Strafrecht overig
Wrakingsverzoek kennelijk ongegrond.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10456 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 26 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/wraking/ecli-nl-rbzwb-2026-10456
Zaakgegevens
Op 26 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 26 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/453443 HA RK 26-227
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10456
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wrakingsverzoek kennelijk ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Wrakingskamer
Locatie: Breda
Procedurenummer: C/02453443 HA RK 26-227
beslissing van 26 oktober 2026 op het wrakingsverzoek zoals bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering van:
[verzoeker] , verzoeker.
1 Procesverloop
Het verloop van deze procedure blijkt onder meer uit:
de processtukken zoals opgenomen in de procesdossiers van de hoofdzaken met zaaknummers 02-053274-19, 20-003290-19 en RK 26-018465,
het schriftelijke wrakingsverzoek, ingekomen via e-mail op 16 oktober 2026 om 10:54 uur,
de e-mail van de gewraakte rechter aan de wrakingskamer van 19 oktober 2026 waaruit blijkt dat zij niet in de wraking berust,
het proces-verbaal van de zitting in de hoofdzaken van 16 oktober 2026 om 12:00 uur.
2 Het verzoek
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Janssen (hierna: de rechter), optredend als strafrechter in de voornoemde hoofdzaken. Het verzoek rust op de gronden zoals die door verzoeker uiteen zijn gezet in het wrakingsverzoek van 16 oktober 2026.
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.
3 De gronden van het wrakingsverzoek
Volgens verzoeker heeft de rechter de schijn van vooringenomenheid gewekt door niet op te treden tegen de afwezigheid in het procesdossier van de hoofdzaken van een DVD met cruciale camerabeelden, alsmede diverse processen-verbaal en vonnissen. Daarnaast is niet voldaan aan de plicht om een functionerende advocaat toe te voegen, aangezien zowel de eerste als de tweede toegevoegde advocaat niet naar behoren functioneerde. Verder is sprake van frustratie van het inzagerecht door het Openbaar Ministerie (OM) en de strafgriffie van de rechtbank, en heeft de klachtenfunctionaris van de rechtbank zich schuldig gemaakt aan manipulatie. Ook heeft de rechter ten onrechte het verzoek om de zitting via een beeldverbinding te laten plaatsvinden afgewezen. Ten slotte volgt uit de eerdere beslissing van de rechtbank in de zaak met nummer 02-137713-20 dat de rechtbank geen eerlijk proces meer kan garanderen.
4 De beoordeling
Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan een verdachte of het OM elk van de rechters die een strafzaak behandelen wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Voorop moet worden gesteld dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit is slechts anders als zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
Hieruit vloeit voort dat de wrakingskamer niet kan ingaan op de door verzoeker geuite twijfels bij het handelen van andere instanties en functionarissen dan de rechter (te weten: het OM, de strafgriffie van de rechtbank, een specifieke medewerker van die griffie, de klachtenfunctionaris van de rechtbank en zijn advocaten). Verder geldt dat voor wraking alleen grond kan zijn gelegen in het handelen van de betreffende rechter in de voorliggende zaak, en dus in beginsel niet in de inhoud van een eerdere beslissing van de rechtbank.
Naar het oordeel van de wrakingskamer is er in deze zaak geen sprake van een zwaarwegende aanwijzing zoals hiervoor bedoeld. De beslissing van de rechter om de zitting in de hoofdzaken niet via een beeldverbinding te laten plaatsvinden, is een procesbeslissing. De wrakingskamer komt daarover geen oordeel toe, ook niet als een dergelijke beslissing volgens verzoeker onjuist, onbegrijpelijk of gebrekkig gemotiveerd is. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413. De omstandigheid dat verzoeker kennelijk niet tevreden is over het functioneren van zijn advocaten, het OM en diverse medewerkers van de rechtbank, maakt niet dat de rechter jegens hem vooringenomen is. Verder heeft verzoeker niet inzichtelijk gemaakt dat de elementen die volgens hem ontbreken in het procesdossier van de hoofdzaken cruciaal zijn voor de beoordeling van de vraag die aan de rechter voorlag (het betreft een raadkamerprocedure over de omzetting van een taakstraf). Ook is overigens niet gebleken dat de rechter zou weigeren om het dossier te completeren als zij tijdens de behandeling tot het inzicht zou zijn gekomen dat er cruciale elementen ontbreken.
Gelet op het voorgaande is er sprake van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek. Om die reden laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbanken, rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wraking, wrakingsprotocol).
5 De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaken met zaaknummers 02-053274-19, 20-003290-19 en RK 26-018465 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.
Deze beslissing is genomen op 26 oktober 2026 door mr. ing. Peters, rechter en voorzitter, en mr. Leppens en mr. Tempel, rechters, in aanwezigheid van mr. Hamans, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
De griffier is verhinderd om deze beslissing mede te ondertekenen. |
voorzitter |
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.