Insolventierecht

Uit de na indiening van het verzoekschrift verkregen informatie blijkt dat verzoeker, voor de door de…

Rechtbank Groningen, 19 oktober 1999

Zaakgegevens

Op 19 oktober 1999 heeft de Rechtbank Groningen in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19 oktober 1999
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
FT RK 99.415
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGRO:1999:AF0369
E-mail

Samenvatting

Uit de na indiening van het verzoekschrift verkregen informatie blijkt dat verzoeker, voor de door de rechtbank bepaalde behandeling van het door hem ingediende verzoekschrift, is overleden.

Het overlijden van verzoeker heeft tot gevolg, dat een schuldsaneringsregeling niet kan worden gerealiseerd. Hoewel de Faillissementswet zulks niet expliciet aangeeft brengt het stelsel van de wet met zich mee, dat het verzoek tot toelating van de schuldsaneringsregeling behoort te worden afgewezen.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Groningen,

Eerste enkelvoudige kamer

X., geboren ... te ..., wonende te P.,

heeft op 5 oktober 1999 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

De schuldsaneringsregeling stelt een natuurlijk persoon, die in een problematische schuldsituatie is geraakt, of dreigt te geraken, in staat een situatie te bereiken dat de vorderingen van schuldeisers niet langer afdwingbaar zijn.

Uit de na indiening van het verzoekschrift verkregen informatie blijkt dat verzoeker, voor de door de rechtbank bepaalde behandeling van het door hem ingediende verzoekschrift, is overleden.

Het overlijden van verzoeker heeft tot gevolg, dat een schuldsaneringsregeling, zoals hierboven genoemd, niet kan worden gerealiseerd. Hoewel de Faillissementswet zulké niet expliciet aangeeft brengt het stelsel van de wet met zich mee, dat het verzoek tot toelating van de schuldsaneringsregeling behoort te worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Gewezen door mr J.P. Evenhuis, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 oktober 1999 in tegenwoordigheid van de griffier