Internationaal privaatrecht
Verstek, internationaal karakter. Vorderingen afgewezen.
Rechtbank Gelderland, 7 januari 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:1539 · Rechtbank Gelderland · 7 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/civiel-recht/internationaal-privaatrecht/verstek/ecli-nl-rbgel-2026-1539
Zaakgegevens
Op 7 januari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een zaak over internationaal privaatrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zutphen
- Datum uitspraak
- 7 januari 2026
- Datum publicatie
- 27 februari 2026
- Zaaknummer
- C/05/460331 / HZ ZA 25-356
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Internationaal privaatrecht
- Procedure
- VerstekVerstekDe gedaagde of verdachte is niet verschenen; de rechter beslist zonder zijn verweer.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.P. van den Broek
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2026:1539
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verstek, internationaal karakter. Vorderingen afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/460331 / HZ ZA 25-356
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van
[naam eiser] ,
te [land] ,
eisende partij,
hierna te noemen: eiser,
advocaat: mr. R.P. van den Broek,
tegen
1 [bedrijfsnaam] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
hierna: [bedrijf] B.V.,
2. [naam gedaagde],
te [vestigingsplaats] ,
hierna: [gedaagde] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: gedaagden,
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het tegen gedaagden verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
Eiser heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Internationaal karakter
Eiser is woonachtig in [land] en gedaagden zijn gevestigd dan wel woonachtig in Nederland. Het geschil heeft betrekking op een overeenkomst van opdracht (bemiddelingsovereenkomst). Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling zal zij vanwege het internationale karakter van het geschil eerst toetsen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op het geschil van toepassing is.
Gedaagden zijn gevestigd en woonachtig in Nederland, een lidstaat van de
Europese Unie, en de vordering betreft een burgerlijke of handelszaak die is ingesteld na
10 januari 2015. Dit betekent dat de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, beantwoord wordt aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel I-bis). Volgens de in artikel 4 Brussel I-bis vastgelegde hoofdregel zijn internationaal bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de gedaagde partij woonplaats heeft. Nu gedaagden gevestigd en woonachtig zijn in Nederland, is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het geschil.
Toepasselijk recht
Aan de vorderingen van eiser ligt ten grondslag, zoals door eiser is gesteld, wanprestatie ten aanzien van een overeenkomst van opdracht. Nu sprake is van een verbintenis uit overeenkomst in een burgerlijke of handelszaak, wordt het toepasselijke recht vastgesteld aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I). Op grond van artikel 4 lid 1 sub b Rome I wordt de overeenkomst inzake dienstverlening, zoals een overeenkomst van opdracht, beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener (opdrachtnemer) zijn gewone verblijfplaats heeft, zodat Nederlands recht van toepassing is op het onderhavige geschil.
Verdere beoordeling
Eiser heeft zowel [bedrijf] B.V. als [gedaagde] in persoon gedagvaard. Gesteld noch gebleken is met welke partij eiser de bemiddelingsovereenkomst heeft gesloten die aan zijn vorderingen ten grondslag ligt. Evenmin heeft eiser een grondslag aangevoerd waarom beide gedaagden kunnen worden aangesproken wegens wanprestatie ten aanzien van de bemiddelingsovereenkomst. Een en ander leidt ertoe dat de vorderingen worden afgewezen omdat niet kan worden vastgesteld welk van de gedaagden veroordeeld dient te worden in de vorderingen van eiser.
Eiser is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van gedaagden worden begroot op nihil.