Verbintenissenrecht
Verstekzaak. BIK niet van toepassing (want ongedaanmakingsverbintenis), maar wel overeenkomstig toegepast…
Rechtbank Gelderland, 8 januari 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:2785 · Rechtbank Gelderland · 8 januari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/civiel-recht/verbintenissenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbgel-2025-2785
Zaakgegevens
Op 8 januari 2025 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 8 januari 2025
- Datum publicatie
- 11 april 2025
- Zaaknummer
- C/05/443497 / HA ZA 24-554
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. B.H.M. Karens te Ede
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2025:2785
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verstekzaak. BIK niet van toepassing (want ongedaanmakingsverbintenis), maar wel overeenkomstig toegepast, zodat een deel van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/443497 / HA ZA 24-554
Vonnis van 8 januari 2025
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
2. [eiser sub 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. B.H.M. Karens te Ede,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
2. [gedaagde sub 2],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
gedaagde partijen,
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaardingen;
-
het tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
[eisers] hebben gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
De vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens voor zover hierna anders wordt overwogen. Het gevorderde zal als volgt worden toegewezen.
[eisers] vorderen een (niet gespecificeerd) bedrag van
€ 4.517,01 aan incassokosten. Hoewel het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten op deze vordering (een ongedaanmakingsverbintenis) niet van toepassing is, acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden een bedrag van € 1.651,42 toewijsbaar als in redelijkheid gemaakte redelijke kosten, overeenkomstig de staffel van het hiervoor genoemde Besluit.
[eisers] vorderen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv ten aanzien van [gedaagde sub 1] toewijsbaar, als volgt:
|
- explootkosten |
€ |
485,31 |
|
|
- griffierecht |
€ |
320,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.214,00 |
(1 punt × € 1.214,00) |
|
Totaal |
€ |
2.019,31. |
Deze vordering is ten aanzien van [gedaagde sub 2] niet toewijsbaar, omdat zij in de betreffende procedure geen gerekwestreerde was.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaardingen |
€ |
278,83 |
|
|
- griffierecht |
€ |
1.005,00 |
(€ 1.325,00 - € 320,00) |
|
- salaris advocaat |
€ |
1.214,00 |
(1 punt × € 1.214,00) |
|
- nakosten |
€ |
178,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.675,83. |
3 De beslissing
De rechtbank
verklaart voor recht dat [eisers] de door hen met [gedaagde sub 1] dan wel [gedaagde sub 2] gesloten overeenkomst op 28 oktober 2024 rechtsgeldig hebben ontbonden,
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eisers] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 92.696,51, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 87.642,36 met ingang van 31 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde sub 1] in de beslagkosten, vastgesteld op € 2.019,31, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van € 2.675,83, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2025.