Strafrecht overig

Wraking - geen feiten of omstandigheden die de rechters betreffen. een verzoek kan niet leiden tot vervanging…

Rechtbank Limburg, 7 september 2026

Zaakgegevens

Op 7 september 2026 heeft de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
7 september 2026
Datum publicatie
17 september 2026
Zaaknummer
C/03/355844 / HA RK 26-154
Procedure
Wraking
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:9910
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wraking - geen feiten of omstandigheden die de rechters betreffen. een verzoek kan niet leiden tot vervanging van de griffier, het verzoek is kennelijk ongegrond.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Wrakingskamer

Zaaknummer: C/03/355844 / HA RK 26-154

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek van

[verzoeker] ,

advocaat mr. S.R. van Laar te Arnhem,

hierna: verzoeker,

dat strekt tot wraking van de meervoudige strafkamer bestaande uit mr. Bastiaans,

mr. Van der Pasch en mr. Mestrom, rechters in de rechtbank Limburg, hierna: de rechters.

1 De procedure

Op 3 september 2026 is namens verzoeker per e-mailbericht een verzoek tot wraking van de meervoudige strafkamer ingediend in de zaak met parketnummer C/03/128450-21. Tevens is daarbij een productie van voornoemde datum gevoegd waaruit blijkt dat de rechters de gelegenheid is geboden zich te verschonen bij gebreke waarvan een wrakingsverzoek zou worden ingediend.

De rechters hebben de wrakingskamer op 4 september 2026 bericht niet in het verzoek te berusten.

De wrakingskamer heeft gelet op het onderstaande afgezien van een mondelinge behandeling.

2 De beoordeling

Artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van verzoeker daarover is belangrijk maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.

De wrakingskamer begrijpt dat het verzoek tot wraking, gericht tegen de rechters van de meervoudige strafkamer, is ingegeven door het feit dat de griffier die in deze zaak de ondersteuning verzorgt dezelfde griffier is als die ondersteuning bood in de zaken van de medeverdachten van verzoeker, waarbij die rechtbank zich in haar vonnis heeft uitgelaten over het aandeel van verzoeker in de tenlastegelegde feiten.

Om het duidelijk te stellen, de namens verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden gaan over de griffier en niet over de rechters. Verzoeker geeft aan dat het niet anders kan zijn dan dat de griffier tenminste een gekleurd oordeel heeft over het vermeende aandeel van verzoeker en dat dat zou doorwerken in het oordeel van de rechtbank. Wat er ook zij van de mening van de griffier, de griffier heeft geen doorslaggevende of bepalende invloed op de procedure en wordt geen (mede)beslisser; hij ondersteunt slechts. De rechters worden geacht zelf na te denken over de zaak en dragen zelf de verantwoordelijkheid voor de beslissingen.

Bovendien kan een wrakingsverzoek niet leiden tot vervanging van de griffier, maar alleen tot vervanging van de rechters. Dat is immers het doel van het verzoek tot wraking. Niet voor niets wordt namens de verzoeker in productie 1 bij het verzoek de opmerking gemaakt: “Daarbij spreekt het uiteraard voor zich dat de behandeling van de zaak zal moeten worden aangehouden als u zich verschoont en dat een eventuele nieuwe combinatie zich niet kan laten bijstaan en ondersteunen door deze griffier.”

Al met al is er dus geen sprake van feiten of omstandigheden die de rechters betreffen. Op grond van het wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg kan de wrakingskamer het verzoek tot wraking onder meer zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond of niet-ontvankelijk verklaren indien het verzoek kennelijk ongegrond is (artikel 4, lid 2, sub a van het wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg). De wrakingskamer zal het verzoek kennelijk ongegrond verklaren.

3 De beslissing

De wrakingkamer:

- verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. Otto, mr. Roeffen, en

mr. Schreurs-van de Langemheen, bijgestaan door de griffier. In het openbaar uitgesproken op 7 september 2026.