Materieel strafrecht
Encrochat. Invoer van 989,1 kilo cocaïne in deklading houten platen. 6 jaar gevangenisstraf.
Rechtbank Den Haag, 15 juni 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:5729 · Rechtbank Den Haag · 15 juni 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2022-5729
Zaakgegevens
Op 15 juni 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 juni 2022
- Datum publicatie
- 15 juni 2022
- Zaaknummer
- 09/767235-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2022:5729
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Encrochat. Invoer van 989,1 kilo cocaïne in deklading houten platen. 6 jaar gevangenisstraf.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer 09/767235-21
Datum uitspraak: 15 juni 2022
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte]
geboren op [onderzoeksnaam] te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn, locatie Eikenlaan 36.
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 14 december 2021, 8 maart 2022 (alle pro forma) en 1 juni 2022 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Rose en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.A. Versteegh naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 9 april 2019 tot en met 6 juni 2019 te Waddinxveen en/of elders in Nederland en/of Antwerpen (België), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, via de Noordzee en de Westerschelde, binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht 250,6 kg cocaïne, in elk geval een (grote) hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij in of omstreeks de periode van 27 maart 2020 tot en met 29 april 2020 te Waddinxveen en/of elders in Nederland en/of Antwerpen (België), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, via de Noordzee en de Westerschelde, binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht 989,1 kg cocaïne, in elk geval een (grote) hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde feit en tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde feit en heeft zich ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit op het standpunt gesteld dat dit bewezen kan worden verklaard. De raadsvrouw acht, anders dan de officier van justitie, niet bewezen dat de verdachte van tevoren wist welke hoeveelheid cocaïne zou worden ingevoerd, en stelt dat de verdachte uitging van 200 kilogram, zodat hij van de hoeveelheid partieel vrijgesproken dient te worden.
Vrijspraak (ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit)
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde feit met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
Gebruikte bewijsmiddelen (ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit)
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
1. Het proces-verbaal van bevindingen (EOB), opgemaakt op 23 augustus 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 132 – 133):
Vanuit Europees onderzoeksbevel EOB-U-2020039365, wordt het Belgische dossier onder nummer DE 60.DA.338/2020 verstrekt met betrekking tot de op 28 april 2020 in beslag genomen 989,1 kilogram cocaïne (container [container] ). Uit dit dossier kwam de volgende informatie naar voren:
Op 24 april 2020 werd container [container] op basis van een risicoanalyse gecontroleerd. Voornoemde container komt oorspronkelijk uit Ecuador en heeft als eindbestemming [bedrijf 2] , gelegen aan de [adres] .
Voornoemde container maakt deel uit van een zending met 3 containers waarbij alleen in deze container cocaïne is aangetroffen. Op 27 april 2020 werd de container daadwerkelijk geopend maar blijkt een volledige controle niet mogelijk omdat de container vol ligt met bundels houten platen. Op 28 april 2020 vond het onderzoek plaats aan de container middels een scan. Bij deze scan wordt een verdachte ruimte gedetecteerd in de achterste 2 bundels houten platen. In deze ruimte ziet men rechthoekige verpakkingen, hierdoor bestaat het vermoeden dat er verdovende middelen in de verpakkingen aanwezig is.
Bij het uitladen van de container wordt de verborgen ruimte geopend en worden de
pakketten bekeken op inhoud. Hieruit komt naar voren dat er zich wit poeder in de pakketten bevindt en deze testen positief op cocaïne.
2. Het proces-verbaal van verdenking, opgemaakt op 27 april 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 9 – 13):
Encrochat:
Door de officier van justitie, is na machtiging van de rechter-commissaris, op 1 april 2020 een bevel ex art. 126uba Sv afgegeven. Op basis van dit bevel werd data, die verkregen is van een ander Europees land, nader geanalyseerd. Deze data werden onderzocht op termen die verband houden met de handel in cocaïne.
Bevindingen
Op 29 mei 2020 werd er een onderzoek verricht in de voornoemde beschikbare data. Daarbij werd gebruik gemaakt van de beschikbaar gestelde zoekprogramma's. Een van de personen die naar voren kwam in een gesprek met het woord "container" was de gebruiker van het account [gebruikersnaam] . Deze [gebruikersnaam] voerde onder andere chatgesprekken met de gebruiker van het account [gebruikersnaam 1] ( [verdachte] ). Deze [gebruikersnaam 1] ( [verdachte] ) bleek tevens chatgesprekken te voeren met de gebruiker van het account [gebruikersnaam 3] .
Onderschept transport cocaïne:
Tijdens deze gesprekken wisselde men informatie uit over een verdovende middelen transport met als deklading hout. Uit de chatgesprekken bleek dat dit transport in de haven van Antwerpen onderschept was. Uit de chatgesprekken wordt duidelijk dat het bedrijf van [verdachte] , te weten ' [bedrijf 1] ' de geadresseerde is van de onderschepte container. De chats gaan onder meer over navraag die [verdachte] wil doen bij de douane over zijn lading en welke stappen hij zou moeten ondernemen om niet verdacht te worden. Ook wordt uit chatgesprekken duidelijk dat de organisatoren van het transport uit het buitenland naar Nederland komen om uit te zoeken wie verantwoordelijk is voor het 'mislukken' van dit transport.
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 1 juni 2022, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik werd eind 2019 benaderd door twee heren. Na een aantal gesprekken ben ik akkoord gegaan met hun voorstel om hout op naam van mijn bedrijf in te voeren met verdovende middelen daarin verstopt. Ik zou daarvoor geld krijgen. Ik heb een Encrochat-telefoon gebruikt om met hen te communiceren. Ik gebruikte de Encrochat accounts [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 4] bij het versturen van berichten.
Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de specifieke hoeveelheid cocaïne (989,10 kilogram), nu de verdachte hiervan niet op de hoogte was en dacht dat dit een minder grote hoeveelheid zou bedragen. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid zou worden verstopt in de onderschepte container door in te stemmen met het verstoppen van een onbepaalde hoeveelheid cocaïne tussen een deklading hout in een zeecontainer.
De rechtbank is met betrekking tot het tweede tenlastegelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
2.
hij in de periode van 27 maart 2020 tot en met 29 april 2020 te Waddinxveen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, via de Noordzee en de Westerschelde, binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht 989,1 kg cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en een geldboete van € 20.000,00, subsidiair 135 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft een strafmaatverweer gevoerd, inhoudende dat de verdachte al veel nadelige gevolgen van zijn handelen heeft ondervonden. Voor zover van belang zal de rechtbank hierna het standpunt van de raadsvrouw nader uiteenzetten en hierop ingaan.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een zeer grote partij cocaïne (989,1 kilogram). De cocaïne is onderschept. De verdachte, eigenaar van een meubelfabriek, gebruikte zijn bedrijf om een partij hout afkomstig uit Ecuador in te laten voeren waarin de cocaïne verstopt zat, om het transport aldus een legaal voorkomen te geven. Het is een feit van algemene bekendheid dat met deze smokkel en handel aanzienlijke financiële belangen zijn gemoeid en grote winsten worden behaald. De grootschalige smokkel van en handel in cocaïne is in handen van de georganiseerde misdaad die haar (financiële) belangen veiligstelt met behulp van omkoping en geweld, hetgeen een ontwrichtende invloed heeft op de samenleving. Het gebruik van cocaïne brengt bovendien grote schade toe aan de volksgezondheid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van misdrijven.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Het uitgangspunt bij de in- en uitvoer van harddrugs bij een gewicht van meer dan 20 kilogram is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste 60 maanden. Gelet op de grote hoeveelheid cocaïne die door de verdachte is ingevoerd, een veelvoud van de genoemde 20 kilogram, kan niet worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een langdurige gevangenisstraf. De rechtbank onderkent dat de verdachte al negatieve gevolgen heeft ondervonden van de vervolging, maar ziet daarin geen aanleiding tot strafmatiging. Wel weegt de rechtbank de proceshouding van de verdachte in zijn voordeel mee.
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren passend en geboden is. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, acht de rechtbank geen termen aanwezig om hiernaast een geldboete op te leggen.
7 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8 De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 2:
het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D. Gruijters, voorzitter,
mr. S. Pereth, rechter,
mr. M.S. Neervoort, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juni 2022.