Bestuursrecht overig

Vovo; buiten behandeling stelling aanvragen voor exploitatie- en alcoholvergunning voor inrichting; vereiste…

Rechtbank Limburg, 21 juli 2026

Zaakgegevens

Op 21 juli 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21 juli 2026
Datum publicatie
24 juli 2026
Zaaknummer
ROE 26/1347
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:7615
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vovo; buiten behandeling stelling aanvragen voor exploitatie- en alcoholvergunning voor inrichting; vereiste onverwijlde spoed ontbreekt; bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig.

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 26/1347

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Parenclub Devils & Angels, te Sittard, verzoekster

(gemachtigde: mr. T.J.N. Hameleers),

en

Burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren, verweerder

(gemachtigde: D.M.R. Pijls).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2026 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van verzoekster voor een exploitatie- en een alcoholvergunning voor de inrichting aan de Maaseikerweg te Susteren, buiten behandeling gesteld.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster

heeft ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026. Namens verzoekster is verschenen M.M.J. Savelkoul, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en dhr. Gidding.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Inleiding

1. Verzoekster heeft, naar aanleiding van een integrale controle op 18 november 2025 van de inrichting, een aanvraag ingediend bij verweerder voor een exploitatievergunning voor de uitoefening van een seksinrichting, parenclub Devils & Angels te Susteren, vanwege een wijziging in de ondernemingsvorm (van V.O.F. naar eenmanszaak). Verzoekster heeft ook een aanvraag ingediend bij verweerder voor een alcoholvergunning voor de inrichting op voornoemde locatie. Bij het primaire besluit heeft verweerder beide aanvragen van verzoekster buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5 van de Awb, omdat -kort gezegd- verzoekster, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen volledige aanvragen heeft ingediend.

De spoedeisendheid

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in het primaire besluit de aanvragen van verzoekster voor een exploitatie- en alcoholvergunning buiten behandeling heeft gesteld, omdat de ontbrekende (financiële) gegevens (nog) niet zijn ontvangen. In het primaire besluit heeft dus geen inhoudelijke beoordeling van de aanvragen plaatsgevonden.

3. Uit vaste rechtspraak volgt dat, gelet op artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, de omvang van het geschil beperkt is wanneer in een besluit geen inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden. Dit geldt ook voor het buiten behandeling stellen van een aanvraag, zoals hier aan de orde. Deze beperkte omvang van het geschil maakt dat de voorzieningenrechter geen inhoudelijk oordeel kan geven over de vraag of verzoekster aan de criteria voor het verlenen van de vergunningen voldoet. Een toewijzing van het verzoek zou enkel kunnen inhouden dat de aanvragen in behandeling moeten worden genomen, maar dit betekent niet dat daarmee de gevraagde vergunningen moeten worden verleend.

4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het primaire besluit niet ook, zoals door verzoekster is betoogd, een handhavingsbesluit inhoudt. In het besluit is weliswaar vermeld dat “het exploiteren zonder exploitatievergunning / uitoefenen van een horecabedrijf zonder alcoholvergunning verboden is”, maar er staat ook dat verzoekster “er op wordt gewezen” en het onderwerp van het primaire besluit luidt: “buiten behandeling stellen aanvraag voor een exploitatie- en alcoholvergunning”. Ten slotte is van belang dat verweerder ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat voormelde passage geen handhavingsbesluit betreft, maar was bedoeld ter informatie voor verzoekster. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de betreffende passage niet op rechtsgevolg is gericht, maar een mededeling betreft.

5. Verder is, in het kader van de spoedeisendheid, van belang dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat geen handhavingsbesluit zal worden genomen voordat op het bezwaar tegen het primaire besluit is beslist. Het is immers mogelijk dat verzoekster tijdens de bezwaarprocedure de ontbrekende gegevens aan verweerder verstrekt.

6. De voorzieningenrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de vereiste onverwijlde spoed in dit geval ontbreekt.

Is het primaire besluit evident onrechtmatig?

7. Bij het ontbreken van onverwijlde spoed kan er toch aanleiding zijn om het verzoek toe te wijzen wanneer het primaire besluit evident onrechtmatig is. Hierover overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

8. Met betrekking tot de exploitatievergunning stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoekster tot op heden niet alle gegevens heeft verstrekt, die verweerder heeft gevraagd. Verder is niet in geschil dat de ‘oude’ exploitatievergunning is verleend aan de Vennootschap onder firma (V.O.F.) en niet aan verzoekster (de eenmanszaak). In deze vergunning is opgenomen dat deze eindigt/vervalt bij wijziging van exploitant, zoals hier het geval. Dit betekent dat het primaire besluit voor wat betreft de exploitatievergunning, niet evident onrechtmatig is.

9. Met betrekking tot de alcoholvergunning stelt de voorzieningenrechter vast dat de aanvraag dateert van 29 april 2026 en dat de in de brief van 7 april 2026 geboden hersteltermijn van 10 dagen hier dus geen betrekking op kan hebben. Verder is van belang dat de destijds verleende Drank- en horecawet vergunning (anders dan de exploitatievergunning) is verleend aan natuurlijke personen (waaronder verzoekster). Omdat deze vergunning voor verzoekster echter alleen van belang is in samenhang met een geldige exploitatievergunning, ziet de voorzieningenrechter in het vorenstaande onvoldoende aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 21 juli 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:81 van de Awb. Als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.