Bestuursrecht overig

Verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen een verleende omgevingsvergunning voor het…

Rechtbank Limburg, 4 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 4 augustus 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
4 augustus 2026
Datum publicatie
5 augustus 2026
Zaaknummer
ROE 26/1923
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:8068
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen een verleende omgevingsvergunning voor het wijzigen van de dakspant. Het betreft de technische bouwactiviteit. Aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorwaarden uit hoofdstuk 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. De constructie van het deel van het dak van verzoeker is daarbij niet relevant. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De ordemaatregel vervalt.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 26/1923


uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2026in de zaak tussen

[naam] , uit Siebengewald, verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen (L.), verweerder.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit Siebengewald (vergunninghouder).

Procesverloop

Bij het bestreden besluit van 22 juli 2026 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van de eerste etage van een woonhuis aan de [adres] te Siebengewald.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar ingediend en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Voorwaarde is dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Vergunninghouder heeft op 3 augustus 2026 telefonisch aan de rechtbank medegedeeld dat zij niet wenst te kennen te geven wanneer zij een aanvang wil maken met de bij het bestreden besluit vergunde werkzaamheden.

3. De voorzieningenrechter is op korte termijn niet in staat om een weloverwogen oordeel te geven over het verzoek om voorlopige voorziening. Het is de rechtbank uit het telefonisch contact met vergunninghouder niet gebleken wanneer de vergunde werkzaamheden zullen aanvangen. Gelet daarop zal de voorzieningenrechter het bestreden besluit bij wijze van ordemaatregel schorsen tot de einduitspraak van de voorzieningenrechter op het inhoudelijke verzoek. Dat betekent dat vergunninghouder tot die tijd geen gebruik mag maken van de verleende omgevingsvergunning en dat de werkzaamheden waar de omgevingsvergunning betrekking op heeft tot die tijd niet mogen worden uitgevoerd. Deze ordemaatregel heeft een voorlopig karakter en de voorzieningenrechter is daar in de verdere procedure niet aan gebonden.

4. Partijen zullen worden uitgenodigd om ter zitting te verschijnen voor een inhoudelijke behandeling van het verzoek. Tijdens die zitting zal worden besproken of er reden is om de voorlopige voorziening die nu wordt getroffen, op te heffen of te wijzigen.

5. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

De voorzieningenrechter schorst bij wijze van ordemaatregel het bestreden besluit tot de einduitspraak van de voorzieningenrechter op het inhoudelijke verzoek.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.J.M. Thelen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 4 augustus 2026.

de griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 4 augustus 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Artikel 8:87 van de Awb.