Goederenrecht
Herstelvonnis ECLI:NL:RBLIM:2024:5036, Onteigening van gronden, die gebruikt worden als parkeerterrein bij…
Rechtbank Limburg, 3 juli 2024
ECLI:NL:RBLIM:2024:10342 · Rechtbank Limburg · 3 juli 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/goederenrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rblim-2024-10342
Zaakgegevens
Op 3 juli 2024 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over goederenrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Roermond
- Datum uitspraak
- 3 juli 2024
- Datum publicatie
- 7 oktober 2025
- Zaaknummer
- C/03/301374 / HA ZA 22-48
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Goederenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. B.S ten Kate, mr. H. Nijman
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2024:10342
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Herstelvonnis ECLI:NL:RBLIM:2024:5036, Onteigening van gronden, die gebruikt worden als parkeerterrein bij een fabriek en de schadeloosstelling. Eliminatieregel. Uitgangspunt bij vaststellen van de schadeloosstelling is de bestemming van de grond en de eventuele verwachtingswaarde op de peildatum. De commissie van deskundigen gaat uit van de fictie dat een deel van de onteigende gronden onderdeel zou hebben uitgemaakt van het PIP en daardoor permanent bestemd zou zijn als parkeerterrein in het geval het Tracébesluit en het daaraan voorafgaande ontwerp Tracébesluit worden weggedacht. De rechtbank volgt die redenering niet. Gevolgen schadebeperkend handelen door de onteigende, zonder overleg met en toestemming van de onteigenaar. Kostenveroordeling ex artikel 50 Onteigeningswet en de dubbele redelijkheidstoets.
Procesgang
Rechtbank Limburg · 9 maart 2022
ECLI:NL:RBLIM:2022:10695Rechtbank Limburg · 5 juni 2024
ECLI:NL:RBLIM:2024:5036Rechtbank Limburg · 3 juli 2024deze uitspraak
ECLI:NL:RBLIM:2024:10342
Uitspraak
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/301374 / HA ZA 22-48
Herstelvonnis van 3 juli 2024
in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
te 's-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. B.S. ten Kate,
tegen
1 VDL VASTGOED BV,
te Eindhoven,
2. VDL NEDCAR B.V.,
te Eindhoven,
gedaagde partijen,
hierna samen (in vrouwelijk enkelvoud) te noemen: VDL en ieder afzonderlijk
VDL Vastgoed en VDL Nedcar,
advocaat: mr. H. Nijman.
1 Het verzoek van beide partijen tot herstel en de beoordeling
Op 5 juni 2024 heeft de rechtbank een eindvonnis gewezen in bovengenoemde zaak.
Mr. Ten Kate heeft mede namens mr. Nijman de rechtbank per e-mailbericht van 24 juni 2024 erop gewezen dat in het eindvonnis van 5 juni 2024 een kennelijke verschrijving staat. De schadeloosstelling is onder 3.1. van het dictum vastgesteld op € 807.898,00. Aangezien van deze schadeloosstelling al een gedeelte van € 787.268,- is betaald (zie ook overweging 2.52) had de Staat nog slechts moeten worden veroordeeld tot betaling van slechts het verschil ad € 20.630,- te vermeerderen met rente.
Het is juist dat de veroordeling van de Staat onjuist is geformuleerd, aangezien al een groot gedeelte als voorschot was voldaan. De rechtbank zal het vonnis van 5 juni 2024 verbeteren zoals hierna bepaald.
2 De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat het dictum van het vonnis van 5 juni 2024 onder 3.2. waar staat:
“3.2. veroordeelt de Staat tot betaling aan VDL van een bedrag van € 807.898,00, vermeerderd met 1% rente per jaar over € 20.630,00 vanaf 19 april 2022 tot aan de datum van dit vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum van dit vonnis tot aan de dag van betaling,”
dient te worden vervangen door:
veroordeelt de Staat tot betaling aan VDL van het bedrag waarmee de totale schadeloosstelling het voorschot te boven gaat en mitsdien tot betaling van een bedrag van € 20.630,00, vermeerderd met 1% rente per jaar over € 20.630,00 vanaf 19 april 2022 tot aan de datum van dit vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum van dit vonnis tot aan de dag van betaling,
bepaalt dat deze verbetering onder de vermelding van de datum 3 juli 2024 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 5 juni 2024;
gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 5 juni 2024 na ontvangst van dit herstelvonnis aan de griffie van de rechtbank te retourneren.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte, mr. R. Kluin en mr. C.S. van den Pauwert en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2024.