Ambtenarenrecht

Beroep niet tijdig beslissen, brief van eiser betreft bezwaarschift, zelf voorzien en bezwaar n.o. verklaard.

Rechtbank Midden-Nederland, 17 februari 2020

Zaakgegevens

Op 17 februari 2020 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
17 februari 2020
Datum publicatie
27 maart 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1538
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2020:1187
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep niet tijdig beslissen, brief van eiser betreft bezwaarschift, zelf voorzien en bezwaar n.o. verklaard.

Procesgang

  1. Rechtbank Midden-Nederland · 17 februari 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:RBMNE:2020:1187

  2. Raad van State · 28 juli 2021

    ECLI:NL:RVS:2021:1687

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/1538

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

[verweerder] , verweerder

(gemachtigde: mr. J.M.J. van de Pas).

Procesverloop

Op 11 april 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Op 20 december 2018 heeft eiser uitsluitsel gevraagd aan verweerder over een ‘externe overplaatsing’ van zijn functie, waarbij hij verweerder een termijn heeft gesteld om te reageren tot 15 januari 2019. Eiser geeft hierbij aan dat hij het uitblijven van uitsluitsel aanmerkt als bevestiging van zijn overplaatsing.

Op 21 januari 2019 heeft eiser op grond van artikel 6:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bezwaar gemaakt tegen de overplaatsing dan wel tegen de met een besluit gelijk te stellen andere handeling van verweerder.

2. Anders dan verweerder merkt de rechtbank de brief van eiser van 21 januari 2019 aan als bezwaarschrift. Tussen partijen niet in geschil is dat verweerder niet heeft beslist op het bezwaar van eiser en dat de termijn voor het nemen van een besluit op bezwaar reeds is verstreken.

3. Nu verweerder nog geen besluit heeft genomen op het bezwaar, is het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar gegrond.

4. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk te verklaren. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

5. Eiser heeft in zijn brief van 20 december 2018 aangegeven dat hij het uitblijven van uitsluitsel aanmerkt als bevestiging van zijn overplaatsing. De rechtbank stelt echter vast dat van een besluit tot overplaatsing geen sprake is, waardoor reeds gelet hierop het bezwaar van eiser tegen de overplaatsing (kennelijk) niet-ontvankelijk is.

6. Voor zover eiser stelt dat uit de door hem bij zijn brief van 13 november 2019 overgelegde stukken uit de personeelsadministratie (SAP) blijkt dat sprake is van een besluit tot overplaatsing dan wel sprake is van een met een besluit gelijk te stellen andere handeling in de zin van artikel 8:2, eerste lid, onder a, van de Awb, waartegen bezwaar open staat, volgt de rechtbank eiser hierin niet. In de uitspraak van 4 april 2013, in een eerdere zaak van eiser, heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) overwogen dat SAP als ondersteunend administratief systeem volgend is aan de organisatie en niet leidend. Aan de administratie in SAP kunnen geen rechtspositionele gevolgen worden ontleend, aldus de CRvB. Gelet hierop blijkt uit de door eiser overgelegde stukken uit SAP evenmin dat sprake is van een besluit tot overplaatsing dan sprake is van een met een besluit gelijk te stellen andere handeling waartegen bezwaar open staat.

7. Gelet op hetgeen is overwogen in 3. is het beroep gegrond. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser verweerder in gebreke heeft gesteld en de termijn voor het nemen van een besluit was verstreken op het moment dat eiser beroep instelde. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder geen dwangsommen aan eiser is verschuldigd omdat het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk is, als bedoeld in artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

  • verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • wijst het verzoek om vaststelling van dwangsommen af;

  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Beijl, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6178, te vinden op www.rechtspraak.nl