Arbeidsrecht

Werkgever niet verschenen. Transitievergoeding c.a. toegewezen.

Rechtbank Limburg, 17 juli 2026

Zaakgegevens

Op 17 juli 2026 heeft de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
17 juli 2026
Datum publicatie
14 juli 2026
Zaaknummer
12246062 \ AZ VERZ 26-95
Rechtsgebied
Civiel recht Arbeidsrecht
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:6948
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Werkgever niet verschenen. Transitievergoeding c.a. toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer / rekestnummer: 12246062 \ AZ VERZ 26-95

Beschikking van 17 juli 2026

in de zaak van

[werknemer] ,

te [plaats 1] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [werknemer] ,

gemachtigde: mr. D.M. Gijzen,

tegen

[werkgever] B.V.,

te [plaats 2] ,

verwerende partij,

hierna te noemen: [werkgever] ,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 27 mei 2026 ter griffie ontvangen verzoekschrift

- de mondelinge behandeling van 9 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[werknemer] , geboren op [datum] 1992, is op 1 april 2025 bij [werkgever] in dienst getreden.

De functie van [werknemer] is algemeen nachtreceptionist met een loon van € 2.600,00 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en emolumenten. Partijen zijn een arbeidsovereenkomst aangegaan voor bepaalde tijd van 1 april 2025 tot 1 april 2026.

3 Het verzoek

3.1.

[werknemer] verzoekt de kantonrechter om [werkgever] te veroordelen tot betaling van:

  1. het loon groot € 2.688,25 bruto, althans het netto equivalent daarvan, onder overlegging van een deugdelijke loonspecificatie,

  2. de transitievergoeding groot € 1.409,03,

  3. de wettelijke verhoging over 1 groot € 1.344,12,

  4. de wettelijke rente over 1 en 2 vanaf 1 april 2026, althans vanaf de dag van dagvaarding,

  5. de wettelijke rente over 3 vanaf 21 mei 2026 althans vanaf de dag van dagvaarding,

  6. de kosten van deze procedure.

3.2.

[werknemer] stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat [werkgever] na afloop van zijn dienstverband geen transitievergoeding aan hem heeft uitgekeerd en daarnaast in gebreke is gebleven met uitbetaling van de opgebouwde maar niet opgenomen vakantiedagen en de vakantietoeslag. Ondanks ingebrekestelling en sommatie heeft [werkgever] niets betaald.

3.3.

[werkgever] heeft geen verweer gevoerd en is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

3.4.

Op de stellingen van [werknemer] wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt in de eerste plaats vast dat [werkgever] behoorlijk is opgeroepen. [werkgever] is door de griffier bij aangetekende brief van 29 mei 2026 opgeroepen voor de mondelinge behandeling van donderdag 9 juli 2026 om 9.30 uur. Uit de track & trace informatie van PostNL blijkt dat deze brief op 15 juni 2026 om 11.28 uur aan [werkgever] is overhandigd. De omstandigheid dat [werkgever] niet verschenen is, komt daarom voor haar risico. De kantonrechter zal tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek overgaan.

4.2.

Op grond van de onweersproken feitelijke stellingen van [werknemer] komt de kantonrechter tot het oordeel dat [werknemer] na afloop van zijn dienstverband op 1 april 2026 recht heeft op een transitievergoeding en op uitbetaling van opgebouwde maar niet opgenomen vakantiedagen en de vakantietoeslag. De door [werknemer] becijferde bedragen komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze bedragen zijn dan ook toewijsbaar, met dien verstande dat de toe te wijzen transitievergoeding een brutobedrag is. Ook de wettelijke verhoging is toewijsbaar, evenals de wettelijke rente, die zal worden toegewezen vanaf 27 mei 2026, de datum waarop het verzoekschrift is ingediend.

4.3.

De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 814,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).

4.4.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen het loon groot € 2.688,25 bruto, althans het netto equivalent daarvan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling, onder overlegging van een deugdelijke loonspecificatie,

5.2.

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 1.409,03 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,

5.3.

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de wettelijke verhoging te betalen ten bedrage van

€ 1.344,12, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,

5.4.

veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

5.5.

veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.