Materieel strafrecht

Jeugdstrafrecht. Vrijspraak diefstal met geweld in vereniging van een scooter, veroordeling opzetheling en…

Rechtbank Den Haag, 24 september 2026

Zaakgegevens

Op 24 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
24 september 2026
Datum publicatie
29 september 2026
Zaaknummer
09-199081-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:28808
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Vrijspraak diefstal met geweld in vereniging van een scooter, veroordeling opzetheling en andere diefstal met geweld in vereniging van een scooter. (312, 416 Sr)

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 09-199081-25

Datum uitspraak: 24 september 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] (hierna: de verdachte),

geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres en verblijfsadres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting


De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 10 september 2026.

De officier van justitie in deze zaak is mr. M.J.A. Grimmelikhuijsen en de raadsman van de verdachte is mr. T. Kocabas te Zoetermeer. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat de verdachte:

1. op 17 juni 2025 in Den Haag met een of meer anderen een bromfiets (Peugeot Vivacity) heeft gestolen van [benadeelde 1] met (bedreiging met) geweld;

dan wel:

tussen 17 en 19 juni 2025 in Den Haag een bromfiets (Peugeot Vivacity) heeft gehad waarvan hij wist dat die gestolen was;

2. op 18 juni 2025 in Den Haag met een of meer anderen een bromfiets (Puch Zip 25) heeft gestolen van [benadeelde 2] met (bedreiging met) geweld;

dan wel:

tussen 18 en 20 juni 2025 in Den Haag een bromfiets (Puch Zip 25) heeft gehad waarvan hij wist dat die gestolen was.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

3 De bewijsbeslissing

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van de onder 1 primair en subsidiair en onder 2 primair ten laste gelegde feiten bepleit en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft het onder 2 subsidiair ten laste gelegde. Gevoerde verweren worden zover relevant hieronder besproken.

3.3

Vrijspraak – Feit 1 primair (diefstal)

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om bewezen te verklaren dat de verdachte onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachte één van de personen is die de scooter van [benadeelde 1] heeft gestolen. Dat de verdachte eenzelfde kapsel, postuur en huidskleur heeft als één van de op de jongens die te zien is op de beelden die in de omgeving van het gepleegde feit zijn gemaakt, is daarvoor onvoldoende.

3.4

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in bijlage 2 de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.

3.5

Bewijsoverwegingen

Feit 1

De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 subsidiair op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dat de scooter van diefstal afkomstig was.

De verdachte is door politie-agenten herkend op camerabeelden van 18 juni 2025, waarop zichtbaar is dat hij rijdt op een witte Peugeot Vivacity zonder kenteken. Dit is dezelfde Peugeot Vivacity die de dag ervoor is gestolen van aangever [benadeelde 1] . Omdat de verdachte reed op een scooter zonder kenteken, stelt de rechtbank vast dat hij zich (in ieder geval in voorwaardelijke zin) bewust moet zijn geweest van het feit dat dit een gestolen scooter was. De verdachte heeft door op een scooter zonder kentekenplaat te rijden namelijk bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze scooter van diefstal afkomstig was.

Feit 2

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte één van de personen was die de scooter van [benadeelde 2] heeft gestolen.

De rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat bewezen kan worden dat de verdachte betrokken was bij de diefstal met geweld van de paarse scooter van aangever [benadeelde 2] . Er zijn duidelijke beelden van vlak vóór en na de diefstal (onder andere van beveiligingscamera’s op het [plein] ) waarop de verdachte is herkend door twee politieagenten, die door hun werk in de wijk waar de verdachte woont al meerdere keren met hem in contact zijn gekomen. Op de beelden is zichtbaar dat er twee jongens wegrijden op een witte scooter (met de verdachte als bestuurder), waarna één jongen, die niet de aangever is, op een paarse scooter terug komt rijden, gevolgd door de verdachte op de witte scooter. Daarbij heeft de aangever verklaard dat hij is beroofd door een jongen die hij herkent als ‘ [verdachte] ’ van het [plein] en dat zijn snapchat naam ‘ [snapchataccount] ’ is. Twee verbalisanten die al jarenlang werkzaam zijn in de wijk en die zich bezighouden met overlastgevende jongeren aldaar verklaren dat de verdachte onderdeel uitmaakt van een groep overlastgevende jongeren die rondhangt op het [plein] en dat de verdachte de enige ‘ [verdachte] ’ is in die groep. Daarnaast is bij de aanhouding van de verdachte op de telefoon die hij bij zich had een filmpje aangetroffen dat met die telefoon is gemaakt. Hierop is een scooter zichtbaar met dezelfde kenmerken als de gestolen scooter, waaronder niet alleen merk, type en kleur (een paarse Puch ZIP), maar ook opvallende stickers op de voorkant. Tevens wordt op genoemde telefoon – naast selfies van de verdachte – ook de snapchatnaam ‘ [snapchataccount] ’ aangetroffen en is ‘ [getal] ’ de postcode van het woonadres van de verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte een van de personen is die met geweld de scooter van [benadeelde 2] heeft gestolen.

Tezamen in vereniging?

De raadsman heeft (subsidiair) opgeworpen dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als ‘medepleger’ van het feit. Dit verweer treft geen doel. Op basis van de bewijsmiddelen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de verdachte samen met zijn medeverdachte achter de aangever is aangereden, waarna de medeverdachte onder andere de sleutel uit het contactslot van de scooter van de aangever heeft getrokken en een mes heeft getoond. De verdachte heeft geprobeerd de aangever aan te rijden en ook gezegd dat hij de aangever zou gaan aanrijden. De verdachte heeft dit meerdere malen vanuit meerdere hoeken geprobeerd. Getuige Omar verklaart op dit punt ook dat de verdachte de witte scooter inzet om de bijrijder te helpen de scooter te stelen. Uit deze manier van handelen blijkt volgens de rechtbank dat de verdachten bewust en nauw hebben samengewerkt. De verdachten zijn samen achter de aangever aangereden, de verdachte heeft door meermaals op de aangever in te rijden de diefstal mogelijk gemaakt en de verdachten zijn weer samen vertrokken. De verdachte heeft hiermee een materiële bijdrage geleverd aan het feit die van voldoende gewicht is om te spreken van het ‘tezamen in vereniging’ plegen van de diefstal.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat de onder 1 subsidiair en onder 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

3.6

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1. subsidiair)

hij op een tijdstip in de periode van 17 juni 2025 tot en met 19 juni 2025 te 's-Gravenhage, een bromfiets (Peugeot VIVACITY), voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2 ( primair)

hij op 18 juni 2025 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, een bromfiets (Puch ZIP 25), die aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door de sleutel uit het contact te trekken en te dreigen met een mes te steken en daarbij een (mat zwart) mes te tonen en dreigend met een andere scooter op die [benadeelde 2] in te rijden.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De op te leggen straffen

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 50 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 22 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van 2 jaren onder de voorwaarden zoals zij door de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) op de zitting zijn geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod jegens mogelijke medeverdachten. De officier van justitie heeft daarnaast een werkstraf van 40 uren gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gevraagd om, rekening houdend met het advies van de Raad, een (deels voorwaardelijke) taakstraf op te leggen in plaats van een jeugddetentie.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportage en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft een scooter voorhanden gehad, terwijl hij wist dat die gestolen was en heeft samen met een ander met geweld een andere scooter gestolen. Bij die diefstal is de verdachte meerdere malen op de aangever ingereden met zijn scooter. Als die aangever de scooter niet had kunnen ontwijken, had hij ernstig letsel op kunnen lopen. Tevens is de aangever bedreigd met een mes op korte afstand. De verdachte heeft door zijn handelen laten zien dat hij geen respect had voor de veiligheid en de spullen van andere mensen. De diefstal met geweld vond overdag plaats in het zicht van in ieder geval één getuige, die ook de geweldshandelingen heeft gezien. Het handelen van de verdachte heeft daarmee ook gezorgd voor gevoelens van onveiligheid bij andere mensen. De rechtbank neemt de verdachte dit zeer kwalijk.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 31 augustus 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in twee proeftijden liep toen hij de feiten pleegde en dat hij al eerder is veroordeeld voor een diefstal met geweld.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van 23 maart 2026 van de Raad en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het recidiverisico ingeschat wordt als laag tot midden. Het ontkennen van de verdachte is volgens de Raad bij een bewezenverklaring reden voor grote zorg voor herhaling. Het is van belang dat de jeugdreclassering in gesprek gaat met de verdachte over zijn rol bij de feiten. De Raad (aangevuld door de jeugdreclasseerder) adviseert een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis en een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden (een meldplicht, een contactverbod met aangevers en de medeverdachten, verplicht meewerken met een coach, een zinvolle door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding hebben en een zinvolle vrijetijdsbesteding hebben).

De ter zitting aanwezige jeugdreclasseerder heeft verteld dat het contact met de verdachte goed verloopt. Hij heeft zijn openstaande taakstraffen en leerstraf afgerond en is goed bereikbaar voor de jeugdreclasseerder en de coach. Het grootste aandachtspunt is nog steeds het vinden van een zinvolle dagbesteding voor de verdachte. Het traject waar de verdachte voor aangemeld was (ProVSO), bleek na lang wachten niet passend, waardoor opnieuw moet worden gekeken naar zinvolle dagbesteding, zoals bij Current. De jeugdreclasseerder vindt het van belang dat de verdachte nog een (werk)straf krijgt, opdat hij ervaart dat hij iets terug moet doen voor wat hij fout heeft gedaan.

Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Ook weegt de rechtbank - in geringe mate - mee dat van feit 1 het subsidiair ten laste gelegde bewezen is verklaard. Vanwege de ernst van de feiten en het feit dat de verdachte al eerder voor strafbare feiten is veroordeeld, waaronder voor een soortgelijk feit, en in twee proeftijden liep, vindt de rechtbank geen andere straf passend dan een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie. Omdat de verdachte recent een licht positieve ontwikkeling doormaakt, zal de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen gelijk aan de tijd die hij al vast heeft gezeten. De rechtbank zal daarnaast een voorwaardelijk deel (jeugddetentie) opleggen, onder de bijzondere voorwaarden zoals zij ter zitting door de Raad en de jeugdreclassering zijn geformuleerd. De rechtbank zal geen contactverbod met medeverdachte opleggen, omdat nooit duidelijk is geworden wie dat is. Daarnaast zal de rechtbank een werkstraf opleggen van 30 uren, opdat de verdachte ook nu nog de consequenties ervaart van zijn gedrag.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.6 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:

feit 1 (subsidiair):

opzetheling;

feit 2 (primair):

diefstal vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

straffen

veroordeelt de verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 50 DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (28 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, 22 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich gedurende de proeftijd meldt bij Stichting Jeugdbescherming west te Den Haag op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;

2. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media – contact al opnemen, zoeken of hebben met:

Aangevers:

- [benadeelde 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2009;

- [benadeelde 2] . geboren op [geboortedatum 3] 2007;

3. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding van een coach van Humanitas of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

4. gedurende de proeftijd zinvolle en door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding heeft;

5. zich gedurende de proeftijd inzet voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle vrijetijdsbesteding.

geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west te Den Haag, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen

aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld

in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden

toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek

van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de

jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,

daaronder begrepen.

veroordeelt de verdachte daarnaast tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 30 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 15 DAGEN;

het bevel tot voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.G. de Boer, kinderrechter, voorzitter,

mr. M.H. Rochat, kinderrechter,

en mr. M.J. Bouwman, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.T. Verlinde, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 september 2026.

Bijlage 1

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 17 juni 2025 te 's-Gravenhage

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een bromfiets (Peugeot VIVACITY), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele

aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich

wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld

en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die Birhari, gepleegd

met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om,

bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

door [benadeelde 1] in zijn gezicht te slaan en/of te dreigen hem neer te steken en/of

daarbij een handvat van een mogelijk mes te tonen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 juni 2025 tot en met

19 juni 2025 te 's-Gravenhage, een bromfiets (Peugeot VIVACITY), althans een goed

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten

tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door

misdrijf verkregen goed betrof;

2

hij op of omstreeks 18 juni 2025 te 's-Gravenhage

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een bromfiets (Puch ZIP 25), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2]

, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk

toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van

geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 2] , gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door de sleutel

uit het contact te trekken en/of te dreigen met een mes te steken en/of daarbij een

(matzwart)mes te tonen en/of dreigend met een andere scooter op die [benadeelde 2] in te

rijden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 juni 2025 tot en met

20 juni 2025 te 's-Gravenhage, een bromfiets (Puch ZIP 25), althans een goed heeft

verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde

van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door

misdrijf verkregen goed betrof.