minderjarige] In dit geval zijn er geen andere aanknopingspunten om tot de conclusie te komen dat het huidige verzoek rechtstreeks betrekking heeft op de rechten en verplichtingen van de vader. De rechtbank merkt de vader dan ook niet langer aan als belanghebbende in deze procedure.
Beëindiging ouderlijk gezag
De rechtbank kan op grond van artikel 1:266, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder beëindigen, indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn. De rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of de aanvaardbare termijn is verstreken, met name van belang is of er nog perspectief is op een eventuele terugkeer van het kind naar de ouder. De aanvaardbare termijn is afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van de minderjarige en vereist maatwerk. De Memorie van Toelichting geeft daarbij een aantal factoren die bij de afweging van belang zijn indien een minderjarige in een pleeggezin is geplaatst.
Uit de overgelegde stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat aan de vereisten van 1:266, eerste lid, aanhef en onder a BW is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat de moeder niet binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn in staat zal zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Vaststaat dat de moeder zeer verward gedrag heeft vertoond in de periode van in ieder geval 6 juli 2021 tot in ieder geval eind september 2021. Dit is de belangrijkste aanleiding geweest voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] In die periode ontkende de moeder dat zij de moeder van [minderjarige] was en heeft zij naar [minderjarige] geschreeuwd dat hij haar kind niet was en dat zij hem niet meer wilde. De woning waarin de moeder met [minderjarige] woonde (en waarvan de huur door een derde werd betaald) was uitgewoond en er zijn aanwijzingen dat moeder met verschillende mannen in die woning heeft verbleven en dat er drugs werden gebruikt. Dit alles heeft grote impact gehad op [minderjarige] , die aangeeft bang voor zijn moeder te zijn en niet naar haar terug te willen en daarbij nauwelijks emotie laat zien. Onduidelijk is wat zijn trauma precies omvat, maar voor de rechtbank staat vast dat de periode voorafgaand aan en gedurende de opname van de moeder traumatisch is geweest voor [minderjarige] In de bovengenoemde periode is er slechts één keer contact geweest tussen [minderjarige] en de moeder en na de opname is gebleken dat de moeder een andere visie heeft op de gebeurtenissen tijdens de crisissituatie dan [minderjarige] en de hulpverlening. De moeder geeft aan dat slechts sprake is geweest van een korte dip en geeft hiermee onvoldoende erkenning aan het gevoel van [minderjarige] Zij bagatelliseert de zorgen die worden geuit. Het lukt de moeder niet om voldoende aan te sluiten bij de belevingswereld van [minderjarige] en om sensitief en responsief op hem te reageren en zij houdt zich tijdens de bezoeken niet aan de gemaakte veiligheidsafspraken, onder meer door [minderjarige] te belasten met opmerkingen over zijn perspectief. Dit zorgt voor stress bij [minderjarige] , op wiens verzoek de bezoekregeling enige tijd is opgeschort. Met de Raad en de gecertificeerde instelling is de rechtbank van oordeel dat het herstellen van de (vertrouwens)band vanwege het gebrek aan voldoende responsiviteit en sensitiviteit lastig is en veel tijd nodig zal hebben, ook omdat [minderjarige] er nog niet aan toe is om met EMDR-behandeling te starten. De rechtbank overweegt dat [minderjarige] de tijd die gemoeid is met dit herstel niet kan overbruggen in onzekerheid, zonder schade aan zijn ontwikkeling op te lopen.
De rechtbank overweegt verder dat nog afgezien van de traumatische ervaring die [minderjarige] heeft opgedaan rondom de crisissituatie van de moeder, [minderjarige] veel instabiliteit en heeft gekend in zijn leven en er daarnaast aanwijzingen bestaan dat sprake is geweest van onveiligheid . Hoewel het raadsonderzoek is bemoeilijkt door de verschillende landen waarin [minderjarige] met de moeder heeft gewoond, staat vast dat [minderjarige] veel wisselingen heeft gehad in zijn woon- en opvoedsituaties, en contacten heeft gehad met mensen die plotseling gestopt zijn. Gebleken is daarnaast dat hij een achterstand heeft in zijn sociaal emotionele ontwikkeling, waardoor hij kwetsbaar is. Gezien deze kwetsbaarheid en zijn specifieke behoeften heeft [minderjarige] rust en duidelijkheid nodig. De rechtbank heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de moeder [minderjarige] op dit moment en binnen afzienbare termijn de stabiliteit, aandacht en structuur kan geven die hij gezien zijn kwetsbaarheid nodig heeft.
De moeder heeft betoogd dat haar situatie dusdanig positief is veranderd dat [minderjarige] weer bij haar kan komen wonen. De rechtbank heeft echter onvoldoende vertrouwen in de bestendiging van deze positieve verandering. Uit de overgelegde stukken en de toelichting tijdens de mondelinge behandeling blijkt onder meer dat de moeder door GGZ (Antes) is geadviseerd om psychologische ondersteuning te zoeken gericht op het verwerken van trauma’s uit het verleden. De moeder heeft aangegeven hiervoor open te staan, maar de noodzaak voor behandeling niet te zien. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat de moeder ook daardoor blijk geeft onvoldoende in te zien hoe groot het belang is om herhaling van de ernstige situatie zoals die zich in de zomer van 2021 heeft voorgedaan te voorkomen. Daarnaast geldt dat de hoge huur die de moeder blijkens de door haar overgelegde huurovereenkomst moet betalen voor haar nieuwe woning niet strookt met het inkomen dat zij volgens de door haar overgelegde arbeidsovereenkomst kan verdienen. Dit tezamen maakt dat de rechtbank twijfel heeft over in hoeverre het leven van de moeder op orde is, zoals zij stelt, zeker op langere termijn.
De onduidelijkheid die [minderjarige] ervaart rondom zijn perspectief en de weerstand die hij uit over het contact tussen hem en zijn moeder, en een mogelijke thuisplaatsing, belemmeren hem momenteel in een gezonde ontwikkeling. Het is van groot belang dat hij rust krijgt om zich verder te kunnen ontwikkelen. Anders dan de moeder heeft betoogd, neemt de rechtbank met de Raad en de gecertificeerde instelling aan dat [minderjarige] tot rust komt bij de pleegvader en zich daar goed ontwikkelt. [minderjarige] zelf heeft duidelijk aangegeven dat hij bij de pleegvader wil blijven wonen en niet terug wil naar zijn moeder en de pleegvader heeft aangegeven een perspectiefbiedende plaatsing te willen zijn.
Onder die omstandigheden moet naar het oordeel van de rechtbank in dit geval aan de belangen van [minderjarige] bij duidelijkheid over zijn toekomstperspectief en continuïteit een zwaarder wegende betekenis worden toegekend dan aan het belang en de wens van de moeder om met het gezag belast te blijven.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek tot het beëindigen van het ouderlijk gezag van de moeder toewijzen.
De rechtbank acht het tenslotte met de Raad en gecertificeerde instelling van groot belang dat de moeder haar rol op afstand kan blijven vervullen en dat – indien mogelijk en in het belang van [minderjarige] – de omgang wordt uitgebreid. Dit is van belang voor de band tussen [minderjarige] en de moeder en kan bijdragen aan een positief verloop van zijn verdere identiteitsontwikkeling. De moeder zal altijd de moeder van [minderjarige] blijven. De gezagsbeëindigende maatregel verandert daar niets aan.
Voogdij
Aangezien de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hem te benoemen. De rechtbank is van oordeel dat de voogdij over [minderjarige] bij de gecertificeerde instelling belegd dient te worden zodat zij de ontwikkeling van [minderjarige] kan volgen en de hulpverlening voor hem kan coördineren. De gecertificeerde instelling heeft zich schriftelijk bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.
Verzoek onderzoek gelasten op grond 810a lid 2 Rv en 810a lid 1 Rv
Het verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek te gelasten zal worden afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat dit in de huidige zaak, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, tot een ander oordeel zal kunnen leiden en de rechtbank de belasting van een dergelijk onderzoek en het daarmee gemoeide tijdsverloop niet in het belang van [minderjarige] acht. De Raad heeft bovendien recentelijk onderzoek gedaan en heeft nadien nog een aanvullend onderzoek uitgevoerd met de actuele informatie.
Beslissing
De rechtbank:
merkt de heer [de man] , de vader van [minderjarige] , niet meer aan als belanghebbende in deze procedure;
beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder:
- [de vrouw] geboren op [geboortedag 2] 1980 te [geboorteplaats] , Oostenrijk,
over de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats] , Oostenrijk,
benoemt tot voogdes over voormelde minderjarige:
- Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;
gelast de griffier deze beslissing te laten aantekenen in het gezagsregister;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Peters, mr. M.F. Baaij, mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Amelsvoort als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2022. |
||
|
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
||