Burgerlijk procesrecht
Incident vrijwaring mede schuldenaar regres mogelijk uit hoofde van geldlening.
Rechtbank Limburg, 25 maart 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:2670 · Rechtbank Limburg · 25 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/burgerlijk-procesrecht/bodemzaak/ecli-nl-rblim-2026-2670
Zaakgegevens
Op 25 maart 2026 heeft de Rechtbank Limburg in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 25 maart 2026
- Datum publicatie
- 19 maart 2026
- Zaaknummer
- C/03/348635 HA ZA 26-24
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. E.G.W Hendriks, mr. J.G.M. Nass
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:2670
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Incident vrijwaring mede schuldenaar regres mogelijk uit hoofde van geldlening.
Uitspraak
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/348635 / HA ZA 26-24
Vonnis in incident (bij vervroeging) van 25 maart 2026
in de zaak van
[de zoon] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [de zoon] ,
advocaat: mr. E.G.W. Hendriks,
tegen
[de vader] ,
te [plaats 2] , gemeente [plaats 1] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [de vader] ,
advocaat: mr. J.G.M. Nass.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 37,
- de conclusie van antwoord tevens incidentele oproeping in vrijwaring met
producties 1 en 2,
- de incidentele conclusie van antwoord met productie A.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2 Het geschil
in de hoofdzaak
[de vader] is de vader van [de zoon] . [de zoon] stelt een geldlening te hebben gesloten met zijn beide ouders ten behoeve van het oprichten van een zogenaamde mantelzorgwoning op het perceel waar partijen als gezin woonachtig waren. [de zoon] zou als huurder/gebruiker intrek nemen in deze woning. De ruwbouw van deze woning was eind 2021 klaar. Het huwelijk van de ouders van [de zoon] is ontbonden op 7 februari 2025. De voormalig echtelijke woning inclusief de ruwbouw is aan [de vader] toebedeeld. [de zoon] is van mening dat [de vader] daarmee gehouden is om de volledige geldlening aan [de zoon] te restitueren. [de zoon] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [de vader] zal veroordelen om binnen 2 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan [de zoon] tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag ad primair € 40.395,74, subsidiair € 20.197,87, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten alsook e.e.a. te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
2. [de vader] zal veroordelen in de koste van de procedure, alsook in de nakosten.
in het incident
[de vader] vordert in het incident dat de rechtbank toestemming aan hem verleent om [de moeder] (hierna: [de moeder] ) in vrijwaring op te roepen. Ter onderbouwing voert [de vader] aan dat, mocht worden geoordeeld dat sprake is van een geldleenovereenkomst en een daaruit voortvloeiende verplichting tot betaling, [de moeder] , zijnde de moeder van [de zoon] , in de interne verhouding mede draagplichtig is voor deze schuld krachtens artikel 6:10 BW, nu zij in dat geval als medeschuldenaar moet worden aangemerkt.
[de zoon] voert verweer. Hij stelt dat er geen grondslag is om zijn moeder in vrijwaring op te roepen op basis van 6:10 BW, nu zijn ouders zijn gescheiden en de gemeenschap is ontbonden. De akte van levering is inmiddels gepasseerd en het perceel waarop de mantelzorgwoning is gebouwd is aan [de vader] toebedeeld. Daarnaast wijst [de zoon] op correspondentie tussen de (voormalige) advocaten van beide ouders, waarin [de vader] zijn bereidheid heeft uitgesproken de lening aan [de zoon] terug te betalen, maar er voor heeft gekozen om dit buiten de echtscheiding te houden. Daarnaast voert [de zoon] aan dat toewijzing van de incidentele vordering zal leiden tot onnodige vertraging van de procedure.
3 De beoordeling in het incident
Gelet op de door [de vader] aangevoerde grond voor de oproeping in vrijwaring van [de moeder] , is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de rechtsverhouding tussen [de vader] enerzijds en [de moeder] anderzijds met zich mee kan brengen dat [de moeder] gehouden zal zijn om [de vader] vrij te houden van de nadelige gevolgen van een (deel van de) eventuele veroordeling in deze (hoofd)zaak. Dat is voor toewijzing van het verzoek voldoende. De vrijwaring zal leiden tot enige vertraging van het geding, maar die is niet onaanvaardbaar te achten.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen, nu de aangevoerde gronden die vordering kunnen dragen.
De proceskosten zullen vanwege de familierechtelijke relatie worden gecompenseerd.
4 De beslissing
De rechtbank
in het incident
staat toe dat [de moeder] door [de vader] wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 22 april 2026,
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 april 2026 voor opgave verhinderdata aan de zijde van alle partijen voor een mondelinge behandeling in de periode mei 2026 tot en met november 2026,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken.