Strafrecht overig

De rechtbank heeft een zwakbegaafde man vrijgesproken terzake van seksuele delicten (242/244oud Sr. en 245…

Rechtbank Groningen, 2 november 2006

Zaakgegevens

Op 2 november 2006 heeft de Rechtbank Groningen in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
2 november 2006
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
670345-06
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGRO:2006:AZ2013
E-mail

Samenvatting

De rechtbank heeft een zwakbegaafde man vrijgesproken terzake van seksuele delicten (242/244oud Sr. en 245 Sr. resp. 246 Sr.) met zijn minderjarige zus resp. zijn minderjarig nichtje als slachtoffers, nu zij ter zake de door hem bij, een overigens op dit terrein gespecialiseerde afdeling van, de politie afgelegde verklaringen niet betrouwbaar acht vanwege de wijze en aard van de verhoren. Met betrekking tot een ander aan deze verdachte tenlastegelegd feit (246/247 Sr.) met een buurmeisje, heeft de rechtbank het OM niet ontvankelijk verklaard in haar vervolging nu een aangifte ter zake van de wettelijk vertegenwoordiger van het minderjarige slachtoffer ontbrak, en ook anderszins niet kon worden aangenomen dat een klacht ter zake was ingediend noch een wens tot vervolging te kennen was gegeven. De rechtbank heeft wel een veroordeling uitgesproken aangaande ontucht met verdachtes minderjarige nichtje tot 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, met bijzondere voorwaarden, en een proeftijd van 3 jaar.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector strafrecht

parketnummer: 670345-06

datum uitspraak: 2 november 2006

op tegenspraak

raadsvrouw: mr. G.W. van der Zee

VONNIS

van de rechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 oktober 2006.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

1.

A. hij in of omstreeks de periode van 9 mei 1991 tot en met 30 november 1991,

in de gemeente Vlagtwedde,

meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal (telkens) door geweld

en/of bedreiging met geweld verdachtes zuster, te weten [slachtoffer],

heeft gedwongen met hem buiten echt vleselijke gemeenschap te hebben, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

- die [slachtoffer] (stevig) heeft vastgepakt en/of vast gehouden, en/of

- die [slachtoffer] op een bed heeft geduwd en/of gehouden, en/of

- die [slachtoffer] heeft gestompt en/of geslagen, en/of

- op die [slachtoffer] is gaan zitten en/of is gaan liggen, en/of

- zijn, verdachtes, hand op de mond van die [slachtoffer] heeft gelegd

en/of gehouden, en/of

- de keel en/of de hals van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of

dicht geknepen gehouden, en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij, verdachte, de vriendin van

die [slachtoffer], genaamd Lineke, zou pakken als zij, die [slachtoffer],

niet deed wat hij, verdachte, wilde, althans woorden van gelijke aard

en/of strekking;

EN/OF

hij in of omstreeks de periode van 1 december 1991 tot en met de zomer van

1992, in de gemeente Vlagtwedde,

meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal (telkens) door geweld

of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een)

andere feitelijkhe(i)d(en) verdachtes zuster, te weten [slachtoffer],

heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit

of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van

die [slachtoffer] geduwd/gebracht

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [slachtoffer] (stevig) heeft vastgepakt en/of vast gehouden, en/of

- die [slachtoffer] op een bed heeft geduwd en/of gehouden, en/of

- die [slachtoffer] heeft gestompt en/of geslagen, en/of

- op die [slachtoffer] is gaan zitten en/of is gaan liggen, en/of

- zijn, verdachtes, hand op de mond van die [slachtoffer] heeft gelegd

en/of gehouden, en/of

- de keel en/of de hals van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of

dicht geknepen gehouden, en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij, verdachte, de vriendin van

die [slachtoffer], genaamd Lineke, zou pakken als zij, die [slachtoffer],

niet deed wat hij, verdachte, wilde, althans woorden van gelijke aard

en/of strekking, en/of

de deur van het vertrek waarin verdachte en die [slachtoffer] zich toen

bevonden, heeft dicht gedaan en/of dicht gehouden, en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij, die [slachtoffer], zich moest

uitkleden, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen

ontstaan;

B.

hij in of omstreeks de periode van 9 mei 1991 tot en met 30 november 1991, in

de gemeente Vlagtwedde,

meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal (telkens) buiten

echt, vleselijke gemeenschap heeft gehad met een vrouw, die de leeftijd van

twaalf, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, te weten met

verdachtes zuster, [slachtoffer], geboren op 13 maart 1979;

EN/OF

hij in of omstreeks de periode van 1 december 1991 tot en met de zomer van

1992, in de gemeente Vlagtwedde,

meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal (telkens) met

verdachtes zuster, te weten [slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren

maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer

ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van die geduwd/gebracht;

2.

hij in of omstreeks de periode van 24 december 2002 tot en met 12 november

2005, in de gemeente Vlagtwedde,

meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, (telkens) door

geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) een meisje, genaamd [slachtoffer] heeft

gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handeling(en), bestaande uit het betasten en/of aanraken en/of bevoelen van

de/een borst(en) en/of de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit

het door verdachte op schoot trekken en/of houden van die [slachtoffer],

en/of

het slaan van een arm van verdachte om die [slachtoffer], en/of

het door verdachte optillen van die [slachtoffer], en/of

het door verdachte tegen zich aandrukken en/of houden van die [slachtoffer];

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 24 december 2002 tot en met 12 november

2005, in de gemeente Vlagtwedde,

meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, (telkens) met een

meisje, genaamd [slachtoffer], die toen de leeftijd van zestien jaren nog

niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft

gepleegd, bestaande uit het betasten en/of bevoelen en/of strelen en/of

aanraken van de/een borst(en) en/of de vagina en/of schaamstreek van die

[slachtoffer];

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005,

in de gemeente Bellingwedde,

meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, (telkens) door

geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) een meisje, genaamd [slachtoffer], heeft

gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handeling(en), bestaande uit het betasten van en/of wrijven over en/of voelen

aan en/of aanraken van de buik en/of de/een borst(en) van die [slachtoffer]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds

en/of tegen de wil van die [slachtoffer] en/of zonder dat die [slachtoffer]

zulks kon voorkomen betasten van en/of wrijven over en/of voelen aan

en/of aanraken van de buik en/of de/een borst(en) van die [slachtoffer];

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005,

in de gemeente Bellingwedde,

meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, (telkens) met een

meisje, genaamd [slachtoffer], die toen de leeftijd van zestien jaren nog

niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft

gepleegd, bestaande uit het betasten van en/of wrijven over en/of voelen aan

en/of aanraken van de buik en/of de/een borst(en) van die [slachtoffer];

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 3 primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en 1 dag onvoorwaardelijk met aftrek, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar met oplegging van de reclasseringsmaatregel ook als dat een klinische opname inhoudt, met vrijspraak van hetgeen onder 1A en B en 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd.

Overwegingen

Ten aanzien van hetgeen onder 1.A. en 1.B. en onder 2 primair is tenlastegelegd overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank heeft ambtshalve de opgenomen verhoren van verdachte (op mp3) beluisterd. Hieruit blijkt dat er niet zo zeer is gebleken van onaanvaardbare druk in de zin van artikel 29 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Echter de wijze van de ondervraging, in combinatie met het beperkte verstandelijke vermogen van verdachte, heeft bij de rechtbank sterke twijfel opgeroepen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de door verdachte afgelegde verklaringen. Ten aanzien van de wijze van ondervraging merkt de rechtbank op dat bij één van de verbalisanten naar voren komt dat lang wordt stilgestaan bij de beleving van het slachtoffer en de houding die de familieleden met betrekking tot de door het slachtoffer gedane aangifte inneemt, en wat dat moet betekenen voor het slachtoffer. Geconstateerd is voorts dat vanuit deze toelichting aan verdachte herhaaldelijk te kennen is gegeven dat hij, wil hij de verhoudingen met en binnen zijn familie goed houden, beter kan bekennen. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat verdachte met zijn beperkt verstandelijke vermogen voor de emotionele druk, die een dergelijke wijze van verhoor geeft, is gezwicht. Opvallend is verder dat verdachte over het betasten van het minderjarig slachtoffer van feit 2 spontaan vertelt maar dat met betrekking tot de geslachtsgemeenschap, het geweld, de dwang en/of andere feitelijkheden de verklaringen ‘er uit getrokken zijn’. Daar komt bij dat bij tijd en wijle één van de verbalisanten vrij lange monologen houdt die verdachte met een kort “ja” of een bevestigend ‘gehum’ beantwoordt, terwijl het de vraag is of verdachte met zijn verstandelijke vermogens onder deze omstandigheden de strekking van een dusdanige bevestiging heeft begrepen. Onder deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat een dusdanige bevestiging niet als een bekennende verklaring van verdachte mag worden gezien.

De schriftelijke weergave in het proces-verbaal van deze verhoren, door middel van ‘vraag- en antwoord’ weergave suggereert overigens een letterlijke weergave die het in de praktijk allerminst blijkt te zijn.

De rechtbank acht de door verdachte afgelegde verklaringen derhalve onvoldoende betrouwbaar om tot een bewezenverklaring te komen, met name van het tenlastegelegde geweld, de dwang en/of (andere) feitelijkheden en het verwijt van het seksueel binnendringen.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1.A. en 1.B. en het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van hetgeen onder 3 primair en subsidiair is ten laste gelegd overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van artikel 165a van het Wetboek van Strafvordering dient de officier van justitie niet tot vervolging over te gaan dan na de vertegenwoordigde persoon, dan wel de wettelijke vertegenwoordiger, in de gelegenheid te hebben gesteld haar mening omtrent de wenselijkheid van vervolging kenbaar te maken, althans na deze behoorlijk te hebben opgeroepen. Nu aan deze bepaling niet is voldaan en overigens ook geen klacht is gedaan, dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vervolging ten aanzien van het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het onder 2 subsidiair ten laste heeft gedaan op de verklaringen van het slachtoffer en haar moeder.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 24 december 2002 tot en met 12 november

2005, in de gemeente Vlagtwedde,

meermalen, op verschillende tijdstippen, (telkens) met een

meisje, genaamd [slachtoffer], die toen de leeftijd van zestien jaren nog

niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft

gepleegd, bestaande uit het betasten en/of bevoelen en/of strelen en/of

aanraken van de vagina en/of schaamstreek van die [slachtoffer].

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit op:

2 subsidiair: Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage d.d. 7 augustus 2006, opgemaakt door R. Vriesema, psychiater en de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 28 september 2006, opgemaakt door drs. G. de Jong, psycholoog.

De conclusie van het rapport van drs. G. de Jong luidt, zakelijk weergegeven, dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke storing in de zin van seksueel misbruik van kinderen en een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens in de zin van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met ontwijkende trekken. De gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke storing zijn van dien aard, dat het tenlastegelegde voorzover bewezen wordt geacht, hem in verminderde tot licht verminderde mate moet worden toegerekend.

De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen en neemt deze over.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Vrijheidsstraf

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf moet worden opgelegd mede om daaraan een bijzondere voorwaarde te verbinden, inhoudende dat verdachte zich zal laten behandelen door de AFPN.

De rechtbank neemt bij strafoplegging in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft een ernstig feit gepleegd. Verdachte heeft meermalen ontuchtige handelingen gepleegd met een nog jong slachtoffer, waarbij hij puur uit eigen seksuele behoeftebevrediging heeft gehandeld. Verdachte heeft de geestelijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en is voorbij gegaan aan de impact die zijn handelen op het nog jonge slachtoffer heeft veroorzaakt. Feit van algemene bekend is dat slachtoffers van zedendelicten ook na jaren hiervan nog psychische last kunnen ondervinden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie inzake het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde niet-ontvankelijk.

- verklaart het onder 1.A. en 1.B. en het onder 2 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart het onder 2 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart het onder 2 subsidiair meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van DRIE MAANDEN.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt. Draagt deze instelling op om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarden.

De hiervoor bedoelde voorschriften en aanwijzingen kunnen ook inhouden dat de veroordeelde zich zal laten opnemen en behandelen in de AFPN en aldaar zal verblijven zolang de leiding van de instelling dat nodig oordeelt.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. J.P. Evenhuis, voorzitter, M.J.B. Holsink en M. Griffioen, in tegenwoordigheid van A.J. Tholen, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

2 november 2006.