Strafrecht overig

De rechtbank verklaart uitlevering aan Turkije ter fine van strafexecutie toelaatbaar. Geen verstekvonnis…

Zaakgegevens

Op 26 april 2022 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
26 april 2022
Datum publicatie
26 april 2022
Zaaknummer
UTL-I-2021-025285
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:3844
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

De rechtbank verklaart uitlevering aan Turkije ter fine van strafexecutie toelaatbaar. Geen verstekvonnis. Overwegingen omtrent politieke vervolging en de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Uitleveringskamer

Kenmerk: UTL-I-2021025285
Raadkamernummer: 22/78

De rechtbank Den Haag, uitleveringskamer, doet de volgende uitspraak op een verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn,

verder te noemen: de opgeëiste persoon.

1 Het verzoek tot uitlevering en de overgelegde stukken

1.1

Het verzoek tot uitlevering

Bij brief van 30 juli 2021, heeft de ambassade van Turkije aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland een gewaarmerkt verzoek, gedateerd 15 maart 2021, met een vertaling in de Engelse taal, doen toekomen, strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafexecutie (hierna ook: het uitleveringsverzoek).

Blijkens voormeld verzoek is de opgeëiste persoon op 16 november 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar en 4 maanden wegens verkrachting. Het vonnis is op 26 april 2018 onherroepelijk geworden.

Bij brief van 31 augustus 2021 van de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) aan het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC), is verzocht het door Turkije gedane verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon in behandeling te nemen.

1.2

De door de verzoekende staat overgelegde stukken

Voormeld verzoek is vergezeld van:

  • een authentiek afschrift van een, voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëiste persoon gewezen strafvonnis;

  • een uiteenzetting van het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;

  • de tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften;

  • stukken met betrekking tot de identiteit van de opgeëiste persoon en zijn nationaliteit;

  • informatie betreffende het verloop van de verjaringstermijn.

  • garanties die door de verzoekende staat worden verstrekt, te weten:

o dat het strafbare feit geen politieke, militaire of financiële grondslag heeft;

o dat de opgeëiste persoon alle rechten heeft voortvloeiend uit internationale verdragen waar Turkije partij bij is en uit nationale wetgeving;

o dat Nederland om toestemming zal worden gevraagd indien Turkije de opgeëiste persoon wenst te vervolgen voor een ander misdrijf dat plaats zou hebben gevonden vóór de uitlevering, en dat zonder toestemming de opgeëiste persoon niet zal worden berecht voor dergelijke misdrijven (specialiteitsbeginsel).

1.3

De overige stukken

In het uitleveringsdossier zijn voorts de volgende stukken opgenomen:

  • een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 september 2021, betreffende de opgeëiste persoon;

  • stukken met betrekking tot de voorlopige aanhouding en de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon;

  • een proces-verbaal van verhoor ex artikel 21 lid 2 Uitleveringswet, d.d. 6 januari 2022, inhoudende dat de opgeëiste persoon niet akkoord gaat met verkorte uitlevering;

  • de schriftelijke vordering van de officier van justitie te Den Haag van 6 januari 2022, bij de rechtbank ingekomen op 10 januari 2022, strekkende tot het in behandeling nemen van genoemd uitleveringsverzoek;

  • de brief met bijlagen van de raadsvrouw van de opgeëiste persoon, bij de rechtbank binnengekomen op 5 april 2022;

  • de schriftelijke samenvatting van de officier van justitie te Den Haag, overgelegd ter zitting op 8 april 2022, houdende diens opvatting omtrent de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek;

  • de pleitnotities van de raadsvrouw van de opgeëiste persoon, overgelegd ter zitting op 8 april 2022.

2 Het onderzoek ter zitting

2.1

De behandeling

Het onderzoek ter zitting is in het openbaar gehouden op 17 januari 2022 en 8 april 2022. Aldaar is mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder 1. genoemde stukken.

De opgeëiste persoon, ter zitting verschenen - en bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. F.T.C. Dölle - heeft verklaard dat hij degene is die in het uitleveringsverzoek wordt genoemd, dat hij enkel de Turkse nationaliteit bezit en dat hij zich tegen de gevraagde uitlevering verzet.

Namens het openbaar ministerie is verschenen officier van justitie mr. B. de Jonge.

2.2

Het standpunt van de opgeëiste persoon

Namens de opgeëiste persoon is het standpunt ingenomen dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat er sprake is van een flagrante inbreuk op artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), omdat de opgeëiste persoon bij verstek is veroordeeld en dat het uitleveringsverzoek politiek gemotiveerd is. Subsidiair zijn voorwaardelijke verzoeken tot aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek gedaan, welke verzoeken de rechtbank opvat als verzoeken tot heropening van het onderzoek. Meer subsidiair is verzocht de minister te adviseren om de uitlevering niet toe te staan, dan wel tot het doen van nader onderzoek naar een dreigende schending van artikel 2 en 3 van het EVRM.

De rechtbank zal onder hoofdstuk 3 de verweren van de verdediging puntsgewijs nader bespreken.

2.3

De opvatting van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het verzoek tot uitlevering toelaatbaar dient te worden verklaard. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de stukken genoegzaam zijn en dat niet is gebleken van omstandigheden die aan uitlevering in de weg staan.

3 Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering

3.1

Inleiding

De Uitleveringswet (hierna: UW) kent diverse gronden om een uitlevering te weigeren. De opgeëiste persoon kan zich in de uitleveringsprocedure rechtstreeks beroepen op die bepalingen. Het is aan de uitleveringsrechter om te oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering, terwijl de minister dient te beslissen of het verzoek wordt ingewilligd (waarbij hij overigens wel is gebonden aan het oordeel van de uitleveringsrechter tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering). Dit brengt met zich dat niet alle weigeringsgronden die de UW en de verdragen kennen zijn onderworpen aan het oordeel van de uitleveringsrechter. De uitleveringsrechter is - voor zover dit niet reeds uit de UW volgt - enkel bevoegd om over weigeringsgronden te oordelen, indien daarvoor geen beoordeling van de politieke situatie en rechtspleging in de verzoekende staat nodig is die toegang tot voor de rechter gesloten informatiebronnen vereist, er niet onderhandeld hoeft te worden over eventueel aanvullende garanties en er geen afwegingen moeten worden gemaakt waarbij beleidskeuzes een rol spelen. Het toetsingskader van de uitleveringsrechter is zodoende vele malen beperkter dan dat van de minister. De uitleveringsrechter kan de minister in een advies bij de uitspraak echter wel over alle aspecten adviseren.

De rechtbank zal vorenstaande als uitgangspunt nemen bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek. Voor zover van belang zal zij naar aanleiding van de gevoerde verweren verder ingaan op de bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds de minister en anderzijds de uitleveringsrechter.

3.2

Toepasselijke wetten en verdragen

Op het verzoek is naast de UW het Europees Verdrag betreffende de uitlevering (Parijs, 13 december 1957, Trb.1965, 9) (hierna: EUV) met het Tweede Aanvullend Protocol bij het Verdrag, gesloten te Straatsburg op 17 maart 1979 (Trb. 1979, 120) (hierna: het Tweede Protocol) van toepassing.

3.3

Genoegzaamheid van de stukken

Het verzoek is schriftelijk gedaan langs de diplomatieke weg. Het verzoek is conform artikel 18 van de UW en artikelen 12 en 23 van het EUV vergezeld van de vereiste en onder 1.2 genoemde stukken. De stukken zijn derhalve genoegzaam.

3.4

Voorwaarden voor uitlevering

Dubbele strafbaarheid en strafbedreiging met vrijheidsstraffen van tenminste één jaar

Op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b UW kan uitlevering alleen worden toegestaan ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de verzoekende staat te ondergaan wegens een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar dat van Nederland, een vrijheidsstraf van een jaar of van langere duur kan worden opgelegd.

De rechtbank stelt vast dat de vrijheidsstraf die de opgeëiste persoon nog moet ondergaan, langer is dan vier maanden. Verder stelt de rechtbank vast dat het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht naar Turks en naar Nederlands recht strafbaar is en dat daarvoor een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd. Naar Nederlands recht is het feit- met inachtneming van het bepaalde in artikel 5, tweede lid van de UW- strafbaar gesteld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. Voor dit feit kan een gevangenisstraf van meer dan een jaar worden opgelegd.

Ne bis in idem en verjaring

Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt ingevolge artikel 9 van de UW niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan - kort gezegd - de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd dan wel is vervolgd en hernieuwde vervolging naar Nederlands recht is uitgesloten of voor een feit dat is verjaard. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van

2 september 2021 betreffende de opgeëiste persoon, is van een dergelijke situatie geen sprake. Evenmin is naar Turks of Nederlands recht sprake van verjaring.

Vervolging wegens een politiek delict

Op grond van artikel 11 van de UW vindt uitlevering niet plaats voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten. Namens de opgeëiste persoon is bepleit dat aan de veroordeling politieke motieven ten grondslag liggen. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon zich ten tijde van zijn veroordeling in 2017 sterk maakte voor de Koerdische zaak. Hij was een fel tegenstander van Erdogan en de AKP en uitte online en bij demonstraties kritiek op het heersende regime. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. In het Turkse strafvonnis zijn geen aanknopingspunten te vinden die erop duiden dat het vonnis zou zijn ingegeven door het feit dat de opgeëiste persoon Koerd is, dat hij lid van de Koerdische partij is of een tegenstander is van het huidige regime. Ook in de overige stukken zijn geen aanwijzingen dat aan de veroordeling politieke overwegingen ten grondslag hebben gelegen. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat uit het vonnis van 16 november 2017 naar voren komt dat er door de rechtbank te Elazig op 20 december 2012 wegens hetzelfde feitencomplex een veroordelend vonnis tegen de opgeëiste persoon is gewezen. De opgeëiste persoon is van die beslissing in cassatie gegaan, waarna het hof van cassatie de beslissing van de rechtbank op 11 mei 2017 om formele redenen heeft vernietigd en de zaak heeft teruggewezen naar de rechtbank van Elazig, die met inachtneming van de beslissing van het hof van cassatie de zaak weer in behandeling heeft genomen en tot een hernieuwde veroordeling is gekomen voor het oorspronkelijke feitencomplex.

Kennelijke onschuld

Van uitlevering dient te worden afgezien indien de opgeëiste persoon onverwijld kan aantonen niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd. Van kennelijke onschuld kan enkel sprake zijn indien uit het verweer van de opgeëiste persoon - en de eventuele onderbouwing met stukken - volgt dat de opgeëiste persoon de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd materieel niet kan hebben gepleegd.

De opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat hij onschuldig is aan hetgeen hem wordt verweten. De rechtbank constateert dat de rechter in de verzoekende staat zich over de schuldvraag heeft gebogen. Het veroordelend vonnis is voor tenuitvoerlegging vatbaar, zodat voor de rechtbank weinig ruimte bestaat voor een oordeel dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld. Nu de opgeëiste persoon zijn standpunt alleen heeft onderbouwd door te stellen dat degene die hem indertijd van verkrachting beschuldigde uit een conservatieve en pro AKP familie kwam en hem onder invloed van haar familie vals heeft beschuldigd, heeft de opgeëiste persoon naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet onverwijld zijn onschuld aangetoond.

(Dreigende) schending van fundamentele mensenrechten

In beginsel dient bij uitleveringszaken bij de beoordeling te worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren (vgl. Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).

Blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) is het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van het EVRM voorbehouden aan de minister. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.

Hoewel de uitleveringsrechter slechts kan oordelen over een beroep op een voltooide schending van artikel 3 van het EVRM en een voltooide flagrante schending van artikel 6 van het EVRM bij uitlevering ter fine van strafexecutie, kan hetgeen is aangevoerd omtrent een (dreigende) schending van artikel 3 of 6 van het EVRM wel aanleiding vormen voor de uitleveringsrechter om eventuele opvattingen kenbaar te maken in het advies aan de minister als bedoeld in artikel 30 van de UW.

De raadsvrouw heeft niet aangevoerd dat sprake zou zijn van een voltooide schending van artikel 3 van het EVRM en daarvan is de rechtbank ook niet gebleken. Hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd ten aanzien van een dreigende schending van artikel 3 EVRM wegens de aangevoerde detentieomstandigheden en martelingen van Koerdische gevangenen in Turkse gevangenissen, kan niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering. De rechtbank zal dit standpunt betrekken in het advies aan de minister.

Verstekvonnis

De raadsvrouw heeft namens de opgeëiste persoon gesteld dat sprake is van een voltooide schending van artikel 6 EVRM en dat de uitlevering om die reden ontoelaatbaar dient te worden verklaard. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat sprake is van een verstekvonnis en dat de opgeëiste persoon geen contact heeft gehad met de advocaat die hem in de Turkse strafprocedure heeft bijgestaan.

De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering dan wel tot aanhouding van de behandeling om nadere informatie op te vragen bij de Turkse autoriteiten met betrekking tot de procedurele gang van zaken.

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 mei 2001 (ECLI:NL:HR:2001: AB1762) stelt de rechtbank het volgende voorop. Van toepassing is artikel 3, eerste lid van het Tweede aanvullend protocol bij het EUV, waarbij zowel Nederland als Turkije partij zijn. Dit artikellid luidt in de Nederlandse vertaling:

Wanneer een Verdragsluitende Partij een andere Verdragsluitende Partij om de uitlevering van een persoon verzoekt ten einde een strafvonnis of een bevel tot vrijheidsbeneming ten uitvoer te leggen dat bij verstek is gewezen, kan de aangezochte Partij weigeren hiertoe uit te leveren, wanneer naar haar oordeel bij het strafproces de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen, die tenminste aan een ieder, tegen wie strafvervolging wordt ingesteld, behoren toe te komen.

Deze bepaling dient te worden bezien in het licht van art. 6, derde lid aanhef en onder c, EVRM:

'Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:

(…)

c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze, of indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen.'

Uit genoemde bepalingen volgt dat uitlevering niet toelaatbaar is als bij het strafproces de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen en dat deze situatie zich voordoet indien de opgeëiste persoon in de verzoekende staat niet het recht heeft kunnen uitoefenen zichzelf te verdedigen of zich te laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat uit de door de Turkse autoriteiten verstrekte informatie is gebleken dat de opgeëiste persoon voldoende in de gelegenheid is geweest van zijn verdedigingsrechten gebruik te maken.

De opgeëiste persoon stelt dat sprake is van een verstekvonnis, maar heeft dit niet nader onderbouwd. Uit het Turkse strafvonnis blijkt dat de opgeëiste persoon is bijgestaan of zich heeft laten vertegenwoordigen door een advocaat en dat deze advocaat ook bij de uitspraak aanwezig was. De advocaat die de opgeëiste persoon heeft bijgestaan is vervolgens tegen de uitspraak in cassatie gegaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan het vonnis van de rechtbank dan ook niet worden aangemerkt als ‘judgement rendered in absentia’, als bedoeld in art. 3 lid 1 Tweede Aanvullend Protocol bij het EUV, waarvan gezegd kan worden dat ‘the proceedings leading to the judgement did not satisfy the minimum rights of defence recognised as due to everyone charged with criminal offence’, waardoor de gevraagde uitlevering zou moet worden geweigerd. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon ter zitting op 8 april 2022 verklaard te weten van de eerste veroordeling in deze zaak in 2012 en de cassatieprocedure daartegen en dat de in de stukken genoemde advocaat zijn raadsman was.

Een voltooide schending van artikel 6 EVRM is niet gebleken. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verweer wordt verworpen en het voorwaardelijk verzoek om aanhouding wordt afgewezen.

3.9

Tot slot

Namens de opgeëiste persoon is ter zitting aangevoerd dat het uitleveringsverzoek politiek gemotiveerd is, omdat thans ook twee strafrechtelijke onderzoeken naar de opgeëiste persoon lopen voor belediging van Erdogan en het maken van propaganda voor een terroristische organisatie. Dat zijn feiten waarvoor Nederland niet zal kunnen uitleveren, hetgeen met zich brengt dat er een risico is dat het specialiteitsbeginsel mogelijk niet wordt gewaarborgd als hij voor het vonnis wegens verkrachting wordt uitgeleverd, aldus de opgeëiste persoon. De raadsvrouw heeft om aanhouding verzocht wegens de verwachte vertaalde stukken in deze twee strafrechtelijke onderzoeken.

De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding af. De vertaalde stukken raken de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek niet en zijn aldus niet aan de rechtbank maar aan de minister om te beoordelen. De rechtbank zal deze informatie betrekken in het advies aan de minister.

Ook is overigens niets van zodanige strekking naar voren gebracht, dat de rechtbank daarin een beletsel voor de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering zou moeten zien, terwijl de rechtbank ook ambtshalve niet van zodanig beletsel is gebleken.

4 De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen

Op de beslissing zijn de volgende verdrags- en wetsartikelen van toepassing:

- artikelen 2, 5, 18, 26, 28 en 51a UW;

- artikelen 1, 2 en 12 EUV;

- artikel 242 Wetboek van Strafrecht.

5 Beslissing

De rechtbank:

verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de Turkse autoriteiten van [opgeëiste persoon] voornoemd ter fine van strafexecutie ter zake van het in het door de Turkse autoriteiten overgelegde vonnis vermelde feit.

Deze uitspraak is gewezen door:

mr. M.T. Renckens, voorzitter,

mr. E.A.G.M. van Rens, rechter,

mr. B.W. Mulder, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R.C. van Grinsven, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 22 april 2022.

Rechtbank den haag

Strafrecht

Uitleveringskamer

Kenmerk: UTL-I-2021025285
Raadkamernummer: 22/78

Advies inzake uitlevering aan de minister van Justitie en Veiligheid

De rechtbank Den Haag, uitleveringskamer, heeft bij uitspraak van heden, 22 april 2022, de uitlevering aan Turkije van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn,

verder te noemen: de opgeëiste persoon,

toelaatbaar verklaard. Een gewaarmerkt afschrift van deze uitspraak wordt u hierbij gezonden.

De rechtbank adviseert in uw overwegingen omtrent de beslissing of de uitlevering ook daadwerkelijk kan worden toegestaan het navolgende te betrekken.

In artikel 14 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, waar zowel Nederland als

Turkije partij bij is en zoals u bekend is, is neergelegd dat een opgeëiste persoon niet

kan worden vervolgd of berecht voor andere feiten begaan voor de uitlevering dan de feiten

waarvoor de uitlevering heeft plaatsgevonden. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft ter zitting aangevoerd en met bescheiden gestaafd dat tegen de opgeëiste persoon in 2021 in Turkije twee strafrechtelijke onderzoeken zijn gestart wegens het beledigen van president Erdogan en het maken van propaganda voor een in de ogen van het Turkse regime terroristische organisatie. Dat zijn feiten waarvoor Nederland niet zal kunnen uitleveren. De Turkse autoriteiten hebben de zgn. specialiteitsgarantie afgegeven. Gelet op de vele zorgelijke berichten omtrent mensenrechtenschendingen in Turkije kan, ondanks het vertrouwensbeginsel, naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten dat de Turkse autoriteiten niettemin tot vervolging van de opgeëiste persoon zullen overgaan als hij zich eenmaal in Turkije bevindt. De rechtbank geeft u daarom in overweging het specialiteitsbeginsel nadrukkelijk onder de aandacht van de Turkse autoriteiten te brengen en zo nodig garanties voor de naleving daarvan te bedingen. .

De rechtbank heeft met zorg kennis genomen van onder meer het algemeen ambtsbericht inzake Turkije van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van maart 2022 en hetgeen is aangevoerd namens de opgeëiste persoon ten aanzien van de detentieomstandigheden en behandeling van met name Koerdische gevangenen. Er is sprake van overbevolking en er bestaat risico op mishandeling en marteling. De gevangenis in Elazig wordt in dit verband genoemd. De rechtbank geeft u in overweging – indien u de uitlevering van de opgeëiste persoon toestaat - een aanvullende garantie te vragen aan de Turkse autoriteiten dat de opgeëiste persoon niet zal worden blootgesteld aan een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling en dat de straf niet in de Elazig gevangenis ten uitvoer zal worden gelegd.

Dit advies is gegeven op 22 april 2022 door:

mr. M.T. Renckens, voorzitter,

mr. E.A.G.M. van Rens, rechter,

mr. B.W. Mulder, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R.C. van Grinsven, griffier.