Personen- en familierecht
verl. aanmgehouden deel MUHP: geen geschikte plek voor MJ maar andere plek ook nog niet gevonden de GI moet…
Rechtbank Limburg, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:11617 · Rechtbank Limburg · 13 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/personen-en-familierecht/rekestprocedure/ecli-nl-rblim-2026-11617
Zaakgegevens
Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Roermond
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/03/353749 / JE RK 26-1161
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- RekestprocedureRekestprocedureEen procedure die begint met een verzoekschrift (rekest) aan de rechter in plaats van met een dagvaarding.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:11617
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
verl. aanmgehouden deel MUHP: geen geschikte plek voor MJ maar andere plek ook nog niet gevonden de GI moet aan de slag daarom korte verlenging en rest afwjizen
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Roermond
Zaaknummer: C/03/353749 / JE RK 26-1161
Datum uitspraak: 13 oktober 2026
Beschikking van de kinderrechter over een vervolg (spoed) uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG ROERMOND, gevestigd te Roermond, hierna te noemen de GI;
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] , hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. D. Dronkers, kantoorhoudend te Roermond.
Gezien de stukken waaronder de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 29 juni 2026 en 13 juli 2026.
1 Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de laatst gewezen beschikking van 13 juli 2026;
- de brief van de GI met bijlagen van 5 oktober 2026.
Op 13 oktober 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek. Zij heeft daar gebruik van gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de kinderrechter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna de aanwezigen daarop hebben kunnen reageren.
Bij de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbende de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld. Deze beschikking vormt de volledige schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak van de kinderrechter.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft sinds eind juli 2026 op een groep bij [hulpverlening 1]. Daarvoor verbleef ze op een crisisgroep van de [stichting].
Bij beschikking van 13 juli 2026 heeft de kinderrechter een machtiging verleend met ingang van 13 juli 2026 tot 27 oktober 2026 om [minderjarige] te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en is de beslissing over de resterende termijn aangehouden. De GI is verzocht om een week voor de nader te bepalen mondelinge behandeling de kinderrechter te informeren over de stand van zaken en wat dit betekent voor de resterende termijn van het verzoek.
3 Wat ter zitting is besproken
De GI handhaaft het aangehouden verzoek. [minderjarige] verblijft sinds eind juli 2026 bij [hulpverlening 1]. Dit is een tijdelijke plek die niet helemaal passend is voor haar. [minderjarige] is constant hyperalert en omdat de groep daar onvoldoende op aan sluit kan [minderjarige] niet goed functioneren. Ook het slapen op de groep is erg spannend voor haar. Wat ook weerstand bij haar oproept is dat de groepsgenoten allemaal ouder zijn dan haar. Als tijdelijke oplossing wordt er maatwerk ingezet. Dat houdt in dat [minderjarige] overdag in een eigen huisje verblijft met 1-op-1 begeleiding en dat ze pas ‘s avonds op de groep is. De plek bij [hulpverlening 1] is nog tot eind oktober 2026 beschikbaar. Hoewel er gezocht wordt naar een andere geschikte woonplek is die nog niet gevonden. [minderjarige] staat op de wachtlijst voor een zorggezin maar alle plekken zijn vol. Ook is er nog geen match gevonden met een pleeggezin. De verantwoordelijkheid om die plek te zoeken ligt bij de [stichting].
Iedere woensdag gaat [minderjarige] naar de moeder toe. Dit contact wordt begeleid door [hulpverlening 2] uit [plaats] en verloopt tot nu toe positief en rustig. De moeder ziet ook de onveiligheid die [minderjarige] bij [hulpverlening 1] ervaart en heeft recent aangegeven dat ze wil dat [minderjarige] weer thuis komt wonen. Als voorwaarde stelt de moeder dat er intensieve thuisbegeleiding wordt ingezet die dagelijks aanwezig is. Een andere voorwaarde is dat [minderjarige] in het weekend ergens anders naar toe gaat. Eerder ging [minderjarige] naar [hulpverlening 3] maar daar kan ze vanaf 24 oktober niet meer terecht omdat men niet de juiste specialisatie in huis heeft. De GI denkt dat het nog te vroeg is om [minderjarige] naar huis te laten gaan. Aangezien er nog geen hulp is ingezet en de moeder nog overbelast is heeft de GI er geen vertrouwen in dat het goed blijft gaan. Eerst moet duidelijk worden of de draagkracht van de moeder al voldoende is om de zorg voor [minderjarige] weer te dragen. Zoals het er nu voor staat kan de GI de voorwaarden die de moeder aan een thuisplaatsing stelt niet waarmaken. Het is ook niet realistisch om dat binnen twee weken voor elkaar te krijgen. Daarbij was er voor de spoedplaatsing ook al ambulante thuiszorg aanwezig en dat bleek toen ook al niet voldoende te zijn. De GI handhaaft daarom het verzoek. De drie maanden zijn nodig om het plan van de moeder nader te onderzoeken en om verder te zoeken naar een passende plek voor [minderjarige]. In elk geval moet er een duurzame situatie ontstaan en moet [minderjarige] een plek krijgen waar ze weer toe kan komen aan haar ontwikkelingstaken.
De moeder moet met lede ogen aan zien hoe moeizaam alles verloopt. Het is triest dat [minderjarige] op een groep verblijft waar ze afgezonderd wordt van de rest en waar ze absoluut niet thuis hoort. [minderjarige] is amper 10 jaar en verblijft daar tussen jongeren van 16 en 17 die allemaal hun eigen problemen hebben en waar de boel voortdurend op spanning staat. Het is heftig voor [minderjarige] om die ontploffingen van dichtbij mee te maken. Daarbij werd ze zelf ook al een keer mishandeld waarna ze ook weer is gaan bedplassen. De moeder is het daarom niet eens met de uithuisplaatsing. Het is overduidelijk dat [minderjarige] op de verkeerde plek zit terwijl er verder geen concrete stappen worden gemaakt. De moeder wil daarom dat [minderjarige] terug naar huis komt met passende hulp erbij. In het weekend kan ze dan ergens anders zijn. Haar verzoek is om de zaak kort aan te houden en over twee weken terug te komen om het plan van aanpak te bespreken. De GI moet de opdracht krijgen om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor een passende vervolgplek en hoe het zit met een thuisplaatsing bij de moeder en het inzetten van 1-op-1 begeleiding voor [minderjarige]. De moeder heeft uitgezocht dat deze hulp ook vanuit thuis kan worden ingezet. Zij heeft daar ook al iemand voor gevonden, een oude mentor van [minderjarige] die meteen zou kunnen starten. Het is de taak van de GI om hier contact mee op te nemen en de benodigde CIZ indicatie te regelen en om te kijken hoe het zit met het kostenplaatje. Verder moet er gekeken worden naar een weekendopvang. Het is bij de GI bekend dus zij kunnen direct aan de slag. Het wordt tijd dat er wordt doorgepakt; nog even en dan zit [minderjarige] in de puberteit.
4 De mening van [minderjarige]
heeft naar voren gebracht – kort samengevat – dat ze nog steeds bij [hulpverlening 1] verblijft. Het is daar niet veilig voor haar. Onlangs nog heeft iemand van de groep haar in haar gezicht geslagen. Verder gebeuren er dingen die ze niet wil zien of horen. [minderjarige] slaapt in haar eigen huisje en doet haar deur daarom ook altijd op slot als ze gaat slapen. Zij is de jongste van de groep en mag pas naar de groep toe als het bedtijd is. [minderjarige] wil weer thuis wonen met begeleiding erbij. Daarnaast wil ze net als haar zusje om de week naar een pleeggezin. [minderjarige] is nu ook iedere woensdag bij haar moeder en dat gaat prima; er zijn geen ruzies meer.
5 De beoordeling
De kinderrechter verwijst allereerst naar hetgeen in de beschikking van 13 juli 2026 is overwogen en beslist. De kinderrechter heeft de belanghebbenden toen gehoord naar aanleiding van de spoedbeschikking van 25 juni 2026. Naar aanleiding hiervan heeft de kinderrechter beslist om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen tot 27 oktober 2026. Ter beoordeling ligt daardoor nu nog voor het aangehouden reguliere verzoek voor de duur van drie maanden.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal het verzoek dan ook toewijzen maar de machtiging tot uithuisplaatsing beperken in duur. De kinderrechter is namelijk van oordeel dat een verkorte verlenging van de uithuisplaatsing het meest recht doet aan de situatie, in ieder geval totdat de plek bij [hulpverlening 1] afloopt. Het is immers in ieders belang, maar vooral in het belang van [minderjarige], dat zo snel mogelijk duidelijkheid wordt of er een andere geschikte plek beschikbaar is voor [minderjarige] of dat ze toch terug naar de moeder kan. De periode tot
1 november 2026 moet voldoende zijn om beide mogelijkheden te onderzoeken en uit te werken. Het is de taak van de GI om alles op alles te zetten en voor die tijd een nieuwe passende plek voor [minderjarige] te vinden. Als die plek niet wordt gevonden blijft als enig alternatief over dat [minderjarige] na afloop van de plek bij [hulpverlening 1] weer terug naar huis zal gaan. De kinderrechter acht het niet in haar belang dat zij dan nog langer bij [hulpverlening 1] verblijft of daar op een andere groep wordt geplaatst.
Hoewel de moeder al wat voorwerk heeft verricht vindt de kinderrechter het niet verantwoord om [minderjarige] nu al op stel en sprong naar huis te laten gaan. Er is immers nog niks geregeld om te waarborgen dat de thuisplaatsing zal slagen en dat het daarna ook nog goed blijft gaan. De GI heeft ook aangegeven dat er meer tijd nodig is om de voorwaarden die de moeder aan een thuisplaatsing stelt te kunnen realiseren. De kinderrechter verwacht wel van de GI dat zij zich zullen inzetten om dat binnen de gegeven termijn te realiseren.
In het licht van het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen tot 1 november 2026 en het verzoek over de resterende termijn afwijzen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 1 november 2026 en wijst het verzoek voor de resterende termijn af;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026 door mr. M.T.A.C. Russel, kinderrechter, in aanwezigheid van S.C.J. Dullens-Servais als griffier, en op schrift gesteld op 27 oktober 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.