Strafrecht overig
Wrakingsverzoek afgewezen. Aan het wrakingsverzoek heeft verzoeker onder meer door de rechter genomen…
Rechtbank Den Haag, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30346 · Rechtbank Den Haag · 14 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/wraking/ecli-nl-rbdha-2026-30346
Zaakgegevens
Op 14 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Datum publicatie
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/713610 / KG RK 26-1400
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30346
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wrakingsverzoek afgewezen. Aan het wrakingsverzoek heeft verzoeker onder meer door de rechter genomen beslissingen ten grondslag gelegd. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt echter mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nooit een grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing(en) van de rechter noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel (hoger beroep) belast is met de behandeling van de zaak. Verder valt uit het proces-verbaal van de zitting op geen enkele manier de vooringenomenheid van de rechter af te leiden. Uit de opmerkingen van de rechter en zijn beslissing op het preliminaire verweer, blijkt geenszins dat hij zich al een inhoudelijk oordeel over de schuld van verzoeker had gevormd. De aangevoerde grond dat de rechter op aanvallende toon tegen hem sprak betreft een klacht over de manier waarop hij door de rechter is bejegend. Voor een dergelijke klacht is de wrakingsprocedure niet bedoeld. Verzoeker kan over de wijze van bejegening door de rechter een klacht indienen bij het gerechtsbestuur. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in de bejegening door de rechter (de schijn van) partijdigheid van de rechter besloten ligt, zijn gesteld noch gebleken. De op de door verzoeker aangevoerde laatste grond gegeven toelichting bevat ten slotte geen concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden.
Uitspraak
Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/66
zaak- /rekestnummer: C/09/713610 / KG RK 26-1400
Beslissing van 14 oktober 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
BRP-adres te [plaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. G.P. Verbeek,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 29 september 2026 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de e-mail van verzoeker van 30 september 2026.
2 Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met parketnummer
09-237761-26 tegen verzoeker als verdachte (hierna: de hoofdzaak).
Op 29 september 2026 heeft in de hoofdzaak een zitting plaatsgevonden.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van deze zitting het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:
“Volgens artikel 94 van het Grondwet vinden binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Door te weigeren om de door mij aan de rechtbank gestuurde brieven te betrekken bij de zaak en te toetsen aan het EVRM is objectieve waarheidsvinding door de politierechter in deze zaak uitgesloten.”
In de e-mail van verzoeker van 30 september 2026 staat, voor zover van belang, het volgende:
“ Met alle nodige respect voor deze rechtbank, moet ik vaststellen dat de beslissingen van de politierechter bij een neutrale buitenstaander de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid wekt. Het wekt de indruk dat het oordeel over de schuldvraag al vaststond vóórdat de verdediging haar argumenten mocht presenteren]. Het fundamentele recht op een eerlijk proces en equality of arms onder Artikel 6 EVRM in de kern is geraakt.
Gronden voor wraking
Ik voel mij persoonlijk benadeeld/ aangevallen door rechter.
Omdat mijn schriftelijke gevraagde informatieverzoeken niet worden behandeld en rechter deze niet in het dossier wenst te betrekken, ziet de verdediging zich geconfronteerd met een fundamentele belemmering van een eerlijk proces
Mij heeft meegedeeld dat misstanden schendingen van het EvRM uitsluitend kunnen leiden tot strafvermindering en schendingen van EVRM en onrechtmatige handelen in doofpot worden gehouden.
1. het weigeren van de gelegenheid om mij informatie verzoeken en getuigenverhoor te behandelen en af te wachten ten behoeve van de verdediging.
(…)
2 schending onschuldpresumtie
(…)
Doch reeds oordeelt over dat schendingen van evrm rechtend uitsluitend 'strafvermindering' kunnen leiden omdat de eisen voor niet ontvankelijkheid , hoog zijn vanwege de arrest hoge raad. , heeft de onafhankelijke waarheidsvinding definitief prijsgegeven Binnen deze beperking is verzoeker door de politierechter persoonlijk aangevallen op zijn verdedigingsrechten. Toen verzoeker de rechtbank confronteerde met de schending van Artikel 2 van het EVRM — gebaseerd op het harde feit dat de overheid de uitdrukkelijke, ambtelijke toezeggingen van bescherming in het cellencomplex (pagina 35 van proces-verbaal niet is nagekomen — verklaarde de politierechter op aanvallende toon dat deze verdragsrechtelijke beschermingsplicht verzoeker 'niks levert in dit proces.
ik ben ondergedoken wegens dreiging. De herhaalde opvraging van mijn onderduikadres door rechter schendt mijn recht op veiligheid en privacy onder Artikel 2 en 8 EVRM."Het opeisen van mijn geheime verblijfplaats negeert de concrete dreiging en getuigt van een ongegronde, vooringenomen beschuldiging van vluchtgevaar en dit allemaal in het preliminair verweer.”
3 De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Naar de wrakingskamer uit de in het proces-verbaal en in de e-mail van
30 september 2026 aangevoerde gronden begrijpt, vindt verzoeker de rechter onder meer vooringenomen omdat hij heeft geweigerd de door verzoeker aan de rechtbank gestuurde brieven te betrekken in de hoofdzaak en ook omdat hij heeft geweigerd informatieverzoeken en de verzoeken om een getuigenverhoor van verzoeker te behandelen. Dit betreft allemaal door de rechter genomen beslissingen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt echter mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nooit een grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing(en) van de rechter noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel (hoger beroep) belast is met de behandeling van de zaak. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek, voor zover het is gebaseerd op de (tussen)beslissingen van de rechter, niet toewijsbaar is.
Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat de rechter zou hebben geoordeeld dat schendingen van het EVRM uitsluitend tot strafvermindering kunnen leiden omdat de eisen voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie hoog zijn en dat de daarmee de schuld van verzoeker al vaststond voor de rechter, oordeelt de wrakingkamer als volgt. Uit het proces-verbaal van de zitting van 29 september 2026 valt op geen enkele manier de vooringenomenheid van de rechter af te leiden. De rechter heeft, nadat de verzoeker zijn preliminaire verweer dat ziet op de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft kunnen toelichten, uitsluitend op dat verweer een beslissing genomen. Uit de opmerkingen van de rechter en zijn beslissing op het preliminaire verweer, blijkt geenszins dat hij zich al een inhoudelijk oordeel over de schuld van verzoeker had gevormd. Ook op deze grond is het wrakingsverzoek niet toewijsbaar.
Verder heeft verzoeker aangevoerd dat de rechter op aanvallende toon tegen hem sprak. Dit betreft een klacht over de manier waarop hij door de rechter is bejegend. Voor een dergelijke klacht is de wrakingsprocedure niet bedoeld. Verzoeker kan over de wijze van bejegening door de rechter een klacht indienen bij het gerechtsbestuur. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in de bejegening door de rechter (de schijn van) partijdigheid van de rechter besloten ligt, zijn gesteld noch gebleken. Ook op deze grond is het wrakingsverzoek daarom niet toewijsbaar.
Ten slotte bevat de door verzoeker op de grond over het opvragen van het adres gegeven toelichting geen concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden. Ook op deze grond is het verzoek niet toewijsbaar.
De wrakingskamer is, gelet op het bovenstaande, dan ook van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is en zal het verzoek daarom afwijzen.
Voor een behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
4 De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de officier van justitie, mr. S. Passchier;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.A.W. Schippers, A.M.A. Keulen en E.E. Schotte, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.