Omgevingsrecht

Beroep tegen besluit waarin het bezwaar van MOB niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het ontbreken van…

Rechtbank Gelderland, 9 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 9 oktober 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
9 oktober 2026
Datum publicatie
6 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 24/4204
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:7765
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep tegen besluit waarin het bezwaar van MOB niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Minister ten onrechte besloten dat geen sprake is van procesbelang. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/4204


uitspraak van de meervoudige kamer van 9 oktober 2026

in de zaak tussen


Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen, MOB

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister

(gemachtigden: mr. drs. B.E.G. Wiskerke, [persoon 1] en [persoon 2] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: SABIC Innovative Plastics B.V., uit Bergen op Zoom, SABIC

(gemachtigde: mr. T.N. Sanders).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van MOB tegen het besluit waarin de minister het bezwaar van MOB niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang (de beslissing op bezwaar).

1.1.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. SABIC heeft ook schriftelijk gereageerd op het beroep.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van MOB, de gemachtigden van de minister en de gemachtigde van SABIC.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar aan de hand van de argumenten die MOB heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

2.1.

De rechtbank verklaart het beroep van MOB gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Achtergrond

3. SABIC is een bedrijf met vestigingen over de hele wereld. Eén van die locaties is het bedrijfscomplex aan de [adres] in Bergen op Zoom. Op dit complex staan meerdere installaties. De eerste fabriek is daar door de rechtsvoorganger van SABIC in 1971 opgericht. Sindsdien worden op het complex hoogwaardige kunststofproducten geproduceerd.

3.1.

Hemelwater dat afkomstig is van de terreinen, gebouwen en daken van de fabrieken van SABIC aan de [adres] in Bergen op Zoom wordt verzameld in een regenwatercollectie-unit (RWCU).Vanuit de RWCU wordt het hemelwater batchgewijs geloosd op het Bergsche Diep, dat onderdeel uitmaakt van het oppervlaktewaterlichaam de Schelde-Rijnverbinding. Sinds eind 2022 is het hemelwater afkomstig van de RWCU regelmatig bemonsterd. Na analyse van de monsters is gebleken dat het geloosde hemelwater dat afkomstig van de RWCU PFAS bevat en de hoogste waarden zijn gezien bij de stof PFBS. PFBS is een noodzakelijke hulpstof voor het maken van bepaalde soorten ‘grades’ kunststof voor toepassingen zoals elektronische apparaten en medische apparatuur. PFBS (ook wel Rimar-zout genoemd) heeft belangrijke vlamvertragende eigenschappen.

3.2.

Met het besluit van 11 april 2023 heeft de minister besloten tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor de lozing van het afvloeiend hemelwater van de terreinen, gebouwen en daken van de fabrieken via de RWCU (het maatwerkbesluit).

Volgens voorschrift 2.1 van dit maatwerkbesluit moet SABIC onderzoek doen naar maatregelen die nodig zijn om te komen tot een nul-lozing van PFAS, waaronder PFBS, met het hemelwater.

Volgens voorschrift 2.3 van het maatwerkbesluit moeten de volgende deelvragen onderdeel zijn van het in lid 1 bedoelde onderzoek:

- Wat zijn de bronnen van de PFBS-verontreiniging?

- Wat zijn de bronnen van de overige PFAS-verontreinigingen?

- Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat PFAS, waaronder PFBS, op het bedrijfsterrein terecht komt, bijvoorbeeld door mors van het product op de grond of (diffuse) verspreiding van product via de lucht?

- Welke van deze maatregelen kunnen op korte termijn (circa 1 maand) worden genomen?

- Welke van deze maatregelen kunnen op de langere termijn worden genomen?

- Welke (aanvullende) zuiveringstechnieken, zoals het behandelen van afvalwater met een koolfilter, kunnen worden toegepast om de PFBS uit het hemelwater te verwijderen? Zuivering vindt indien mogelijk plaats op deelstroom-niveau.

Op grond van voorschriften 2.4 en 2.5 van het maatwerkbesluit moet het onderzoek uiterlijk 6 maanden na het inwerkingtreden van het besluit zijn uitgevoerd en de uitkomsten van het onderzoek (het onderzoeksrapport) bij de minister zijn ingediend. Dit onderzoeksrapport behoeft de schriftelijke goedkeuring van de minister, waartegen rechtsmiddelen open staan. Als de minister geen goedkeuring verleent, moet het onderzoek herzien worden en moet het onderzoek opnieuw ter goedkeuring worden overgelegd.

3.3.

Op 11 oktober 2023 heeft SABIC het 'Onderzoeksrapport reductie PFAS, waaronder PFBS in afvloeiend hemelwater' (het rapport) ingediend bij de minister om te voldoen aan voorschrift 2 van het maatwerkbesluit. Bij besluit van 18 december 2023 (het goedkeuringsbesluit) is het rapport door de minister goedgekeurd zoals bedoeld in voorschrift 2.4 van het maatwerkbesluit. In het goedkeuringsbesluit is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

‘Ik geef goedkeuring aan het hier bovengenoemde onderzoeksrapport zoals bedoeld in voorschrift 2 lid 4 van het op grond van artikel 2.1, vierde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde maatwerkvoorschrift d.d. 1 april met kenmerk RWS-2023/9869 voor het lozen van hemelwater op het Volkerak- Zoommeer en de Theodorushaven.’

3.4.

Op 19 december 2023 (het wijzigingsbesluit) heeft de minister besloten een nieuw voorschrift toe te voegen aan het maatwerkbesluit. In dit wijzigingsbesluit heeft de minister voorschrift 5 toegevoegd. Volgens voorschrift 5.1 van dit wijzigingsbesluit (‘Vervolgonderzoek nul-lozing PFBS’) moet SABIC nader onderzoek doen naar maatregelen die nodig zijn om te komen tot een nul-lozing van PFAS, waaronder PFBS, met het hemelwater. Twee deelvragen moeten volgens voorschrift 5.3 van het wijzigingsbesluit onderdeel zijn van dit onderzoek:

- beoordeling effectiviteit van genomen en nog te nemen maatregelen;

- vervolg onderzoek zuiveringstechnieken.

Tegen dit wijzigingsbesluit is geen bezwaar gemaakt.

3.5.

Bij brief van 19 februari 2024 heeft MOB bezwaar ingediend tegen het goedkeuringsbesluit. In haar bezwaar heeft MOB uiteengezet dat SABIC niet heeft voldaan aan voorschrift 2 van het maatwerkbesluit. Volgens MOB is het goedgekeurde rapport niet volledig omdat SABIC geen of onvoldoende antwoord heeft gegeven op verschillende deelvragen die zijn opgenomen in voorschrift 2.3 van het maatwerkbesluit.

3.6.

Met de beslissing op bezwaar van 13 juni 2024 heeft de minister het bezwaar van MOB niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de minister heeft MOB geen belang bij haar bezwaar tegen het goedkeuringsbesluit, omdat SABIC al aanvullend onderzoek moet doen op grond van het wijzigingsbesluit en dit nieuwe onderzoeksrapport wederom de goedkeuring behoeft van het bevoegd gezag.

3.7.

Op 7 april 2026 heeft de minister het voornemen geuit om handhavend op te treden tegen SABIC vanwege de verontreiniging van PFBS in het hemelwater.

Is ten onrechte geconcludeerd dat MOB geen procesbelang heeft bij haar bezwaar?

4. MOB betoogt dat haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard door de minister. MOB stelt dat in voorschrift 2.3 van het maatwerkbesluit andere deelvragen zijn opgenomen dan in voorschrift 5.3 van het wijzigingsbesluit. Het uitvoeren van nader onderzoek conform voorschrift 5 van het wijzigingsbesluit leidt daardoor niet tot herstel van de door MOB aangevoerde gebreken in het rapport op grond van voorschrift 2 van het maatwerkbesluit, aldus MOB.

4.1.

De minister voert hierover aan dat het bezwaar van MOB terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De minister stelt dat het goedkeuringsbesluit alleen een volledigheidstoets betreft en geen inhoudelijke beoordeling van de in het rapport beschreven maatregelen. In het goedkeuringsbesluit is alleen getoetst of de vragen zoals genoemd in voorschrift 2.3 onderdeel uit hebben gemaakt van het onderzoek. Dat de deelvragen als bedoeld in voorschrift 2.3 van het maatwerkbesluit niet uitputtend zijn beantwoord doet aan het voorgaande niets af, aldus de minister. Verder stelt de minister onder meer dat het belang dat MOB nastreeft, namelijk handhavend optreden tegen SABIC, niet kan worden bereikt met deze procedure. Mocht het goedkeuringsbesluit worden vernietigd en het rapport worden afgekeurd dan kan niet handhavend worden opgetreden tegen SABIC, gelet op de onherroepelijkheid van het wijzigingsbesluit, aldus de minister.

4.2.

SABIC betoogt dat de minister het bezwaar van MOB tegen het goedkeuringsbesluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Sabic stelt dat MOB geen procesbelang heeft bij haar bezwaar tegen het goedkeuringsbesluit. De beoordeling in het kader van het goedkeuringsbesluit is niet meer dan een volledigheidstoets, waaruit volgt dat SABIC de punten die de minister in het maatwerkbesluit heeft benoemd heeft betrokken in het rapport, aldus SABIC. Daarbij merkt SABIC op dat het doel dat MOB nastreeft niet (meer) van feitelijke betekenis is. Handhaving van voorschrift 2 zou volgens SABIC alleen tot gevolg hebben dat een nieuw onderzoek moet worden ingediend waarna alleen door de minister wordt beoordeeld of de gestelde vragen uit voorschrift 2 zijn beantwoord. Verder merkt SABIC op dat met het wijzigingsbesluit een aanvulling van het rapport aan SABIC is opgedragen en daarmee wat MOB wenst ook is opgedragen aan SABIC door de minister.

4.3.

Procesbelang is het belang dat een eiser heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de eiser voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor eiser van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.

4.4.

De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte geen procesbelang heeft aangenomen en daarom het bezwaar van MOB niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank acht daartoe van belang dat uit voorschrift 2 van het maatwerkbesluit niet volgt dat de toetsing van de minister van het ingediende onderzoek slechts een volledigheidsonderzoek betreft. De tekst van het voorschrift geeft daarvoor geen aanknopingspunten en desgevraagd heeft de minister dit ook niet kunnen onderbouwen op de zitting. Anders dan de minister is de rechtbank dan ook van oordeel dat MOB wél belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar bezwaar tegen de goedkeuring door de minister van het rapport. In voorschrift 2.3 zijn namelijk andere deelvragen opgenomen dan de deelvragen zoals die zijn opgenomen in voorschrift 5.3 van het wijzigingsbesluit. Zo wordt in voorschrift 2.3 gevraagd naar de bronnen van de PFBS-verontreiniging. Deze vraag vormt daarentegen geen onderdeel van het vervolgonderzoek dat uitgevoerd moet worden op grond van voorschrift 5 van het wijzigingsbesluit. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de minister met de goedkeuring van het onderzoeksrapport zijn goedkeuring heeft gegeven aan de volledigheid van de door SABIC gerapporteerde bronnen. Die bronnen zijn vervolgens relevant voor de beoordeling van de effectiviteit van genomen en nog te nemen maatregelen, zoals in voorschrift 5 genoemd.

Dat de minister, zoals ook ter zitting ter sprake is gekomen, het voornemen heeft om op grond van voorschrift 5 van het wijzigingsbesluit tot handhavend optreden tegen SABIC over te gaan, maakt dus niet dat MOB geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het onderzoeksrapport op grond van voorschrift 2 van het maatwerkbesluit. Daarbij acht de rechtbank van belang dat ter zitting niet is onderbouwd dat het voornemen tot handhavend optreden ziet op alle mogelijke bronnen van de PFBS-verontreiniging. De minister heeft daarom ten onrechte afgezien van een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

5. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het beroep van MOB gegrond. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte het bezwaar van MOB tegen het goedkeuringsbesluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister alsnog inhoudelijk een besluit moet nemen op het bezwaar van MOB.

5.1.

Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan MOB vergoeden en krijgt MOB ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing op bezwaar

- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan MOB moet vergoeden;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan MOB.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. G.A. van der Straaten en mr. M. Duifhuizen, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Op grond van artikel 2.1, vierde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Wederom op grond van artikel 2.1, vierde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4573, r.o. 7.1.