Burgerlijk procesrecht

Verzoek om doorhaling wordt subsidiair aangemerkt als een vermindering van eis. proceskosten zijn nihil…

Rechtbank Limburg, 25 februari 2026

Zaakgegevens

Op 25 februari 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
25 februari 2026
Datum publicatie
23 februari 2026
Zaaknummer
12055405 \ CV EXPL 26-63
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:1783
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om doorhaling wordt subsidiair aangemerkt als een vermindering van eis. proceskosten zijn nihil, omdat gedaagde zelf een conclusie van antwoord heeft ingediend maar niet op een zitting is verschenen en de gemachtigde nog geen proceshandeling heeft verricht.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 12055405 \ CV EXPL 26-63

Vonnis van 25 februari 2026

in de zaak van

[eisende partij] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

gemachtigde: mr. H.A. Groeneveld,

tegen

[gedaagde partij] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

gemachtigde: mr. J.H.M. Verstraten.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- het antwoord van [gedaagde partij]

- het uitstelverzoek van de gemachtigde van [gedaagde partij]

- de e-mail van 23 januari 2026 van [eisende partij]

- de brief van 2 februari 2026 van [gedaagde partij]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

[eisende partij] heeft bij e-mail van 23 januari 2026 laten weten de zaak te willen intrekken. Daarop heeft [gedaagde partij] laten weten dat zij akkoord gaat met intrekking van de zaak mits [eisende partij] wordt veroordeeld in de proceskosten.

2.2.

De kantonrechter overweegt als volgt. [eisende partij] heeft gevraagd om de zaak in te trekken. De kantonrechter merkt dit aan als primair een verzoek om doorhaling als bedoeld in artikel 247 Rv. Doorhaling is alleen mogelijk op gezamenlijk verzoek. [gedaagde partij] is akkoord gegaan onder de voorwaarde dat [eisende partij] wordt veroordeeld in de proceskosten. Dit is niet mogelijk bij doorhaling van de zaak en de conclusie is daarom dat er geen gezamenlijk verzoek tot doorhaling is.

2.3.

De kantonrechter merkt het verzoek van [eisende partij] subsidiair aan als een vermindering van eis tot nihil. Omdat er geen vordering meer is, is [gedaagde partij] ten onrechte in de procedure betrokken. Dit houdt in dat [eisende partij] wordt veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde partij] . De enige proceshandeling die aan de zijde van [gedaagde partij] is verricht, is het indienen van een conclusie van antwoord. Dat heeft [gedaagde partij] zelf gedaan. Zij heeft haar antwoord schriftelijk ingediend. De gemachtigde van [gedaagde partij] heeft nog geen proceshandelingen verricht, behoudens het indienen van een uitstelverzoek op dezelfde dag dat [gedaagde partij] zelf een conclusie van antwoord heeft ingediend. Gelet hierop, is geen sprake van proceshandelingen waarvoor een gemachtigdensalaris zou kunnen worden toegekend. Evenmin is sprake van reis- of verletkosten van [gedaagde partij] zelf. De proceskosten worden daarom vastgesteld op € 0,00.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 0,00,

3.2.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

Hoge Raad 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:997.