Omgevingsrecht

Omgevingsvergunning mestvergistingsinstallatie. Belanghebbendheid Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland…

Rechtbank Gelderland, 2 september 2026

Zaakgegevens

Op 2 september 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
2 september 2026
Datum publicatie
1 september 2026
Zaaknummer
ARN 26/1688
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:6792
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Omgevingsvergunning mestvergistingsinstallatie. Belanghebbendheid Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland (SLBG). De rechtbank oordeelt dat SLBG voldoende feitelijke werkzaamheden verricht en daarom belanghebbende is. Het college heeft het bezwaar van SLBG ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/1688

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland, uit Groenlo, eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oost Gelre, het college

(gemachtigde: mr. S. Heno).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [vestigingsplaats] (vergunninghouder)

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om het bezwaar van eiseres tegen een omgevingsvergunning voor een mestvergistingsinstallatie niet-ontvankelijk te verklaren. Volgens het college is eiseres geen belanghebbende bij het besluit omdat haar feitelijke werkzaamheden voornamelijk bestaan uit het voeren van procedures en daarnaast geen feitelijke werkzaamheden worden verricht. Eiseres is het niet eens met dit besluit.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres voldoende werkzaamheden verricht en daarom aan te merken is als belanghebbende.

Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghouder exploiteert op het perceel [adres] te Groenlo een melkrundveehouderij. Zij heeft het voornemen om de agrarische bedrijfsvoering te wijzigen door het plaatsen van een mono-mestvergister om daarmee mest van het eigen bedrijf te vergisten. De mestvergister met bijbehorende apparatuur is voorzien aan de noordzijde van het bedrijf en heeft een bouwhoogte van 10 meter, een diameter van 13 meter en een oppervlakte van 130 m². Voor deze wijziging is 26 juli 2024 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Op 26 juli 2024 heeft vergunninghouder ook een milieumelding ingediend bij het college voor de activiteit “bedrijf voor behandeling van mest”.

3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.

Op het perceel was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oost Gelre 2011’ van kracht. Dit bestemmingsplan is gewijzigd door meerdere (paraplu)bestemmingsplannen. Deze bestemmingsplannen maken dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Oost Gelre. Op grond van het bestemmingsplan heeft de grond waar het bouwplan is voorzien de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden” met een bouwvlak. Binnen deze bestemming zijn mestvergistingsinstallaties niet toegestaan, zodat het bouwplan in strijd is met de gebruiksregels. Het bouwplan is ook in strijd met de bouwregels omdat de bouwhoogte meer bedraagt dan de toegestane hoogte van 7 meter.

3.1.

Het college heeft bij besluit van 27 oktober 2025 een omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten:

  • bouwactiviteit (technisch);

  • bouwactiviteit (omgevingsplan);

  • afwijken van regels in het omgevingsplan (BOPA).

3.2.

Eiseres heeft op 21 november 2025 een bezwaarschrift ingediend.

3.3.

Op 9 december 2025 heeft de adviescommissie voor bezwaarschriften (hierna: commissie) aan eiseres gevraagd welke feitelijke werkzaamheden zij de afgelopen periode heeft uitgevoerd.

3.4.

Op 22 december 2025 heeft eiseres een overzicht van haar activiteiten toegezonden aan de commissie.

3.5.

De commissie heeft in haar advies geadviseerd om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. In het advies staat het volgende:

“Op 22 december 2025 heeft bezwaarde 2 e-mails naar de commissie gestuurd met daarbij een tiental bijlagen ter onderbouwing van de uitgevoerde activiteiten door de stichting.

1. Bezwaarde heeft de volgende werkzaamheden aangegeven:

2. Monitoren van alle vergunningsactiviteiten die een bedreiging kunnen zijn voor de leefbaarheid in het Achterhoekse buitengebied;

3. Op kritische wijze volgen van uitbreidingsplannen van industrieparken in de regio Achterhoek;

4. Kritisch monitoren van door het waterschap verleende lozingsvergunningen in het buitengebied van de Achterhoek;

5. Kritisch monitoren van ontwikkelingen rondom bestaande en nieuwe te plannen mestverwerkingsinstallaties in de regio Achterhoek;

6. Aan derden onze expertise beschikbaar stellen;

7. Dialoog met lokale en provinciale overheden met betrekking tot het realiseren van onze doelstelling;

8. Door derden ingehuurd worden met betrekking tot advisering, onderzoek en rapportage;

9. Burgers en agrariërs adviseren met betrekking tot plannen die hun directe leefomgeving bedreigen;

10. Samenwerken met landelijke collega's;

11. Communicatie en publiciteit.

Tijdens de hoorzitting heeft de commissie vragen gesteld aan bezwaarde over deze werkzaamheden. De commissie heeft hierbij aangegeven dat ze de werkzaamheden onvoldoende onderbouwd vinden en de concreetheid op dit punt missen. Zo blijkt uit de stukken niet altijd wanneer de werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Bezwaarde is tijdens de hoorzitting in de gelegenheid gesteld om toe te lichten welke feitelijke werkzaamheden zij het afgelopen half jaar heeft uitgevoerd voorafgaand aan het indienen van het bezwaarschrift. Bezwaarde heeft hierop aangegeven dat de stichting onder meer een opiniestuk heeft doorgestuurd naar de Gelderlander, een literatuuronderzoek naar sensortechnologie heeft gedaan, een analyse over het Korenburgerveen heeft gemaakt, een lezing heeft gegeven in de gemeente Bronckhorst en heeft gereageerd op een anonieme tip over een overtreding.

De commissie heeft zowel de website www.stlbg.nl onder het kopje berichten, als de informatie uit de e-mails van 22 december 2025 en hetgeen aangegeven is tijdens de hoorzitting in haar overwegingen meegenomen. De commissie heeft geconstateerd dat de werkzaamheden veelal het in rechte opkomen tegen besluiten betreft. Daarnaast zijn het werkzaamheden ter voorbereiding hierop en die hiermee verband houden, zoals het indienen van zienswijzen, het vergaren van informatie en het informeren van derden over aanhangige en/of afgeronde procedures. Ook heeft de informatie die bezwaarde heeft aangeleverd gedeeltelijk betrekking op de periode langer dan 6 maanden geleden voorafgaand aan het indienen van het bezwaarschrift en/of heeft bezwaarde niet geconcretiseerd wanneer deze werkzaamheden hebben plaatsgevonden.

Alles overwegend komt de commissie tot de conclusie dat de stichting in de periode voorafgaand aan het indienen van het bezwaarschrift onvoldoende relevante feitelijke werkzaamheden heeft verricht.”

3.6.

In het bestreden besluit van 19 maart 2026 heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard onder verwijzing naar het advies van de commissie.

3.7.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

3.8.

De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] , namens het college de gemachtigde en namens de derde-partij [persoon 5] .

Beoordeling door de rechtbank

Is de stichting aan te merken als belanghebbende?

4. Eiseres betoogt dat het college haar bezwaar tegen het besluit van 27 oktober 2025 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat zij geen belanghebbende is. Volgens eiseres is het onjuist dat zij alleen werkzaamheden verricht die samenhangen met het voeren van juridische procedures. Zij geeft aan dat zij ook doet aan monitoring, advisering, publiceren, regionale belangenbehartiging, klankborden voor bezorgde bewoners, lezingen verzorgen en deelname aan debatten. Ook beheert zij een eigen website. Zij verwijst voor een overzicht van de verrichte werkzaamheden naar het activiteitenoverzicht dat in bezwaar is overgelegd.

4.1.

Artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt:

“Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.”

4.2.

Artikel 7:1 van de Awb luidt:

“1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, [...]”

4.3.

In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb staat wie belanghebbende is. Dat is degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Bij rechtspersonen worden, volgens het derde lid van artikel 1:2 van de Awb, als hun belangen ook beschouwd de algemene belangen die zij in het bijzonder behartigen. Daarvoor moet worden gekeken naar 1) hun doelstellingen en 2) naar hun feitelijke werkzaamheden.

4.4.

Op deze manier heeft de wetgever het mogelijk gemaakt dat ideële organisaties – zoals eiseres – zaken aan de bestuursrechter kunnen voorleggen om op te komen voor het algemene belang. Aan de andere kant is het niet de bedoeling van de wetgever geweest dat hierdoor iedereen zomaar toegang tot de bestuursrechter krijgt. De combinatie van doelstellingen en feitelijke werkzaamheden werpt daartegen een drempel op en om die reden moeten die feitelijke werkzaamheden er ook echt zijn. In de rechtspraak wordt dit zo uitgelegd, dat het niet voldoende is als een organisatie alleen maar rechterlijke procedures voert. Ook werkzaamheden die met het voeren van rechterlijke procedures verband houden, zoals het indienen van zienswijzen over ontwerpbesluiten, het vergaren van informatie ten behoeve van bestuursrechtelijke procedures en het via de website informeren van derden over aanhangige of afgeronde procedures worden niet aangemerkt als feitelijke werkzaamheden.

Statutaire doelstellingen

4.5.

De doelstellingen van eiseres staan in haar statuten. Op grond van artikel 2 van de (gewijzigde) statuten van 31 januari 2025 heeft de stichting als doel:

“a. de leefbaarheid, de gezondheid en welzijn van mens en dier in het buitengebied van Gelderland in het algemeen en de Achterhoek in het bijzonder, de kwaliteit van het leefgenot, het milieu, de natuur en het agrarisch landschap van de provincie Gelderland te beschermen en de verrommeling van het landschap te voorkomen;

b. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn;

c. het bevorderen van toegang tot relevante informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake leefmilieuaangelegenheden in het buitengebied voor derden.

[…]”

4.6.

De omgevingsvergunning maakt een mono-mestvergister bij een veehouderij in het buitengebied van de gemeente Oost Gelre mogelijk. Dit is in Gelderland, meer specifiek in de Achterhoek én in het buitengebied, en dus in het werkgebied van de stichting dat in de statutaire doelomschrijving is genoemd. De omgevingsvergunning raakt daarnaast de statutaire belangen omdat de mestvergister gevolgen heeft op de kwaliteit van het leefgenot, het milieu en het agrarisch landschap.

Feitelijke werkzaamheden

4.7.

Eiseres is opgericht in 2012. Sinds de oprichting tot 4 mei 2021 heeft de Stichting een vijftal procedures bij de rechtbank gevoerd. Daarin heeft de rechtbank de Stichting als belanghebbende aangemerkt, bijvoorbeeld in de uitspraak van 27 juni 2019 die ging over een omgevingsvergunning, watervergunning en natuurvergunning voor een andere mestverwerkingsinstallatie in Oost Gelre. Ook in procedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) die dateren van vóór de Varkens in Nood-uitspraak is eiseres (impliciet) als belanghebbende aangemerkt.

Dat betekent echter niet dat eiseres automatisch ook in deze zaak belanghebbende is. Belanghebbendheid dient per besluit te worden beoordeeld en als een rechtspersoon gestopt is met het verrichten van feitelijke werkzaamheden, dan kan belanghebbendheid op een later moment anders worden beoordeeld. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de door eiseres aangehaalde rechtbankuitspraken van 27 juni 2025 en 31 oktober 2025 niet kan worden afgeleid dat de rechtbank in die zaken de belanghebbendheid van eiseres al heeft beoordeeld. In die uitspraken was namelijk – anders dan in deze zaak – sprake van de uitgebreide voorbereidingsprocedure én had eiseres een zienswijze ingediend. In die zaken hoefde de rechtbank de belanghebbendheid vanwege de Varkens in Nood-uitspraak niet te beoordelen, want in die zaken stond ook voor niet-belanghebbenden, die een zienswijze hadden ingediend, beroep open. Dat eiseres in andere gemeenten en door andere bezwaarschriftencommissies wel als belanghebbende is aangemerkt, betekent ook niet dat het college eiseres als belanghebbende moet aanmerken. Het college is daar niet aan gebonden.

Welke werkzaamheden kunnen worden meegenomen?

4.8.

Bij de reguliere voorbereidingsprocedure gaat het om feitelijke werkzaamheden die verband houden met de statutaire doelstellingen van eiseres en die zij een jaar voorafgaand aan het indienen van bezwaar heeft verricht. Ook werkzaamheden langer dan een jaar geleden kunnen echter van belang zijn, als de continuïteit van de activiteiten van de rechtspersoon ter beoordeling voorligt.

In dit geval gaat het gelet op wat de rechtbank heeft overwogen onder 4.7 om de continuïteit van de activiteiten van eiseres. Het college heeft in het bestreden besluit dus ten onrechte slechts gekeken naar een periode van een half jaar.

Welke activiteiten zijn aan te merken als feitelijke werkzaamheden?

4.9.

De rechtbank stelt vast dat een groot aantal van de werkzaamheden uit het activiteitenoverzicht dat eiseres heeft ingebracht ziet op (de voorbereiding van) juridische procedures, zoals het indienen van zienswijzen en bezwaarschriften en beroepsprocedures bij de rechtbank. Zoals het college terecht heeft overwogen, gelden deze werkzaamheden niet als feitelijke werkzaamheden, zodat de rechtbank die werkzaamheden bij de beoordeling buiten beschouwing laat. Ook werk of advisering die in opdracht van derden wordt verricht, zoals de studie naar sensortechnologie in varkensstallen, zijn niet als feitelijke werkzaamheden aan te merken.

4.10.

Wat wel relevante feitelijke werkzaamheden zijn, is het informeren en mobiliseren van omwonenden (vóórdat juridische procedures worden gevoerd), het zoeken van contact met politici, bestuurders en de media, het geven van cursussen en lezingen en het bijhouden van een website.

Uit de stukken blijkt dat eiseres in de periode van een jaar voorafgaand aan de bezwaartermijn heeft deelgenomen aan een themabijeenkomst over mestvergisting in de gemeente Bronckhorst, dat er overleg is geweest met (provinciale) ambtenaren, dat eiseres contact onderhoudt met (diverse) media en opinieartikelen heeft ingezonden. Ook staat vast dat de stichting een website onderhoudt en dat op deze website niet alleen maar artikelen staan over gevoerde juridische procedures.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres gelet op deze activiteiten voldoende feitelijke werkzaamheden in het kader van haar doelstellingen verricht en dat eiseres gelet op de doelstellingen en de feitelijke werkzaamheden is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Het college heeft het bezwaar van eiseres tegen de omgevingsvergunning daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

De beroepsgrond slaagt.

4.11.

Omdat deze beroepsgrond slaagt laat de rechtbank wat eiseres heeft aangevoerd over de voorbereidingsprocedure buiten beschouwing.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Dat betekent dat het college inhoudelijk moet beslissen op het bezwaarschrift.

Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht vergoeden. Eiseres heeft voor het sluiten van het onderzoek niet verzocht om vergoeding van proceskosten. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 397 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, voorzitter, en mr. J.M. Emaus en mr. E.C. Berkouwer, leden, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Dit staat in artikel 4.2.3, onder a, van de planregels. Zie onder meer de uitspraak van 8 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:957). ECLI:NL:RBGEL:2019:2845. ECLI:NL:RBGEL:2019:2849. ECLI:NL:RBGEL:2019:5188. Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953. Zie de uitspraken van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:722, en 30 maart 2016 ECLI:NL:RVS:2016:866. Zie de uitspraak van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3431. ECLI:NL:RBGEL:2025:4999. ECLI:NL:RBGEL:2025:9167. Zie overweging 8.1 van de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4736. Zie ter vergelijking overweging 8.1 van de uitspraak van 19 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4736). Zie overweging 2.5.1 van de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW3854). Zie overweging 2.1.3 van de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG5311). Zie overweging 13.3 van de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1487).