Materieel strafrecht

Een 29-jarige verdachte is veroordeeld voor het plegen van een seksuele handelingen met een 14-jarig meisje…

Rechtbank Den Haag, 29 juni 2026

Zaakgegevens

Op 29 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
29 juni 2026
Datum publicatie
29 juni 2026
Zaaknummer
09/271230-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:17668
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Een 29-jarige verdachte is veroordeeld voor het plegen van een seksuele handelingen met een 14-jarig meisje. De aangifte wordt voldoende ondersteund door overige onderzoeksresultaten, onder andere DNA-onderzoek. Oplegging gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/271230-25

Datum uitspraak: 29 juni 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

laatst opgegeven verblijfadres: [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 15 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Briejer en van hetgeen namens de verdachte door zijn raadsman mr. J. van Wijk naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 september 2024 te Zoetermeer, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [aangeefster] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, vingers tussen de schaamlippen van die [aangeefster]
- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis tussen de schaamlippen van die [aangeefster] ,
- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de anus van die [aangeefster] en/of
- het beffen van die [aangeefster] .

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met uitzondering van het beffen

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Beoordelingskader

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaring van het vermeende slachtoffer als wettig bewijsmiddel kan dienen. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring of aangifte van het slachtoffer. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat die de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de in deze verklaring genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Dit betekent dat – in een geval als het onderhavige, waarin door de verdachte wordt ontkend dat de handelingen zijn gepleegd en er geen getuigen van het incident zijn – de rechtbank eerst de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer moet beoordelen en vervolgens moet bepalen of voor de verklaringen van het slachtoffer voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is. Dat steunbewijs hoeft, zo volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, bij zedenzaken niet per definitie te zien op de handelingen zelf. Het is voldoende wanneer de verklaring op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Met andere woorden: de bewezenverklaring van onderdelen van de tenlastelegging kan wel op één enkele verklaring berusten. Verder is van belang dat uit het dossier en het verhandelde op de terechtzitting de rechtbank onverminderd de overtuiging moet krijgen dat het feit is gepleegd zoals het de verdachte wordt verweten.

Betrouwbaarheid verklaring [aangeefster]

De rechtbank ziet zich dus allereerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van de aangeefster [aangeefster] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en voor het bewijs gebruikt kunnen worden.

In de avond van 19 september 2024 kwam bij de politie een melding binnen van vermissing van [aangeefster] . Zij was niet thuisgekomen na een hockeytraining en haar telefoon was uitgeschakeld. Gebleken is dat [aangeefster] , die op dat moment veertien jaar oud was, op dezelfde avond een afspraak had met de verdachte. De verklaringen van [aangeefster] gaan over een jongen, maar dat die jongen de verdachte was, blijkt uit verstuurde berichten tussen hen, DNA-onderzoek en de verklaring van de verdachte. De jongen over wie [aangeefster] verklaart, zal daarom worden aangeduid als de verdachte. [aangeefster] was met haar vriendin [naam] toen de verdachte haar had opgehaald met zijn auto. Na een paar uur keerde [aangeefster] terug en werd zij opgevangen in de woning van [naam] . Later in de nacht verklaarde [aangeefster] tegen een politieagent dat de verdachte haar heeft verkracht, waarop zij begon te huilen en te trillen. Dezelfde nacht, op 20 september 2024, heeft er een informatief gesprek zeden plaatsgevonden met [aangeefster] bij de politie. Daarin heeft ze verklaard dat ze de verdachte al langer kende via chatcontact. Ze vond hem leuk en ze hadden afgesproken om elkaar te ontmoeten. [aangeefster] verklaarde verder dat de verdachte haar op de bewuste avond in zijn auto naar een parkje heeft gebracht. Na het stoppen verliet hij de auto, liep hij om de auto heen naar haar toe en greep hij haar beet. Ze moest van hem naar de achterbank. De verdachte deed eerst zijn kleren uit en wilde dat [aangeefster] zich ook uitkleedde. Hij begon aan haar benen te zitten en ging omhoog. Vervolgens heeft hij haar gevingerd (ook in haar vagina). Toen hij klaar was met vingeren, wilde hij dat ze ging liggen en dat heeft ze gedaan. Hij was buiten de auto en zij was in de auto. Hij trok haar benen omhoog en naar hem toe en ging met zijn piemel in haar vagina.

De rechtbank acht de verklaringen van [aangeefster] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. [aangeefster] heeft vrijwel direct nadat de politie haar aantrof verklaard dat ze was verkracht door de verdachte. Een paar uur later heeft zij een gedetailleerde verklaring afgelegd bij de zedenrechercheurs over hetgeen was voorgevallen. Dat [aangeefster] een kwetsbaar meisje is en dat op sommige punten van haar verklaringen tegenstrijdigheden of onaannemelijkheden, zoals het gebruik van geweld, voorkomen, maakt haar verklaringen niet (in zijn geheel) onbetrouwbaar, hetgeen de verdediging heeft bepleit. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het bewijs dan ook uit van in ieder geval de handelingen die door [aangeefster] zijn beschreven.

Steunbewijs

De volgende vraag is of de verklaring van [aangeefster] voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. De verklaring van [aangeefster] vindt allereerst (voor een deel) steun in de verklaring van de verdachte. Hij heeft verklaard dat [aangeefster] en hij in de auto “probeerden seks met elkaar te hebben”. Hij heeft, net als [aangeefster] , verklaard dat ze zich op de achterbank bevonden, dat zij zichzelf hadden uitgekleed en dat [aangeefster] op haar rug lag.

Ook worden de verklaringen van [aangeefster] ondersteund door DNA-bewijs. Met een zedenkit zijn diverse ‘locaties’ aan en in het lichaam van [aangeefster] bemonsterd en onderzocht op de aanwezigheid van (onder andere) sperma. Op de buitenste schaamlippen, diep vaginaal en rondom en in de anus van [aangeefster] is spermavloeistof aangetroffen, waarvan het DNA-profiel (telkens) overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze spermasporen, gelet op de aard van de sporen en de plaatsen waarop deze zijn aangetroffen, een directe ondersteuning voor de verklaringen van [aangeefster] .

De raadsman heeft bepleit dat de DNA-match met de verdachte niet als bewijs kan gelden omdat gebruik is gemaakt van een PSA-test. Omdat het PSA-eiwit ook in kleine hoeveelheden in enkele andere lichaamsvloeistoffen (van mannen en vrouwen) voorkomt zou het spoor evenwel van [aangeefster] zelf afkomstig kunnen zijn, aldus de raadsman. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit het rapport blijkt dat een Y-chromosomaal DNA-onderzoek het mogelijk maakt om specifieke DNA-kenmerken, gelegen op het Y-chromosoom van een man, vast te stellen. Aangezien Y-chromosomaal DNA-materiaal is aangetroffen dat van de verdachte afkomstig kan zijn, is het uitgesloten dat dit van [aangeefster] afkomstig kan zijn. Het Y-chromosomaal DNA-materiaal is immers afkomstig van een man.

De raadsman heeft verder betoogd dat de uitslag van het DNA-onderzoek ook zou kunnen passen bij de verklaring van de verdachte, nu het gaat om spermavloeistof (en niet om sperma) en de verdachte heeft verklaard dat hij wel seks wilde, maar dat dat niet is gelukt omdat hij geen stijve piemel kreeg, waardoor de aangetroffen spermavloeistof ook zou kunnen worden verklaard door voorvocht. De rechtbank gaat hieraan voorbij, omdat zij van oordeel is dat het DNA-onderzoek wel past bij de verklaring van [aangeefster] en niet bij de verklaring van de verdachte. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een deel van de hierboven genoemde onderzoeksresultaten betrekking heeft op sporen diep vaginaal en in anus.

Op grond van het voorgaande worden de verklaringen van [aangeefster] in voldoende mate ondersteund door andere, van haar verklaring onafhankelijke bewijsmiddelen. Daarnaast vormen de spermasporen aangetroffen op de buitenste schaamlippen, diep vaginaal en rondom en in de anus van [aangeefster] direct objectief bewijs dat niet alleen penetratie in de vagina, maar ook in de anus heeft plaatsgevonden.

De verdachte was op dat moment 29 jaar en [aangeefster] 14 jaar. De leeftijd van [aangeefster] is geobjectiveerd, dus het maakt niet uit of de verdachte die wel of niet wist. Toch zijn er aanwijzingen dat de verdachte heel goed wist of had moeten weten dat [aangeefster] zo jong was, althans jonger dan 16 jaar.

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande de ten laste gelegde verkrachting van een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren wettig en overtuigend bewezen.

Partiële vrijspraak

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het ten laste gelegde beffen. De verdachte zal daarom partieel worden vrijgesproken voor wat betreft het vierde gedachtestreepje opgenomen in de tenlastelegging.

3.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 19 september 2024 te Zoetermeer met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [aangeefster] , seksuele handelingen heeft verricht, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten
- het brengen en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, vingers tussen de schaamlippen van die [aangeefster] ,
- het brengen en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis tussen de schaamlippen van die [aangeefster] ,
- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de anus van die [aangeefster] .

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

3.5.

De bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair integrale vrijspraak bepleit, zodat er geen ruimte is voor strafoplegging. Subsidiair heeft de raadsman verzocht – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – om een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verkrachten van het destijds veertienjarige meisje [aangeefster] . Hij kwam haar ophalen met zijn auto, hij reed naar een parkje in de buurt en hij heeft op de achterbank van zijn auto haar gevingerd en zijn penis in haar vagina en anus gebracht. Hij droeg geen condoom en heeft haar daardoor blootgesteld aan het risico op soa’s en een ongewenste zwangerschap.

Het slachtoffer kende de verdachte alleen via chatcontact van een paar weken. In de dagen voorafgaand aan de verkrachting heeft de verdachte meerdere chatgesprekken met het slachtoffer gevoerd met een duidelijke seksuele lading. Daarbij wist de verdachte dat het slachtoffer nog niet eens een bijbaan als vakkenvuller mocht doen, dat zij niet met vriendinnen mocht afspreken, dat zij naar school ging, dat zij schermtijd had en dat ze “ruzie met mama” had. De verdachte was destijds een 29-jarige man en heeft misbruik van haar kwetsbaarheid gemaakt. Zo beloofde hij een iPhone aan [aangeefster] te geven als zij lief voor hem was. Het dossier bevat daarnaast aanwijzingen dat hij zich voordeed als een veel jongere man. Zo stuurde hij een foto naar [aangeefster] van een jongen van zeventien jaar oud die een vriend van hem zou zijn en was [aangeefster] zelf in veronderstelling dat de verdachte negentien jaar oud was toen hij haar had opgehaald. De verdachte heeft verklaard dat hij niet had kunnen weten dat het slachtoffer minderjarig was en alleen dacht dat zij “niet zo slim was”, maar gezien al het voorafgaande gelooft de rechtbank hem hierin niet. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de verdachte zonder meer uit was op seks met een minderjarig meisje.

De wet beschermt (de belangen van) jeugdigen tussen de twaalf en zestien jaren tegen het ondergaan van seksuele handelingen. De verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. Minderjarigen bevinden zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase en worden, gezien hun jeugdige leeftijd, geacht niet of in onvoldoende mate in staat te zijn hun seksuele integriteit te bewaken. Daarom moeten zij beschermd worden tegen seksueel misbruik. Daarbij komt dat de verhouding tussen de verdachte en het slachtoffer ongelijkwaardig was, gelet op het (relatief) grote leeftijdsverschil van vijftien jaar en het verschil in levensfase. De verdachte heeft zich op geen enkel moment bekommerd om de gevolgen van zijn handelen voor [aangeefster] .

De verdachte heeft op geen enkele manier verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Hij ontkent seks met [aangeefster] te hebben gehad, laat staan haar verkracht te hebben. De verdachte is ook niet verschenen op de zitting. Dat vindt de rechtbank, door de ernst van het feit, heel kwalijk en zorgelijk.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 8 mei 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank weegt dit niet in het nadeel of voordeel van de verdachte mee.

Persoon van de verdachte

De reclassering heeft geen advies kunnen uitbrengen over de verdachte, aangezien hij niet heeft gereageerd op pogingen van de reclassering om contact te leggen. De rechtbank heeft hierdoor geen inzicht kunnen krijgen in enige relevante persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Gevangenisstraf

Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de verdediging bepleit, doet daar absoluut geen recht aan en is wettelijk gezien niet mogelijk door het taakstrafverbod.

Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden. Dit is een lagere straf dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank aansluiting heeft gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Voorlopige hechtenis

De officier van justitie heeft gevorderd de gevangenneming te bevelen bij einduitspraak. De raadsman heeft afwijzing van deze vordering bepleit.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van een zeer ernstig feit en gronden, althans een grond voor de voorlopige hechtenis zou(den) aanwezig kunnen worden geacht. Desondanks zal de rechtbank niet de gevangenneming van de verdachte bevelen. Het Openbaar Ministerie heeft de verdachte in september 2025 aangehouden, maar na verhoor heengezonden en dus niet in verzekering gesteld, laat staan voorgeleid. Het Openbaar Ministerie heeft er verder voor gekozen om de inhoudelijke behandeling te laten plaatsvinden bijna twee jaar na de pleegdatum. De rechtbank acht het daarom niet opportuun om de gevangenneming te bevelen.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikel 248 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals dat ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens geldt.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

verkrachting van een kind in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (DERTIG) MAANDEN.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.M.P. Hillenaar, voorzitter,

mr. S.M. Krans, rechter,

mr. A. Tsjapanova, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S.M.R. Berendsen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2026.