Omgevingsrecht
Mondelinge uitspraak. Weigering aanvraag kapvergunning. Het college heeft in redelijkheid kunnen besluiten om…
Rechtbank Midden-Nederland, 3 april 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:4094 · Rechtbank Midden-Nederland · 3 april 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/omgevingsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2023-4094
Zaakgegevens
Op 3 april 2023 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 3 april 2023
- Datum publicatie
- 4 augustus 2023
- Zaaknummer
- 22/5698
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2023:4094
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Mondelinge uitspraak. Weigering aanvraag kapvergunning. Het college heeft in redelijkheid kunnen besluiten om de kapvergunning te weigeren.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5698
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
3 april 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (het college)
(gemachtigde: mr. M.S. Zwerus).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college van
1 november 2022 op 3 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van een kapvergunning voor het kappen van een den.
In 2015 is aan eiser een kapvergunning verleend voor het kappen van vier sparren, drie berken, een kers en een den in zijn tuin aan de [adres] in [woonplaats] . Omwonenden hadden bezwaar gemaakt tegen specifiek het kappen van de den. Na overleg met de omwonenden en door tussenkomst van bemiddeling van een medewerker van de gemeente is een compromis gesloten door het kappen van de den van de verleende omgevingsvergunning uit te zonderen.
Eiser heeft op 21 februari 2022 opnieuw een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het kappen van de den in zijn tuin. Met het besluit van
13 april 2022 is de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van
1 november 2022 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Beoordelingskader
2. Het toetsingskader voor het verlenen van een kapvergunning is de Verordening fysieke leefomgeving Amersfoort (de Verordening). Het college heeft de aanvraag beoordeeld op grond van artikel 2.3 van de Verordening. Partijen zijn het er over eens dat de den in een goede conditie verkeert en daarmee een goede boomwaarde heeft. Partijen zijn het er ook over eens dat de boom beeldbepalende waarde heeft. Op grond daarvan kan het college de kapvergunning weigeren. Dat er een weigeringsgrond is, betekent niet dat het college de kapvergunning moet weigeren. Het college kan er ook voor kiezen om de kapvergunning, na afweging van de betrokken belangen, te verlenen. In dit geval heeft het college ervoor gekozen om de kapvergunning te weigeren vanwege de beeldbepalende waarde en de boomwaarde van de den. De belangen die eiser naar voren heeft gebracht en die pleiten voor het kappen van de den heeft het college ondergeschikt geacht aan het belang om de den te behouden vanwege de voormelde waardes.
3. Het college heeft dus een bevoegdheid om de kapvergunning te weigeren. Bij het besluit om al dan niet gebruik te maken van die bevoegdheid heeft het college beleidsruimte. De rechtbank toetst of het college, onder afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de kapvergunning te weigeren.
Beoordeling door de rechtbank
Overlast
4. Eiser voert aan dat hij overlast ervaart van de den. Het grootste deel van de den bevindt zich boven de oprit. De den verliest veel naalden en hars. De hars valt op de oprit en de auto van eiser, waardoor eiser zijn auto niet op de oprit kan parkeren.
5. Het college heeft in het bestreden besluit toegelicht dat de hars een natuurlijke bescherming tegen insecten en schimmels is. Volgens het college is het ervaren van overlast geen doorslaggevend argument waaraan een aanvraag voor het kappen van bomen moet worden getoetst. De rechtbank kan deze toelichting volgen en ziet geen reden om het besluit op grond hiervan onrechtmatig te achten. De beroepsgrond slaagt niet.
Veiligheid
6. Eiser heeft ook naar voren gebracht dat er door de boom een gevoel van onveiligheid heerst bij hem en de buren. De boom staat scheef en verliest bij storm grote takken. Eiser vreest dat de boom hierdoor schade of letsel kan veroorzaken.
7. Het college heeft in het bestreden besluit aangegeven dat de wijkbeheerder de technische staat en conditie van de boom tijdens de aanvraagprocedure heeft beoordeeld. Volgens de wijkbeheerder is de boom stabiel en verkeert de boom in een goede staat en conditie. De boom heeft hierdoor beeldbepalende waarde. Eiser heeft geen tegenadvies van een ter zake deskundige ingediend, die het college op een ander standpunt brengt dan dat de den een gezonde boom is. De rechtbank kan deze redenering volgen en ziet geen aanleiding om het besluit op grond hiervan onrechtmatig te achten. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Eiser heeft aangevoerd dat het college ook heeft gehandeld in strijd met een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het gaat daarbij om het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het verbod van willekeur en het verbod van reformatio in peius. De rechtbank oordeelt dat het college niet heeft gehandeld in strijd met een van deze beginselen. De rechtbank legt dit uit.
Het vertrouwensbeginsel
9. Eiser is van mening dat hij erop mocht vertrouwen dat er een nieuwe kapvergunning voor de den zou worden verleend. Eiser had de in 2015 afgegeven kapvergunning voor de den anders nooit willen laten wijzigen. Eiser meent dat hij vanaf het eerste moment duidelijk te kennen heeft gegeven dat hij de den op termijn alsnog zou willen kappen. Eiser wijst erop dat het college dat aan hem heeft bevestigd en in de wijziging van het besluit heeft opgenomen dat hij de den vooralsnog niet zou kappen. Eiser is van mening dat het vertrouwensbeginsel met zich meebrengt dat het college in dit geval een nieuwe vergunning niet kan weigeren.
10. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moeten de volgende drie stappen worden doorlopen.
-
Is er sprake van een toezegging?
-
Kan de toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan worden toegerekend?
-
Als de eerste twee stappen bevestigend worden beantwoord dan betekent dit dat er gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt. Bij de derde stap moet vervolgens onderzocht worden of er zwaarwegende belangen zijn die zich verzetten tegen honorering van het opgewekte vertrouwen.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een concrete toezegging. Er is sprake van een toezegging als aannemelijk wordt gemaakt dat er een uitlating of gedraging van een ambtenaar is geweest die redelijkerwijs de indruk wekt van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in het geval van eiser een bevoegdheid wel of niet zal worden uitgeoefend. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake.
12. De rechtbank overweegt dat eiser in de e-mail van 4 december 2015 heeft aangegeven dat hij voornemens is om de den op termijn alsnog te kappen en dat, als het moment daar is, een nieuwe kapvergunning zal aanvragen voor de den. In de e-mail van 4 december 2015 geeft mevrouw [A] van de gemeente Amersfoort aan dat zij in het besluit tot wijziging van de vergunning zal opnemen dat eiser hierom zelf heeft verzocht en dat hij ter zijner tijd wellicht een nieuw verzoek om een kapvergunning voor de den zal doen.
13. In het wijzigingsbesluit van 10 december 2015 is het volgende opgenomen:
‘‘(..)
In uw e-mail van 4 december 2015 aan mevrouw [A] , heeft u aangegeven dat u gelet op de bezwaren van de omwonenden de zwarte den vooralsnog niet zult kappen. U verzoekt ons daarom om het besluit zodanig te wijzigen, dat de vergunning voor het kappen van de zwarte den wordt ingetrokken.
(..)
‘‘U denkt dat een jonge eik in uw tuin, wanneer die verder is gegroeid, het bezwaar van omwonenden tegen het kappen van de zwarte den, kan wegnemen. Op dat moment zult u overwegen of u een nieuwe vergunning wilt aanvragen om de den alsnog te kappen.
(..)’’
14. Hierin leest de rechtbank geen toezeggingen waaruit kan worden afgeleid dat de vergunning op een later moment zal worden verleend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.
Het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van willekeur
15. Eiser voert aan dat uit niets blijkt dat hij rekening had moeten houden met een afwijzing. Volgens hem geldt dit temeer omdat het toetsingskader sinds 2015 niet is veranderd. Het weigeren van de vergunning is daarmee volgens eiser in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat dezelfde regelgeving voor dezelfde boom op twee manieren wordt toegepast. Een bestuursorgaan dat in 2015 een kapvergunning verleent voor een boom en in 2022 een vergunning voor dezelfde boom weigert, handelt naar de mening van eiser willekeurig.
16. De rechtbank geeft eiser hierin geen gelijk. Het college heeft de aanvraag voor het kappen van de den opnieuw beoordeeld en daarbij alle relevante feiten en omstandigheden betrokken. De situatie ten tijde van de aanvraag is anders dan in 2015. Het college heeft in het bestreden besluit en tijdens de zitting toegelicht dat de beleidsregels na 2015 zijn gewijzigd en dat sinds 2016 de Groenvisie in de gemeente Amersfoort van toepassing is. Daarnaast heeft de boom beeldbepalende waarde. Voorheen stonden in de tuin van eiser ook vier sparren, drie berken en een kers. De den is een groenblijvende boom en is in zijn geheel zichtbaar vanaf de [straat 1] en de [straat 2] . Hierdoor is de boom jaarrond nadrukkelijk in het straatbeeld aanwezig. De rechtbank kan deze toelichting van het college volgen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Reformatio in peius
17. Eiser meent dat het college heeft gehandeld in strijd met het verbod van reformatio in peius. Eiser is door zijn eigen bereidheid en het sluiten van een compromis in een slechtere positie terechtgekomen.
18. Naar het oordeel van de rechtbank is het verbod van reformatio in peius niet van toepassing. Het verbod van reformatio in peius ziet er op dat niet een verslechtering in de rechtspositie ontstaat bij degene die bezwaar of beroep instelt. Eiser heeft echter geen bezwaar of beroep ingediend waardoor hij in een slechtere rechtspositie is terechtgekomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
19. Eiser meent dat de weigering van de kapvergunning hem onevenredig nadeel oplevert. Bij de belangenafweging dient volgens eiser te worden betrokken: de overlast, een onveilig gevoel dat door eiser en de buren wordt ervaren en dat hij er op mocht vertrouwen dat hij een nieuwe kapvergunning kon krijgen. Dit bij elkaar brengt volgens eiser mee dat de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te pakken. De beeldbepalende waarde en de boomwaarde van de houtopstand maken dit volgens eiser niet anders.
20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college op een zorgvuldige wijze de belangen in kaart gebracht die pleiten voor het behoud van de den. Het college heeft in redelijkheid, na afweging van de betrokken belangen, het belang van het behoud van de den zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van eiser. De rechtbank ziet bij de gemaakte belangenafweging geen belangen die het college over het hoofd heeft gezien. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
22. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2023 door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier. De griffier is niet in de gelegenheid het proces-verbaal te ondertekenen.
|
rechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.