Bestuursrecht overig

connexiteitsvereiste; verzoek kennelijk n-o

Rechtbank Midden-Nederland, 24 maart 2023

Zaakgegevens

Op 24 maart 2023 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24 maart 2023
Datum publicatie
7 april 2023
Zaaknummer
UTR - 23 _ 966
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2023:1585
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

connexiteitsvereiste; verzoek kennelijk n-o

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 23/966


uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 maart 2023 in de zaak tussen


[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: S. Vrielink),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland,

(gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de voorgenomen openbaarmakingen die op 14 februari 2023 in de Staatscourant zijn gepubliceerd. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het voornemen van verweerder om bepaalde informatie openbaar te maken. Verweerder heeft betrokkenen in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen. In deze fase is nog geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en er is ook geen bezwaar- of beroepsprocedure. Betrokkenen zijn in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen en nadat alle zienswijzen zijn ingediend en beoordeeld neemt verweerder pas een besluit over de openbaarmaking. Gelet hierop is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk omdat niet wordt voldaan aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. R.P. Stehouwer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2023.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Stcrt. 2023, 4840; Stcrt. 2023, 4842; Stcrt. 2023, 4843.