Personen- en familierecht
Voorlopige voorzieningen en bodemzaak. Wijziging eerder vastgestelde zorgregeling. Halen/brengen verdelen…
Rechtbank Limburg, 20 oktober 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:11693 · Rechtbank Limburg · 20 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/civiel-recht/personen-en-familierecht/rekestprocedure/ecli-nl-rblim-2026-11693
Zaakgegevens
Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/03/353864 / FA RK 26-1572
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- RekestprocedureRekestprocedureEen procedure die begint met een verzoekschrift (rekest) aan de rechter in plaats van met een dagvaarding.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2026:11693
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopige voorzieningen en bodemzaak. Wijziging eerder vastgestelde zorgregeling. Halen/brengen verdelen. Wijziging kinderbijdrage. Samengestelde gezinnen. Berekening ideale aandelen (zuivere draagkracht).
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 20 oktober 2026
Zaaknummers: C/03/353864 / FA RK 26-1572 (bodemzaak), C/03/353865 / FA RK 26-1573 (voorlopige voorzieningen)
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de volgende beschikking gegeven inzake:
[de moeder] ,
verzoekster, verder te noemen de moeder,
wonend in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. Y.K. Kunze, kantoorhoudend in Kerkrade,
en:
[de vader] ,
wederpartij, verder te noemen de vader,
wonend in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. R.A.H. Vullings, kantoorhoudend in Nijmegen.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure met nummer 353864 betrokken:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Maastricht,
verder te noemen de raad.
1 Het verloop van de procedure
Het procesverloop in de zaak met nummer 353865 blijkt uit het volgende:
- het verzoekschrift van de moeder, ingekomen op 2 juli 2026;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vader, ingekomen op 27 augustus 2026;
- het bericht met aanvullende producties van de moeder, ingekomen op 25 september 2026;
- de brief met aanvullende producties van de vader, ingekomen op 2 oktober 2026.
Het procesverloop in de zaak met nummer 353864 blijkt uit het volgende:
-het verzoekschrift van de moeder, ingekomen op 1 juli 2026;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vader, ingekomen op 27 augustus 2026;
- het bericht met aanvullende producties van de moeder, ingekomen op 25 september 2026;
- de brief met aanvullende producties van de vader, ingekomen op 2 oktober 2026.
De mondelinge behandeling in beide voornoemde procedures heeft plaatsgevonden op
7 oktober 2026. Daarbij zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door mr. D.G.A. Rossi, waarnemend voor mr. Kunze;
- de vader, bijgestaan door mr. Vullings;
- een vertegenwoordigster van de raad.
De minderjarige [minderjarige 1] is in staat gesteld om haar mening kenbaar te maken. Daarvan heeft zij gebruik gemaakt in een gesprek met de kinderrechter op 29 september 2026.
De zaken zijn tegelijkertijd behandeld. De rechtbank zal beide zaken bij één
beschikking afdoen.
2 De feiten
Uit de inmiddels beëindigde affectieve relatie tussen de ouders zijn geboren de nog minderjarigen:
- [minderjarige 1] , op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] .
De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend en de ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over hen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
De moeder heeft uit de relatie met de heer [persoon] nog een kind te weten: [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2022.
De vader heeft uit een eerdere relatie nog twee kinderen, te weten: [minderjarige 4] , geboren op
[geboortedag 4] 2012, en [minderjarige 5] , geboren op [geboortedag 5] 2009.
Bij beschikking van deze rechtbank van 19 oktober 2023 is de eerder tussen de ouders overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) gewijzigd en bepaald dat:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een weekend per veertien dagen (per september 2023 in de oneven weken) van vrijdag tot en met zondag bij de vader verblijven, waarbij de vader [minderjarige 2] , zolang zij nog niet naar school gaat om 11.30 uur bij de moeder ophaalt en [minderjarige 1] om 12.00 uur van school ophaalt. Zodra [minderjarige 2] naar school gaat, zal de vader [minderjarige 2] eveneens om 12.00 uur van school ophalen. De moeder zal de kinderen tot 1 december 2023 in de weekenden dat zij bij de vader verblijven, op zondag om 17.00 uur, op een tussen de ouders in nader overleg te bepalen plek in [plaats 1], ophalen. Vanaf 1 december 2023 zal de moeder de kinderen in het weekend dat zij bij de vader verblijven, op zondag om 16.30 uur bij de vader zal ophalen;
- de vakanties en feestdagen aan het begin van ieder jaar in onderling overleg tussen de ouders zullen worden verdeeld.
Tevens is in deze beschikking de eerder tussen de ouders overeengekomen bijdrage in de verzorging en opvoeding (kinderbijdrage) van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gewijzigd en bepaald dat de vader aan de moeder een kinderbijdrage moet betalen met ingang van 1 juli 2023 van € 159,50 per maand per kind, de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Bij beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 28 november 2024 is de bij voornoemde beschikking van 19 oktober 2023 vastgestelde verdeling van vakanties- en feestdagen gewijzigd en is, voor zover hier van belang, bepaald dat de vader met ingang van 1 juli 2024 een kinderbijdrage voldoet van € 118,75 per kind per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
3 De verzoeken en het verweer
In de zaak met nummer 353865
De moeder heeft verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de zorg-regeling die in de beschikking van 28 november 2024 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 200.336.780/01 en C/03/311200 FA RK 22-4182 is vastgelegd, te wijzigen en de navolgende zorgregeling tussen partijen vast te leggen, inhoudende dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de oneven weken van vrijdag na school tot zondag 16:30 uur bij de vader verblijven en dat de vader zorgdraagt voor het ophalen en terugbrengen van de kinderen, althans een zodanige beslissing als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
De vader heeft verweer gevoerd en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vrouw af te wijzen. De vader heeft verder zelfstandig verzocht de kinderbijdrage als vastgesteld bij beschikking van 28 november 2024 van het gerechtshof 's- Hertogenbosch te wijzigen en te bepalen dat de vader met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift een kinderbijdrage dient te voldoen van € 113,- per maand per kind bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen lager bedrag dan € 132,29 per kind per maand.
In de zaak met nummer 353864
De moeder heeft verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de zorgregeling die in de beschikking d.d. 28 november 2024 van het
gerechtshof 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 200.336.780/01 en C/03/311200 FA RK 22-4182 is vastgelegd, te wijzigen en de navolgende zorgregeling tussen partijen vast te leggen, inhoudende dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de oneven weken van vrijdag na school tot zondag 16:30 uur bij de vader verblijven en dat de vader zorgdraagt voor het ophalen en terugbrengen van de kinderen;
II. de onderhoudsbijdrage die in de beschikking d.d. 28 november 2024 van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch onder zaaknummer 200.336.780/01 en C/03/311200 FA RK 22-4182 is bepaald, te wijzigen en te bepalen dat de vader gehouden is ten behoeve van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] een onderhoudsbijdrage ad € 203,- per maand per kind bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;
althans een zodanige beslissing als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
De vader heeft verweer gevoerd en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vrouw af te wijzen. De vader heeft verder zelfstandig verzocht de kinderbijdrage als vastgesteld bij beschikking van 28 november 2024 van het gerechtshof 's- Hertogenbosch te wijzigen en te bepalen dat de vader met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift een kinderbijdrage dient te voldoen van € 113,- per maand per kind bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen lager bedrag dan € 132,29 per kind per maand.
In beide zaken
Op de door de ouders ingenomen stellingen en verweren zal voor zover nodig bij de beoordeling worden ingegaan.
4 Het advies van de raad
De raad geeft aan dat hij op basis van de stukken en de verklaringen van de ouders geen zorgen heeft over de ontwikkeling van de kinderen. Zij vinden het fijn om bij beide ouders te zijn. Dat de ouders ver uit elkaar wonen en de kinderen daardoor lang moeten reizen, is een gegeven. Dat maakt echter niet dat de zorgregeling niet moet worden nagekomen of dat de kinderen steeds bezig moeten zijn met de vraag of zij op zondagavond na hun verblijf bij de vader wel weer terug kunnen gaan naar de moeder. De kinderen moeten weten waar zij aan toe zijn. Het is ook de verantwoordelijkheid van beide ouders om de zorgregeling na te komen. Als de moeder niet in staat is om de kinderen bij de vader op te halen, dan is het aan haar om voor een alternatief te zorgen.
5 De mening van [minderjarige 1]
geeft aan dat zij het prima vindt dat zij doordeweeks bij de moeder is en om de week in het weekend bij de vader. Ze vindt het niet fijn dat ze bij de vader geen eigen kamer heeft en dat hij zo ver weg woont. Ze verveelt zich dan vaak in de auto.
6 De beoordeling
In de zaak met nummer 353865
De ouders hebben hun verzoeken over een voorlopige zorgregeling en voorlopige kinderbijdrage ingetrokken. De rechtbank overweegt dat zolang zij nog geen eindbeschikking heeft gegeven, partijen hun verzoeken kunnen intrekken. De rechtbank kwalificeert de intrekking van de verzoeken als een vermindering van de verzoeken tot nihil. Dit brengt mee dat de gronden van de verzoeken niet meer kunnen worden beoordeeld. Gelet hierop zal de rechtbank deze verzoeken afwijzen.
In de zaak met nummer 353864
De zorgregeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. In geval van een geschil over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken kan de rechter gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW een getroffen zorgregeling dienaangaande wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Wijziging van omstandigheden
De rechtbank dient allereerst te beoordelen of sprake is van een wijziging van omstandigheden.
De rechtbank is van oordeel dat daarvan sprake is. Anders dan de vader stelt, is de rechtbank van oordeel dat de moeder voldoende heeft onderbouwd dat haar gezondheids-toestand sinds de beschikking van het hof nog verder is verslechterd en wel zodanig dat zij zelfs niet meer in staat is om zelfstandig met de kinderen te wonen en hen alleen te verzorgen. De moeder heeft onweersproken gesteld dat zij inmiddels met de kinderen bij haar ouders is gaan wonen, die haar ondersteunen bij de verzorging en opvoeding. Nu dit samenhangt met de (uitvoering van de) zorgregeling, is de rechtbank van oordeel dat dit ook een relevante wijziging van omstandigheden is. De rechtbank komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van het voorliggende verzoek over de zorgregeling, meer in het bijzonder over het halen en brengen van de kinderen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat tussen de ouders niet ter discussie staat dat de bestaande zorgregeling, wat betreft de frequentie en de duur van de contacten tussen de vader en de kinderen, in stand moet blijven. Het geschil beperkt zich enkel tot de vraag op welke wijze het halen en brengen van de kinderen in het kader van die regeling moet worden georganiseerd. De moeder is van mening dat dit volledig voor rekening van de vader dient te komen en de vader vindt dat de huidige regeling ongewijzigd moet blijven.
De rechtbank begrijpt dat de gezondheidssituatie van de moeder sinds de beschikking van het hof is verslechterd en dat zij hierdoor nog meer beperkingen ondervindt in haar dagelijks functioneren. Zo heeft de moeder gesteld dat zij niet meer in staat is om volledig zelfstandig voor de kinderen te zorgen en dat zij daarbij nu dagelijks door haar ouders, bij wie zij is gaan inwonen met de kinderen, wordt ondersteund. De moeder heeft tevens gesteld dat zij vanwege haar beperkingen geen hobby’s meer heeft, niet meer sport en ook geen sociale activiteiten meer onderneemt. Uit de door de moeder overgelegde medische stukken blijkt ook dat haar belastbaarheid (ernstig) beperkt is. De rechtbank neemt deze beperkingen serieus en onderkent dat het reizen naar [woonplaats 2] van de moeder een aanzienlijke inspanning vergt. Dit neemt echter niet weg dat de uitvoering van de zorgregeling een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ouders is. Van beide ouders mag worden verwacht dat zij zich, ieder binnen hun mogelijkheden, inspannen om ervoor te zorgen dat de kinderen contact kunnen hebben met de andere ouder.
De rechtbank is van oordeel dat de door de moeder verzochte wijziging, waarbij de volledige verantwoordelijkheid voor het halen en brengen van de kinderen bij de vader wordt gelegd, te ver gaat. De medische beperkingen van de moeder geven weliswaar aanleiding om de bestaande afspraken over het halen en brengen opnieuw te beoordelen, maar rechtvaardi-gen niet zonder meer dat de vader voortaan al het vervoer voor zijn rekening moet nemen. Daarbij betrekt de rechtbank nog dat uit de overgelegde medische stukken niet blijkt dat de moeder in het geheel niet in staat is om auto te rijden. Hieruit volgt enkel dat zij niet beroeps-matig een auto kan besturen. De moeder heeft ter zitting desgevraagd nog gesteld dat reizen met het openbaar vervoer vanwege haar klachten voor haar te belastend is. De vader heeft daartegenover gesteld dat hij de klachten van de moeder niet wil bagatelliseren, maar dat zij wel in staat is om met de kinderen op vakantie naar Spanje te gaan. Hoewel een vakantiereis niet zonder meer vergelijkbaar is met het reizen in het kader van de zorgregeling, is de rechtbank van oordeel dat de moeder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom zij helemaal niet meer in staat zou zijn om een deel van het vervoer van de kinderen voor haar rekening te nemen. Dat zij daarbij mogelijk (deels) afhankelijk is van hulp van derden en stelt die hulp niet te hebben, maakt dit niet anders.
De rechtbank weegt ook mee dat gebleken is dat de vader al geruime tijd regelmatig toch al het vervoer van de kinderen voor zijn rekening heeft genomen, al dan niet omdat de moeder de vader, zo heeft hij onweersproken gesteld, steeds voor een voldongen feit stelde. Ofwel de kinderen waren al bij de vader en de moeder kwam ze (toch) niet ophalen, waardoor zij school of andere activiteiten zouden missen als de vader hen niet terugbracht, ofwel de vader zou de kinderen sowieso niet kunnen zien als hij niet zou zorgen dat hij ze zou halen en terugbrengen. De vader heeft daarover ter zitting uitvoerig verklaard, waarbij hij heeft aangegeven dat hij uiteindelijk toch steeds heeft geprobeerd in het belang van de kinderen te handelen en daarom heeft ‘toegegeven’ aan de moeder. De vader heeft echter ook gesteld dat hij dit niet langer kan volhouden. De vader heeft ook andere verplichtingen, waaronder zijn werk en de mantelzorg voor zijn ernstig zieke moeder, alsmede de zorg voor zijn andere twee kinderen wanneer deze bij hem verblijven. Daarnaast is de reisafstand (en de daarmee gepaard gaande kosten) ook voor de vader aanzienlijk, zeker als hij die twee keer in een weekend moet afleggen. De vader heeft daar nog aan toegevoegd dat hij, naast de zorgregeling, ook op andere momenten nog naar Limburg moet afreizen, bijvoorbeeld voor oudergesprekken of andere afspraken voor de kinderen. De rechtbank begrijpt dat dit voor de vader een aanzienlijke belasting vormt. Dat de vader in het verleden en tot op heden regelmatig extra vervoer op zich heeft genomen, betekent niet dat van hem kan worden verwacht dat hij dit structureel blijft doen, zoals de moeder dat ter zitting heeft gesteld.
De rechtbank heeft verder uit de verklaringen van de moeder ter zitting de indruk gekregen dat hetgeen zich in het verleden tussen de ouders heeft afgespeeld nog een rol speelt in haar standpunt in deze kwestie. De moeder heeft er immers (opnieuw) op gewezen dat de vader na beëindiging van hun relatie is verhuisd naar [plaats 2] en daarmee dit probleem heeft veroorzaakt. De moeder heeft ook gesteld dat de vader in het verleden gedurende bepaalde periodes wat haar betreft niet of onvoldoende betrokken is geweest in het leven van de kinderen. Wat daar ook van zij, dit kan niet bepalend zijn voor de verdeling van het halen en brengen van de kinderen op dit moment. Daarbij valt het de rechtbank op dat de moeder tijdens de zitting enerzijds heeft verklaard dat zij de verantwoordelijkheid ook niet volledig bij de vader wil leggen, maar anderzijds heeft aangegeven dat zij van hem verwacht dat hij al het vervoer verzorgt, omdat zij zelf geen oplossing heeft. Daarmee legt de moeder de verantwoordelijkheid in feite toch bij de vader neer. De rechtbank vindt dit niet redelijk. Hoe moeilijk de situatie voor de moeder ook is, van haar mag worden verwacht dat zij zich eveneens inspant om de zorgregeling mogelijk te maken en dat zij niet uitsluitend kijkt naar de vader voor een oplossing.
De rechtbank vindt het in het belang van de kinderen noodzakelijk dat een einde komt aan de huidige situatie, waarbij het halen en brengen van de kinderen voortdurend ter discussie wordt gesteld en de kinderen hierdoor soms zelfs het contact met de vader moeten missen. De rechtbank is met de raad van oordeel dat de kinderen er belang bij hebben dat zij weten waar zij aan toe zijn en erop kunnen vertrouwen dat de zorgregeling doorgaat zoals afgesproken. Juist omdat beide ouders het belang van het contact tussen de vader en de kinderen onderschrijven, mag van hen worden verwacht dat zij ieder hun verantwoordelijk-heid nemen om dit contact tussen de vader en de kinderen daadwerkelijk mogelijk te maken. De raad heeft ter zitting ook benadrukt dat dit een gedeelde verantwoordelijkheid is. Daarbij is het ook van belang dat de kinderen erop kunnen vertrouwen dat zij ook weer op zondag teruggaan naar de moeder.
De rechtbank ziet in de medische beperkingen van de moeder wel aanleiding om de bestaande afspraken over het halen en brengen te wijzigen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de moeder eerder zelf heeft voorgesteld om de overdracht van de kinderen in [plaats 1] te laten plaatsvinden, zij het op één van de twee reisdagen. Tijdens de zitting heeft de moeder toegelicht dat zij, gelet op haar beperkingen, maximaal ongeveer twee uur per dag zou kunnen reizen (een uur heen en een uur terug). De rechtbank leidt hieruit af dat de moeder, ondanks haar gezondheidsklachten, mogelijkheden ziet om het vervoer tot [plaats 1] te organiseren. De rechtbank ziet echter onvoldoende aanleiding om de overdracht slechts op één van de twee reisdagen in [plaats 1] te laten plaatsvinden, conform het eerdere voorstel van de moeder. De moeder heeft niet onderbouwd waarom zij het vervoer tot [plaats 1] op de ene dag wel zou kunnen organiseren, maar op de andere dag niet. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om twee afzonderlijke reisdagen, de vrijdag en de zondag, waartussen tijd voor herstel ligt als de moeder dit nodig heeft. De rechtbank realiseert zich dat ook het reizen naar [plaats 1] voor de moeder een inspanning vergt en dat zij mogelijk hulp van anderen daarbij nodig heeft. Dit neemt echter niet weg dat van haar mag worden verwacht dat zij zich inspant om dit vervoer op beide dagen mogelijk te maken.
Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank het redelijk en in het belang van de kinderen om te bepalen dat de overdracht voortaan zowel op vrijdag als op zondag in [plaats 1] zal plaatsvinden. Daarmee wordt enerzijds rekening gehouden met de medische beperkingen van de moeder, doordat zij niet langer het volledige traject naar [woonplaats 2] hoeft af te leggen, maar slechts het traject tot [plaats 1], waarvan zij eerder zelf heeft aangegeven dat dit mogelijk is. Anderzijds wordt voorkomen dat de volledige verantwoorde-lijkheid voor het vervoer bij de vader komt te liggen, hetgeen ook niet redelijk zou zijn. De rechtbank benadrukt dat van beide ouders wordt verwacht dat zij deze regeling nakomen en zich ervoor inspannen dat de kinderen op de afgesproken momenten bij de andere ouder kunnen zijn. De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder afwijzen en de zorg-regeling uitsluitend wat betreft het halen en brengen wijzigen, in die zin dat de overdracht van de kinderen zowel op vrijdag als op zondag in [plaats 1] zal plaatsvinden, waarbij de moeder de kinderen op vrijdag naar [plaats 1] brengt alwaar de vader ze ophaalt en waarbij de vader de kinderen op zondag terug naar [plaats 1] brengt alwaar de moeder ze ophaalt. Voor het overige blijft de regeling dus ongewijzigd.
De kinderbijdrage
Ontvankelijkheid
De rechtbank zal de ouders ook in hun verzoeken tot wijziging van de kinderbijdrage ontvangen. De rechtbank komt in ieder geval aan inhoudelijke beoordeling toe, nu door beide ouders is gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW. Dit laat onverlet dat de rechtbank hieronder nog inhoudelijk zal beoordelen of de door de ouders gestelde wijzigingen, nopen tot een hernieuwde beoordeling van de door de vader te betalen kinderbijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Ingangsdatum
Om procestechnische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum voor (eventuele) wijziging van de kinderbijdrage bespreken. De vader heeft verzocht de kinderbijdrage te wijzigen met ingang van datum indiening verzoekschrift (in de voorlopige voorzieningen), zijnde 27 augustus 2026. De moeder heeft geen ingangsdatum verzocht.
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 1:402 lid 1 BW de rechter die het bedrag van een uitkering vaststelt tevens de dag vaststelt, van welke dit bedrag is verschuldigd of ophoudt verschuldigd te zijn. De rechter is daarbij vrij de ingangsdatum te bepalen op een dag gelegen op de dag vóór, op of na de uitspraak. Op grond van vaste rechtspraak dient de rechter wel behoedzaam gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een onderhoudsverplichting met terugwerkende kracht vast te stellen dan wel te wijzigen, met name indien dat ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.
De rechtbank acht het redelijk om als ingangsdatum 1 september 2026 te nemen, zijnde de eerste dag van de maand volgend op de indiening van het verzoek door de vader.
Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Tussen de ouders is geen discussie over de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze is eerder door het hof vastgesteld op € 1.158,- per maand voor beide kinderen, ofwel € 579,- per kind per maand. Geïndexeerd naar 2026 is dat € 1.487,- voor beide kinderen, ofwel € 744,- per kind per maand.
Behoefte [minderjarige 3]
Tussen de ouders is geen discussie over de behoefte van [minderjarige 3] . Uit de beschikking van het hof blijkt dat deze in 2022 is vastgesteld op € 478,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 is dat € 585,- per maand.
Behoefte [minderjarige 4] en [minderjarige 5]
Tussen de ouders is geen discussie over de behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . Uit de beschikking van het hof blijkt dat deze in 2017 is vastgesteld op € 696,- per maand voor beide kinderen. Geïndexeerd naar 2026 is dat € 948,- per maand voor beide kinderen, ofwel € 474,- per kind per maand.
Draagkracht van de vader
De ouders verschillen van mening over het inkomen van de vader. De moeder stelt dat het totale bedrag aan IKB € 11.160,- op jaarbasis moet zijn, in plaats van 8% vakantie-geld (€ 4.892,- per jaar) en € 5.532,- eindejaarsuitkering, totaal € 10.424,-, zoals door de vader becijferd. De rechtbank volgt de moeder in dat standpunt. Uit de meest recente loonstrook van de vader volgt een totale maandopbouw aan IKB van € 930,02, bestaande uit een reservering van € 461,19 aan eindejaarsuitkering en € 468,83 aan vakantiegeld. Op jaarbasis is dit een totaalbedrag van afgerond € 11.160,-. De rechtbank zal hier dus rekening mee houden.
De moeder stelt verder dat er geen rekening meer moet worden gehouden met aflossing van de schuld bij de Belastingdienst. Het hof heeft dit destijds ook al gedaan en de moeder is daarom van mening dat de schuld inmiddels zou moeten zijn afgelost. De rechtbank volgt de moeder niet in dat standpunt. De vader heeft ter zitting toegelicht dat de Belastingschuld zag op twee aanslagen, waarvan er inmiddels een is afbetaald. De vader heeft op de andere aanslag een keer een termijn van € 285,- betaald, waarna deze afbetalings-regeling tijdelijk on hold is gezet omdat de vader ook hoge advocaatkosten had en hij deze niet kon betalen. De vader is nu in afwachting van een nieuwe afbetalingsregeling met de Belastingdienst, maar de verwachting is dat deze ongeveer gelijk zal zijn aan de vorige regeling. De vader heeft bovendien een recent overzicht van de totale nog openstaande schuld overgelegd, waardoor niet gesteld kan worden dat deze inmiddels is afgelost. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om aan de verklaring van de vader te twijfelen en zal daarom rekening houden met een aflossing van € 285,-, zoals door de vader gesteld. De rechtbank zal tevens rekening houden met de aflossing van € 380,- bij DUO, welke aflossing ook niet door de moeder is betwist.
Rekening houdend met het bruto salaris van de vader van € 5.096,- per maand, zijn IKB van bruto € 930,02 per maand en tijdelijke arbeidsmarkttoelage (in elk geval tot en met maart 2027) van € 764,40 bruto per maand, becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vader op € 4.320,- per maand. Rekening houdend met een totale aflossing op zijn schulden van € 665,- netto per maand en uitgaande van de forfaitaire woonlasten, heeft de vader een draagkracht van € 696,- per maand (berekening I).
Draagkracht van de moeder
De ouders hebben geen discussie over het inkomen van de moeder, zodat de recht-bank zal uitgaan van haar uitkering van € 3.945,02 bruto per maand en 8% vakantiegeld. De vader kan ook instemmen met de door de moeder opgevoerde (totale) aflossing op haar belastingschuld van € 60,- per maand. Gebleken is verder dat de schuld van de Volkswagen inmiddels is afgelost, zodat geen rekening meer hoeft te worden gehouden met een aflossing van € 399,- per maand. De vader heeft verder onweersproken gesteld dat, nu de moeder inwoont bij haar ouders, rekening moet worden gehouden met een woonbudget van 10%. De rechtbank acht dit ook redelijk. Toen de vader bij zijn ouders inwoonde, is immers eveneens rekening gehouden met die 10%.
Tussen de ouders is wel discussie over de aflossing van de schuld bij Defam. De vader stelt dat de moeder inmiddels uit elkaar is met de heer [persoon] en dat hij ervan uitgaat dat zij de auto waarvoor deze schuld is aangegaan ook niet in haar bezit heeft, omdat zij stelt niet te kunnen rijden. De vader vraagt zich dan ook af of de moeder zich niet van deze schuld kan bevrijden. De vader is in ieder geval van mening dat deze schuld vermijdbaar is en daarom niet moet worden meegenomen. De rechtbank volgt de vader niet in dat standpunt. De moeder heeft ter zitting toegelicht waarom deze schuld is aangegaan en gesteld dat zij en de heer [persoon] op dit moment ieder de helft van de nog openstaande schuld van € 25.000,- betalen. De moeder heeft desgevraagd verklaard dat zij zich ook niet van deze schuld kan bevrijden, althans dat de heer [persoon] haar deel van de schuld niet kan overnemen. Hij staat immers onder bewind en hiervoor is geen ruimte. De rechtbank ziet in hetgeen de vader heeft aangevoerd, tegenover de stellingen van de moeder hierover, geen aanleiding om anders over deze schuld te beslissen en zal rekening houden met een aflossing van afgerond (de helft van € 213,85 =) € 107,- per maand.
Rekening houdend met het voorgaande en inclusief kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop becijfert de rechtbank het NBI van de moeder op € 3.444,- per maand. Rekening houdend met een totale aflossing op haar schulden van € 167,- netto per maand en een woonbudget van 10%, heeft de moeder een draagkracht van € 1.098,- per maand (berekening II).
Gezamenlijke draagkracht ouders
De gezamenlijke draagkracht van de ouders (€ 696,- + € 1.098,- = € 1.794,-) is voldoende om in de behoefte van de kinderen van € 1.487,- te voorzien. De rechtbank zal nu eerst de draagkracht van de heer [persoon] en de ideale aandelen berekenen, waarna de rechtbank later in zal gaan op het betoog van de vader dat moet worden uitgegaan van zijn werkelijke woonlasten.
De draagkracht van de heer [persoon]
De vader heeft onweersproken gesteld dat het redelijk is de eerder door de rechtbank en het hof becijferde gegevens voor de draagkracht van de heer [persoon] te gebruiken. Bij gebrek aan andere gegevens, sluit de rechtbank zich daarom aan bij deze cijfers. De draagkracht van de heer [persoon] was in 2023 € 926,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 is dat € 1.096,- per maand.
Draagkrachtvergelijking (ideale aandelen)
Omdat beide ouders de berekeningsmethode van het hof (zuivere draagkracht) hebben gevolgd, zal de rechtbank dat in dit geval in het hiernavolgende ook doen. Na het aldus berekenen van ieders ‘ideale aandeel’ in de behoefte van de kinderen, zal de rechtbank voor ieder beoordelen of dit uit de (beschikbare) draagkracht kan worden voldaan. Daarbij merkt de rechtbank volledigheidshalve op dat zij tevens uit zal gaan van de door de ouders niet betwiste gegevens in hun verzoek- en verweerschrift, alsmede van de gegevens zoals die ook uit de beschikking van het hof volgen en voor zover die hiervoor niet reeds afwijkend zijn becijferd.
[minderjarige 4] en [minderjarige 5]
De behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] is € 948,-. De vader heeft recht op een zorgkorting van € 142,- en betaalt een kinderbijdrage voor hen van € 155,- per maand. Het ideale aandeel in de kosten van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] bedraagt dan (€ 142,- + € 155,- =) € 297,-.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2]
De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is € 1.487,-. De gezamenlijke draagkracht van de ouders is € 1.794,-, zodat zij voldoende hebben om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. Het ideale aandeel voor de vader is dan € 696,- / € 1.794,- x € 1.487,- = afgerond € 577,-. Het ideale aandeel voor de moeder is dan € 1.098,- / € 1.794,- x € 1.487,- = afgerond € 910,-.
[minderjarige 3]
De behoefte van [minderjarige 3] is € 585,-. De draagkracht van de heer [persoon] is € 1.096,- en van de moeder is € 1.098,-, totaal € 2.194,-, zodat zij voldoende hebben om in de behoefte van [minderjarige 3] te voorzien. Het ideale aandeel voor de heer [persoon] is dan € 1.096,- / € 2.194,- x € 585,- = afgerond € 292,-. Het ideale aandeel voor de moeder is dan € 1.098,- / € 2.194,- x
€ 585,- = afgerond € 293,-.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zou de moeder in verhouding met de vader een aandeel van € 910,- per maand in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten dragen en in de verhouding met de heer [persoon] een aandeel in de behoefte van [minderjarige 3] van € 293,- per maand (de ‘ideale aandelen’). In totaal dient zij dus € 1.203,- per maand te dragen. Haar draagkracht van € 1.098,- laat dit niet toe. De rechtbank verdeelt deze draagkracht daarom naar rato van de berekende aandelen. Dit leidt dan tot de volgende bijdragen: voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] : 910/(910 + 293) x 1098 = € 831,-. Voor [minderjarige 3] : 293/(293 + 910) x 1098 = 267,-. Op deze manier krijgen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (831 / 910 x 100% =) 91% van wat zij idealiter zouden moeten krijgen van de moeder. Ook [minderjarige 3] krijgt (267 / 293 x 100% =) 91% van wat hij idealiter zou moeten krijgen. Daarmee is de draagkracht van de moeder in die zin gelijkelijk over de kinderen verdeeld. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen per saldo meer, maar dat is te rechtvaardigen aangezien zij ook een hogere behoefte hebben dan [minderjarige 3] .
Het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt € 577,- per maand, ofwel € 289,- per kind per maand en zijn aandeel in de kosten van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] , zoals overwogen in 6.27. is € 297,- per maand. In totaal dient de vader dus € 874,- per maand te dragen. Zijn draagkracht van € 696,- laat dit niet toe. De rechtbank verdeelt deze draagkracht daarom naar rato van de berekende aandelen. Dit leidt dan tot de volgende bijdragen: voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] : 577/(577+ 297) x 696 = € 459,-. Voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] : 297/(297 + 577) x 696 = 237,-. Op deze manier krijgen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (459 / 577 x 100% =) 80 % van wat zij idealiter zouden moeten krijgen van de vader. Ook [minderjarige 4] en [minderjarige 5] krijgen (237 / 297 x 100% =) 80 % van wat zij idealiter zouden moeten krijgen. Daarmee is de draagkracht van de vader in die zin gelijkelijk over de kinderen verdeeld. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen per saldo meer, maar dat is te rechtvaardigen aangezien zij ook een hogere behoefte hebben dan [minderjarige 4] en [minderjarige 5] .
Het aandeel van de heer [persoon] in de kosten van [minderjarige 3] bedraagt € 292,- per maand en zijn aandeel in de kosten van [kind 1] en [kind 2], zoals overwogen in de beschikking van het hof onder 5.14.1. € 521,- per maand. In totaal dient de heer [persoon] dus € 813,- per maand te dragen. Zijn draagkracht van € 1.096,- per maand laat dit toe.
De zorgkorting
De zorgkorting staat niet ter discussie, zodat de rechtbank uit zal gaan van een zorgkorting van 25%. Dit is (0,25 x € 1.487,- =) € 372,- per maand voor beide kinderen, ofwel € 186,- per kind per maand. Dit betekent dat de vader met ingang van 1 september 2026 een bedrag van (459 – 372 =) 87,- per maand moet betalen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , ofwel € 44,- per kind per maand.
Werkelijke woonlasten
De vader heeft betoogd dat uitgegaan dient te worden van zijn werkelijke woonlasten en de moeder heeft hiermee ingestemd. Hoewel de berekening op grond van het Rapport Alimentatienormen uitgaat van forfaitaire woonlasten bij voldoende draagkracht zoals hierboven onder 6.20. tot en met 6.26. ook is berekend, is de rechtbank het in dit geval met de ouders eens dat gerekend moet worden met de werkelijke woonlasten. Er is dan immers nog steeds sprake van voldoende draagkracht en dit leidt bovendien tot een hogere kinderbijdrage, hetgeen ook in het belang van de kinderen is.
Uitgaande van het onder 6.22. becijferde NBI van de vader en de aflossing op zijn schulden van € 665,- per maand, én rekening houdend met de werkelijke woonlasten van € 998,- per maand zoals door de vader gesteld en met stukken onderbouwd, is zijn draagkracht € 904,- per maand (berekening III). De gezamenlijke draagkracht van de ouders is dan (€ 904,- + € 1.098,- =) € 2.002,- en dus voldoende om in de behoefte van de kinderen van € 1.487,- te voorzien.
Het ideale aandeel voor de vader is dan € 904,- / € 2.002,- x € 1.487,- = afgerond € 671,-. Het ideale aandeel voor de moeder is dan € 1.098,- / € 2.002,- x € 1.487,- = afgerond € 816,-.
Gelet op het voorgaande zou de moeder in verhouding met de vader een aandeel van € 816,- per maand in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten dragen en in de verhouding met de heer [persoon] een aandeel in de behoefte van [minderjarige 3] van € 293,- per maand (de ‘ideale aandelen’). In totaal dient zij dus € 1.109,- per maand te dragen. Haar draagkracht van € 1.098,- laat dit niet toe. De rechtbank verdeelt deze draagkracht daarom naar rato van de berekende aandelen. Dit leidt dan tot de volgende bijdragen: voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] : 816/(816 + 293) x 1098 = € 808,-. Voor [minderjarige 3] : 293/(293 + 816) x 1098 = 290,-. Op deze manier krijgen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (808 / 816 x 100% =) 99% van wat zij idealiter zouden moeten krijgen van de moeder. Ook [minderjarige 3] krijgt (290 / 293 x 100% =) 99% van wat hij idealiter zou moeten krijgen. Daarmee is de draagkracht van de moeder in die zin gelijkelijk over de kinderen verdeeld.
Het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt € 671,- per maand, ofwel € 336,- per kind per maand en zijn aandeel in de kosten van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] , zoals overwogen in 6.29. is € 297,- per maand. In totaal dient de vader dus € 968,- per maand te dragen. Zijn draagkracht van € 904,- laat dit niet toe. De rechtbank verdeelt deze draagkracht daarom naar rato van de berekende aandelen. Dit leidt dan tot de volgende bijdragen: voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] : 671/(671+ 297) x 904 = € 627,-. Voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] : 297/(297 + 671) x 904 = 277,-. Op deze manier krijgen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (627 / 671 x 100% =) 93 % van wat zij idealiter zouden moeten krijgen van de vader. Ook [minderjarige 4] en [minderjarige 5] krijgen (277 / 297 x 100% =) 93 % van wat zij idealiter zouden moeten krijgen. Daarmee is de draagkracht van de vader in die zin gelijkelijk over de kinderen verdeeld.
Rekening houdend met de onder 6.35. becijferde zorgkorting van € 372,- per maand voor beide kinderen, betekent dit dat de vader een kinderbijdrage zou moeten betalen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van (€ 627 - € 372 =) € 255,- per maand voor beide kinderen, ofwel afgerond € 128,- per kind per maand.
Omdat de vader momenteel een kinderbijdrage van (geïndexeerd naar 2026) € 132,29 per maand betaalt en uit de herberekening een kinderbijdrage volgt van afgerond € 128,- per kind per maand is de rechtbank van oordeel dat het verzoek om wijziging moet worden afgewezen, nu het verschil tussen deze twee bijdragen minimaal is. De rechtbank zal daarom het verzoek van beide ouders afwijzen. Dat betekent dat de door het hof vastgestelde kinderbijdrage niet wijzigt.
7 De beslissing
De rechtbank:
In de zaak met nummer 353865
wijzigt de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 28 november 2024 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 200.336.780/01 en C/03/311200 FA RK 22- 4182, in die zin dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de oneven weken van vrijdag na school tot en met zondag bij de vader verblijven, waarbij de moeder de kinderen steeds op vrijdag na school naar een tussen de ouders in nader overleg te bepalen plek in [plaats 1] brengt alwaar de vader hen ophaalt en waarbij de vader de kinderen steeds op zondag om 17.00 uur in [plaats 1] terugbrengt, alwaar de moeder hen ophaalt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. Schuman, griffier op 20 oktober 2026. |
||
|
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. |
||
Berekening I
Berekening II
Berekening III