Bestuursprocesrecht

Woo. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit, dus kan…

Rechtbank Gelderland, 17 december 2025

Zaakgegevens

Op 17 december 2025 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
17 december 2025
Datum publicatie
23 januari 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 4232
Procedure
Proces-verbaal
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2025:11662
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Woo. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit, dus kan geen beroep instellen. De gemachtigde van eiser heeft bewust op persoonlijke titel het Woo-verzoek ingediend en bezwaar gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/4232


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. E.T.P. Scheers),

en

de minister van Asiel en Migratie (voorheen: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid)

(gemachtigde: mr. R. Mustafa).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over een verzoek tot openbaarmaking van een aantal documenten op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser is het niet eens met de besluitvorming op dit verzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt eerst of eiser in zijn beroep kan worden ontvangen. Als dat het geval is, zal de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eiser de openbaarmaking van documenten beoordelen.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 20 februari 2024 heeft de gemachtigde van eiser (hierna: Scheers) in persoon een Woo-verzoek ingediend bij de staatssecretaris. De staatssecretaris heeft dit verzoek met het besluit van 19 maart 2024 afgewezen. Hiertegen heeft Scheers in persoon bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 17 juni 2024 op het bezwaar van Scheers, heeft de staatssecretaris het bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

2.1.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Nadien is de beslissingsbevoegdheid overgegaan naar de minister van Asiel en Migratie. De minister heeft vervolgens op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

2.3.

Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

3. Voordat de rechtbank het beroep van eiser kan beoordelen moet zij eerst beoordelen of het beroep ontvankelijk is, oftewel of het beroep voldoet aan de door de wet gestelde vereisten voor het in behandeling nemen van een beroep.

3.1.

Op grond van de artikelen 7:1 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een belanghebbende eerst bezwaar maken voordat hij beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Op grond van artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.

3.2.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Het ingediende bezwaarschrift vermeldt ook niet dat het (mede) is ingediend namens eiser. Dat zowel het Woo-verzoek als het bezwaarschrift zijn ingediend via het zakelijke e-mailadres van de gemachtigde van eiser en dat beide stukken zijn opgesteld op het ‘briefpapier’ van het advocatenkantoor van deze gemachtigde, is niet van doorslaggevende betekenis. Uit de inleiding van het bezwaarschrift blijkt onmiskenbaar dat Scheers op persoonlijke titel bezwaar maakt tegen het Woo-besluit.

3.3.

De gemachtigde van eiser heeft op vragen van de rechtbank toegelicht dat hij er bewust voor heeft gekozen om de naam van eiser in de aanvraag en in het bezwaarschrift niet te noemen. Hij wilde voorkomen dat de uitkomst van het Woo-besluit daardoor zou worden beïnvloed. Als de gemachtigde welbewust kiest voor een dergelijke aanpak, had het naar het oordeel van de rechtbank voor de hand gelegen dat de gemachtigde vervolgens ook de beroepsprocedure op eigen naam zou voeren. De rechtbank laat in het midden of deze handelwijze in lijn is met de Gedragsregels voor de advocatuur, nu het de verantwoordelijkheid van een advocaat is dat in zijn contacten met derden geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin hij in een gegeven situatie optreedt. Een overtreding van de gedragsregels ligt niet voor.

3.4.

Nu niet is gebleken dat het eiser redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt, heeft hij geen toegang tot de bestuursrechter. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

4.1.

Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025 door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.

griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.