Omgevingsrecht

Afwijzing handhavingsverzoek, tijdelijke omgevingsvergunning en last onder dwangsom. Bezwaar tegen last ten…

Rechtbank Gelderland, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
22 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 25/3036, ARN 25/3037 en ARN 26/2166
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:8212
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing handhavingsverzoek, tijdelijke omgevingsvergunning en last onder dwangsom. Bezwaar tegen last ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken procesbelang. Eisers zijn belanghebbend omdat de last is opgelegd op het naastgelegen perceel en hun procesbelang is gelegen in het voorkomen van herhaling van de overtreding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: ARN 25/3036, ARN 25/3037, ARN 26/2166

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2026

in de zaken tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers

(gemachtigde: mr. M. Beukema-Veldkamp),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel

(gemachtigde: mr. M. Malicky).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een handhavingsverzoek, het verlenen van een tijdelijke omgevingsvergunning om gedurende een jaar te kunnen wonen in de bedrijfsruimte aan de [adres] in Kerkdriel, en over een last onder dwangsom ter beëindiging van die bewoning. Eisers wonen op het naastgelegen perceel en ervaren overlast. Zij zijn het niet eens met de besluiten. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers geen procesbelang hebben in de zaak over de tijdelijke omgevingsvergunning, dat het beroep van eisers ongegrond is in de zaak over de afwijzing van het handhavingsverzoek, en dat het beroep gegrond is in de zaak over de last onder dwangsom. Eisers krijgen dus gedeeltelijk gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

1.2.

Onder 2, 3 en 4 staat het procesverloop in deze zaken. Onder 5 staat wat er is gebeurd. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen.

In de zaak met zaaknummer ARN 25/3036 (tijdelijke omgevingsvergunning):

- Hebben eisers procesbelang?

In de zaak met zaaknummer ARN 25/3037 (afwijzing handhavingsverzoek):

- Heeft het college de geluidsoverlast voldoende meegewogen bij de afwijzing?

In de zaken met zaaknummers ARN 25/3036 en ARN 25/3037:

- Is de redelijke termijn van beslissen overschreden?

In de zaak met zaaknummer ARN 26/2166 (last onder dwangsom):

- Heeft het college het bezwaar van eisers ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard?

Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

In de zaken met zaaknummers ARN 25/3036 en ARN 25/3037 (tijdelijke omgevingsvergunning en afwijzing handhavingsverzoek):

2. Op 28 januari 2024 hebben eisers een handhavingsverzoek bij het college ingediend omdat er volgens hen sprake is van geluidsoverlast vanwege gebruik van de bedrijfsruimte aan de [adres] in Kerkdriel in strijd met het omgevingsplan.

2.1.

Bij besluit van 10 juli 2024 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen, en tegelijkertijd een tijdelijke omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit bouwen waarmee er tijdelijk gedurende een jaar in de bedrijfsruimte kan worden gewoond.

2.2.

Bij besluit van 5 juni 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven, en heeft het college de omgevingsvergunning met aanvulling van de motivering in stand gelaten.

In de zaak met zaaknummer ARN 26/2166 (last onder dwangsom):

3. Bij besluit van 24 september 2025 heeft het college aan vergunninghouder gelast om vóór 26 maart 2026, onder dwangsom van € 15.000,- ineens:

  1. “De illegale bewoning van de loods op het adres [adres] in Kerkdriel te (laten) beëindigen en beëindigd te (laten) houden;

  2. Ter voorkoming dat de loods illegaal wordt bewoond, het (laten) verwijderen en verwijderd (laten) houden van de aanwezige woonvoorzieningen welke zelfstandige bewoning van de loods mogelijk maken. Dit doet u door het verwijderen van de eventuele bedden, sanitaire voorzieningen en kookgelegenheid in de loods/kantoorruimte.”

3.1.

Bij besluit van 27 maart 2026 heeft het college het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om kostenvergoeding afgewezen.

In de drie zaken:

4. Eisers hebben beroep ingesteld.

4.1.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

4.2.

De rechtbank heeft de beroepen op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, [persoon] als vervanger van de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is er gebeurd?

5. Eisers ervaren overlast van het naastgelegen perceel aan de [adres] in Kerkdriel. Zij hebben een handhavingsverzoek bij het college ingediend ter beëindiging van de overlast van het volgens eisers illegale gebruik van de bedrijfsruimte. Het college heeft het handhavingsverzoek afgewezen en een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor bewoning van de bedrijfsruimte voor de duur van een jaar – tot 10 juli 2025 – tijdens het verbouwen van de woning. Na het verstrijken van de termijn van de tijdelijke vergunning heeft het college geconstateerd dat de bedrijfsruimte nog steeds bewoond wordt. Hierop heeft het college aan de bewoners van de bedrijfsruimte (vergunninghouder) een last onder dwangsom opgelegd ter beëindiging van de bewoning van de bedrijfsruimte. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van het handhavingsverzoek, de tijdelijke omgevingsvergunning en de last onder dwangsom.

In de zaak met zaaknummer ARN 25/3036 (tijdelijke omgevingsvergunning):

Hebben eisers procesbelang?

6. Volgens vaste rechtspraak hoeft de bestuursrechter een bij haar ingediend beroep alleen inhoudelijk te beoordelen als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. Met andere woorden, de indiener dient een actueel en reëel belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Als een besluit geen werking meer heeft, bestaat in beginsel geen procesbelang meer.

6.1.

Eisers hebben desgevraagd betoogd dat zij nog procesbelang hebben. Zij willen graag een uitspraak van de rechtbank over de tijdelijke omgevingsvergunning. Eisers stellen schade te hebben geleden door de langdurige overlast vanwege illegale bewoning van de bedrijfsruimte die nog doorgaat.

6.2.

De rechtbank oordeelt dat eisers geen procesbelang hebben omdat de tijdelijke omgevingsvergunning met ingang van 10 juli 2025 is verstreken. Daardoor heeft de vergunning geen werking meer. Als de rechtbank de vergunning zou vernietigen, heeft dit daarom geen feitelijke gevolgen meer. Dat eisers een oordeel van de rechtbank wensen over de tijdelijke omgevingsvergunning, is in dit geval een belang van principiële aard en dat levert volgens vaste rechtspraak geen rechtens te respecteren belang op.

6.3.

Ook hebben eisers geen procesbelang vanwege mogelijke schade. Voor zover eisers stellen dat zij schade te hebben geleden, motiveren zij de schade onvoldoende en onderbouwen zij hun stelling niet met objectieve gegevens. Volgens vaste rechtspraak moet voor het aannemen van procesbelang tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit. Eisers hebben in het geheel niet aannemelijk gemaakt of onderbouwd dat zij schade hebben geleden.

6.4.

Omdat de rechtbank oordeelt dat eisers geen procesbelang hebben, komt de rechtbank niet toe aan de inhoudelijke beroepsgronden van eisers.

6.5.

Het beroep is niet-ontvankelijk.

In de zaak met zaaknummer ARN 25/3037 (afwijzing handhavingsverzoek):

7. Het college heeft ook in de zaak over de afwijzing van het handhavingsverzoek het procesbelang betwist. De rechtbank is van oordeel dat eisers in deze zaak wel procesbelang hebben, nu zij aanvoeren dat het handhavingsverzoek ten onrechte is afgewezen over het gebruik van de ontvangstruimte als feestzaal. Als die grond doel treft, hebben eisers nog belang bij een nieuwe beoordeling van het handhavingsverzoek door het college. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van het handhavingsverzoek aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

Heeft het college het handhavingsverzoek van eisers terecht afgewezen wat betreft de ontvangstruimte?

8. Eisers betogen dat het college het handhavingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen omdat er geen geluidsoverlast is geconstateerd. Eisers ervaren geluidsoverlast van de bedrijfsruimte die in strijd met het omgevingsplan als feestruimte wordt gebruikt, ook in de weekenden. Verder voeren eisers aan dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat het college nieuwe feiten – zoals mogelijk een nieuwe bewoner in de bedrijfsruimte – niet heeft onderzocht en meegewogen.

8.1.

De inhoud van het handhavingsverzoek is bepalend voor de omvang van het geding. Eisers hebben gevraagd handhavend op te treden tegen het gebruik van het pand in strijd met het omgevingsplan. Dat gaat om de bewoning en ook om het gebruik van de ontvangstruimte van het bedrijf als feestzaal in de avonduren. Partijen zijn het er over eens dat de door eisers ervaren geluidsoverlast op die manier onderdeel uitmaakt van het handhavingsverzoek. Zij verschillen alleen van mening of het college het gebruik van de ontvangstruimte (en de bijbehorende geluidsoverlast) voldoende heeft onderzocht bij de afwijzing van het handhavingsverzoek.

8.2.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht stelt dat hij in het besluit op bezwaar voldoende is ingegaan op het gebruik van de ontvangstruimte en de door eisers ervaren geluidsoverlast. Het college stelt terecht dat er bij controles geen gebruik als feestruimte is vastgesteld en ook geen geluidsoverlast is geconstateerd. In reactie op de stellingen van eisers dat zij wel degelijk geluidsoverlast ervaren door dergelijk gebruik (op andere momenten dan de controles door het college) heeft het college binnen de gemeente navraag gedaan. Er zijn geen klachten over geluid over deze locatie bij de gemeente binnengekomen. Zoals tijdens de zitting is besproken, hebben eisers wel contact gehad met de politie. Dat heeft er echter niet toe geleid dat het college op de hoogte is gesteld van die melding bij de politie. Wat hier is misgegaan tussen politie en college kan niet meer worden vastgesteld. Er volgt uit het dossier geen aanleiding om dat aan het college te verwijten. Ook heeft het college toegelicht dat ook geen meldingen van anderen over overlast van een gebruik van de ontvangstzaal als feestruimte bij de gemeente zijn binnengekomen. Het college stelt terecht dat hij enkel af kan gaan op concrete meldingen van overlast. Nu die er niet zijn en ook tijdens de controles niet is gebleken van strijdig gebruik van de ontvangstruimte geluidsoverlast, heeft het college in het besluit op bezwaar voldoende overwogen over het handhavingsverzoek van eisers op dit punt.

8.3.

De rechtbank geeft eisers het volgende nog mee voor zover er in de toekomst nog sprake zou zijn van geluidsoverlast door gebruik van de ontvangstruimte in strijd met het omgevingsplan. Tijdens de zitting heeft het college aangegeven dat klachten over geluidsoverlast direct bij de gemeente gemeld kunnen worden via de website van de gemeente. Deze klachten worden behandeld door de buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s), zo nodig ook in de avond en de nacht.

8.4.

Voor zover eisers aanvoeren dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid, is van belang dat het college voorafgaand aan de besluitvorming twee controles heeft verricht en een afweging heeft gemaakt over een tijdelijke vergunning. Daarmee was het mogelijk dat de bedrijfsruimte tijdelijk werd bewoond. Omdat er geen klachten bij de gemeente zijn binnengekomen, was er geen aanleiding voor het college om opnieuw controles te verrichten naar aanleiding van het bezwaar. Het besluit is daarom naar het oordeel van de rechtbank voldoende voorbereid.

8.5.

De beroepsgrond slaagt niet.

In de zaken met zaaknummers ARN 25/3036 en ARN 25/3037:

Is de redelijke termijn van beslissen overschreden?

9. Eisers betogen dat zij recht hebben op een vergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn van beslissen bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Een bezwaarbehandeling mag maximaal zes maanden mag duren. De bezwaartermijn is gestart met het indienen van het bezwaarschrift op 19 augustus 2024 en de beslissingen op bezwaar volgden pas op 5 juni 2025. De bezwaartermijn is dus met ruim vier maanden overschreden.

9.1.

Uit vaste rechtspraak volgt dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Voor de berechting van een zaak in eerste aanleg geldt als uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, als de rechter in eerste aanleg niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van een eventuele bezwaarschriftprocedure inbegrepen. In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase samen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn daardoor is overschreden, heeft voor de toerekening van die termijnoverschrijding aan het bestuursorgaan, respectievelijk de rechter, als uitgangspunt te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd, als de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase als zij meer dan anderhalf jaar heeft geduurd.

9.2.

De behandeling van de totale procedure heeft vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot aan deze uitspraak (afgerond) twee jaar en twee maanden geduurd. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase is gezamenlijk twee jaar. De redelijke termijn is dus met twee maanden overschreden en daarom hebben eisers recht op vergoeding van schade. Bij een forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan dat de redelijke termijn is overschreden, bedraagt de aan eisers toe te kennen schadevergoeding € 500,-. In dit geval wordt slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd voor beide zaken samen, omdat de twee zaken betrekking op hetzelfde onderwerp en sprake is van één bezwaarschrift en één beroepschrift, waarbij de twee in de bezwaarfase en in de rechterlijke fase gezamenlijk zijn behandeld. Omdat het college buiten de redelijke termijn van een half jaar heeft besloten en de rechtbank binnen de redelijke termijn van anderhalf jaar is gebleven, is de overschrijding van de termijn toe te rekenen aan het college. De rechtbank zal daarom het college veroordelen tot betaling van de vergoeding van € 500,-.

9.3.

Eisers krijgen daarom een schadevergoeding van € 500,-.

In de zaak met zaaknummer ARN 26/2166 (last onder dwangsom):

10. De rechtbank beoordeelt de last onder dwangsom aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

Heeft het college het bezwaar van eisers ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard?

10.1.

Eisers betogen dat het college hun bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat zij geen procesbelang hebben bij een beslissing op hun bezwaar. Het college besteedt onterecht geen aandacht aan het gebruik als ontvangstruimte/feestzaal in strijd met het bestemmingsplan, wat tot geluidsoverlast leidt. Uit de foto’s van het controlerapport van 12 maart 2026 blijkt dat de oorspronkelijke ontvangstruimte een soort kroeg is. Eisers ervaren dat er tot op heden regelmatig feesten worden gegeven. Het college heeft niet voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht van artikel 7:13, zevende lid, van Awb om af te wijken van het advies van de commissie bezwaarschriften waarin wordt geadviseerd dat de last nader moest worden onderbouwd over het gebruik als feestzaal.

10.2.

Het college stelt zich op het standpunt dat de geluidsoverlast door de feestzaal niet meegenomen hoeft te worden in de last onder dwangsom omdat er geen constateringen van geluidsoverlast zijn. Tijdens de hoorzitting van 3 februari 2026 is door eisers ook gesteld dat zij geen geluidsoverlast meer ervaren. Nu de bewoning is geëindigd, hebben eisers volgens het college geen procesbelang meer.

10.3.

De rechtbank stelt voorop dat het college de last onder dwangsom heeft opgelegd omdat hij ambtshalve heeft gehandhaafd vanwege het verstrijken van de termijn van de tijdelijke omgevingsvergunning. Met de last onder dwangsom is niet beslist op het eerdere handhavingsverzoek van eisers, waarover zaak ARN 25/3037 gaat. Dat handhavingsverzoek is immers door verweerder afgewezen en op een handhavingsverzoek kan maar één keer beslist worden. Uit overweging 8 volgt dat het college al volledig heeft beslist op het handhavingsverzoek.

10.4.

De rechtbank oordeelt dat eisers procesbelang hebben bij een beoordeling van de opgelegde last. Eisers zijn belanghebbend omdat de last is opgelegd op het naastgelegen perceel, en hun procesbelang is gelegen in het voorkomen van herhaling van de overtreding. Als het pand en dan met name de ontvangstruimte/feestzaal niet in strijd met het omgevingsplan wordt gebruikt, hebben eisers hier geen geluidsoverlast van. De rechtbank stelt verder vast dat niet is gebleken dat de last is ingetrokken, dus de last is nog in werking. Het college heeft dat ten onrechte niet erkend.

10.5.

Het beroep is gegrond.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep tegen de zaak met zaaknummer ARN 25/3036 over de tijdelijke omgevingsvergunning is niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang.

12. Het beroep in de zaak met zaaknummer ARN 25/3037 over de afwijzing van het handhavingsverzoek is ongegrond omdat het college het besluit voldoende heeft gemotiveerd.

13. Wel veroordeelt de rechtbank het college in de zaken met zaaknummers ARN 25/3036 en ARN 25/3037 om eisers een schadevergoeding te betalen van € 500,- omdat de redelijke beslistermijn is overschreden.

14. Het beroep in de zaak met zaaknummer ARN 26/2166 over de last onder dwangsom is gegrond omdat het college eisers ten onrechte niet-ontvankelijk hebben verklaard in hun bezwaar. Dat betekent dat de rechtbank het besluit op bezwaar van 27 maart 2026 zal vernietigen. Nu het college ten onrechte niet inhoudelijk heeft beslist op de bezwaren die eisers hebben aangevoerd, zal de rechtbank het college opdragen dit alsnog te doen. Omdat op voorhand niet duidelijk is wat hiervan de inhoudelijke uitkomst zal zijn, zal de rechtbank hier niet zelf een besluit over nemen en ook het college niet opdragen dit te doen in het kader van een zogenoemde bestuurlijke lus.

14.1.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van acht weken.

14.2.

Omdat het beroep in de zaak met zaaknummer ARN 26/2166 gegrond is, krijgen eisers het griffierecht in die zaak terug. Zij krijgen in die zaak ook een vergoeding van hun proceskosten.

14.3.

De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- in de beroepsfase, (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen tijdens de zitting, met een waarde per punt van € 934,-). Ook zal de rechtbank de door eisers verzochte reis- en verletkosten van in totaal € 285,46 toewijzen. Dat betekent dat het college een bedrag van € 2.153,46 (1.868 + 285,46) aan eisers moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

in de zaak met zaaknummer ARN 25/3036 (tijdelijke omgevingsvergunning):

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

in de zaak met zaaknummer ARN 25/3037 (afwijzing handhavingsverzoek):

- verklaart het beroep ongegrond;

in de zaken met zaaknummers ARN 25/3036 en ARN 25/3037:

- veroordeelt het college tot het betalen van schadevergoeding van € 500,- aan eisers;

in de zaak met zaaknummer ARN 26/2166 (last onder dwangsom):

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het besluit op bezwaar van 27 maart 2026;

  • draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • bepaalt dat het college het door eisers betaalde griffierecht van € 200,- aan hen moet vergoeden;

  • veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten van € 2.153,46.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Op grond van artikel 5.1 eerste lid aanhef en onder a van de Omgevingswet en artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Zoals onder meer volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4991 onder 6. Zoals onder meer volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:952 onder 4.1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1581 onder 6. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5155 onder 3. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1138, en van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:712. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4091 onder 10. Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:704, onder 3.1. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1179 onder 2.1. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep 16 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3989. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4758 onder 5.1.