Personen- en familierecht

De moeder verzoekt om vervangende toestemming voor de door haar voorgenomen verhuizing van Noord-Limburg naar…

Rechtbank Limburg, 30 oktober 2013

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2013 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
30 oktober 2013
Datum publicatie
31 oktober 2013
Zaaknummer
C-04-124698 - FA RK 13-1112
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Advocaat
mr. M.M.H Lenaers, mr. C.H.M van Hout
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2013:8241
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De moeder verzoekt om vervangende toestemming voor de door haar voorgenomen verhuizing van Noord-Limburg naar Zuid-Limburg, alsmede voor de inschrijving van de minderjarige bij een onderwijsinstelling in Zuid-Limburg. Ondanks dat de raad in afwijzende zin adviseert, wijst de rechtbank de verzoeken toch toe. Volgens de rechtbank is het hoofdzakelijk van belang dat partijen hun onderlinge communicatie verbeteren. Het slagen daarvan is niet woonplaatsafhankelijk.

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Familie en jeugd

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: C/04/124698 / FA RK 13-1112

Beschikking van 2 april 2014 betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden

in de zaak van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats moeder], [adres moeder],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.M.H. Lenaers,

tegen:

[de vader],

wonende te [woonplaats vader], [adres vader],

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.H.M. van Hout,

betreffende de minderjarige:

[de minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

- de tussen partijen gegeven beschikking d.d. [datum]30 oktober 2013, waarbij de raad voor de kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) is verzocht rapport en advies uit te brengen;

- het op 28 januari 2014 ingekomen rapport en advies van de raad; [beschrijving nader ingekomen stukken]

- de nadere mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 21 maart 2014 en waarbij zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. M.M.H. Lenaers;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. C.H.M. van Hout;

- mw. [X], vertegenwoordigster van de raad voor de kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).

2 Het standpunt van de raad

2.1.

De raad adviseert geen vervangende toestemming te verlenen voor de door de moeder voorgestane verhuizing naar Banholt en de inschrijving van de minderjarige bij het Instituut voor Orthopedagogisch Onderwijs te Maastricht. Daartoe stelt de raad, dat zij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de moeder de vader bewust niet heeft geïnformeerd over de door haar voorgenomen verhuizing. De moeder had de verhuizing op alle andere gebieden immers wel tot in detail voorbereid. Door de handelswijze van de moeder is het conflict tussen de ouders opnieuw opgelaaid. De minderjarige, gediagnosticeerd met autisme en het P5-syndroom, heeft behoefte aan duidelijkheid en structuur. Nu de moeder kennelijk geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat de vader geen toestemming zou geven voor de door haar gewenste verhuizing naar Banholt, is voor de minderjarige een onzekere situatie ontstaan. Dit is niet in het belang van de minderjarige. De raad vreest dat de onderlinge communicatie tussen de ouders, die thans reeds is verstoord, alleen maar zal verslechteren indien de moeder naar Banholt verhuist.

Daar komt bij dat de minderjarige loyaliteitsgevoelens heeft ten opzichte van de vader. Zij is sterk gericht op de vader en heeft graag contact met hem. Wanneer de moeder naar Banholt verhuist, zal het contact met de vader worden beperkt, zowel in duur als frequentie. Dit acht de raad niet wenselijk. De minderjarige geeft zelf aan dat zij niet wil verhuizen naar Banholt. Ze vindt het huis te klein en de partner van de moeder vindt ze eng.

2.2.

Gelet op de inhoud van de gedingstukken -waarvan met name de rapportage van de raad voor de kinderbescherming- alsmede het verhandelde ter zitting oordeelt de rechtbank dat [het advies van de raad moet worden gevolgd?]***.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1. [

bepaalt dat]***

3.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

3.3. [

wijst af het meer of anders verzochte]***.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Oelmeijer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.R.A. Greven, griffier, op 2 april 2014.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.