Insolventierecht

Verzoekster is ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden niet te goeder trouw geweest

Rechtbank Groningen, 5 oktober 1999

Zaakgegevens

Op 5 oktober 1999 heeft de Rechtbank Groningen in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
5 oktober 1999
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
RK 99.393
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGRO:1999:AF0373
E-mail

Samenvatting

Verzoekster is ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden niet te goeder trouw geweest

Procesgang

  1. Rechtbank Groningen · 5 oktober 1999deze uitspraak

    ECLI:NL:RBGRO:1999:AF0373

  2. Gerechtshof Leeuwarden · 10 november 1999

    ECLI:NL:GHLEE:1999:AE9988

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Groningen,

eerste enkelvoudige kamer

X. , geboren op ... te ...,

wonende te P. ,

hierna te noemen "verzoekster",

heeft op 22 september 1999 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Verzoekster is gehoord ter zitting van 5 oktober 1999.

Uit de stukken, alsmede uit het verhandelde ter terechtzitting, waaronder de verklaring van verzoekster zelf, is het volgende gebleken.

Verzoekster is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met Y. Haar echtgenoot is bij vonnis van 13 juli 1999 toegelaten tot de schuldsanering. In deze schuldsanering is mevrouw Tap tot bewindvoerder aangesteld.

Ter terechtzitting heeft de bewindvoerder onder meer verklaard dat de Sociale Diensten van de gemeenten Veendam en Groningen fraudevorderingen op zowel verzoekster als haar echtgenoot hebben voor de respectievelijke bedragen van f 8.954,57 en f 1.347,09. In de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder e FW van de gemeente Grootegast, die bij het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling door verzoekster is overgelegd, zijn deze fraudevorderingen niet vermeld.

Verzoekster heeft de stellingen van de bewindvoerder niet overtuigend weersproken.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de door de bewindvoerder verstrekte informatie en het niet overtuigende commentaar van verzoekster daarop, de conclusie gerechtvaardigd is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van deze schulden niet te goeder trouw is geweest. Dit leidt ertoe dat het verzoek dient te worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Gewezen door mr J.H. Praktiek, vice-president, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 oktober 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.